Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7771

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
10/651012-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openlijk geweld, buurtbewoners kregen onverwacht klappen van mede-buurtbewoners.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/651012-17

Datum uitspraak: 5 september 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

Raadsman mr. A. Jhingoer, advocaat te Rotterdam (die waarneemt namens mr. H. Raza, tevens advocaat te Rotterdam).

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 22 augustus 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J. Kroon heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van de onder 1 impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag;

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling en van de onder 2 tenlastegelegde openlijke geweldpleging;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

  • -

    opheffing van het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering ten aanzien van feit 1, impliciet primair

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag, niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijsoverweging

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De verdachte heeft [naam slachtoffer 3] met een ijzeren staaf tegen het hoofd geslagen. Daarmee heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [naam slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Ook de onder 2 tenlastegelegde openlijke geweldpleging kan wettig en overtuigend worden bewezen. De verdachte behoorde tot de groep aanvallers, aan het groepsgeweld heeft hij een wezenlijke bijdrage geleverd. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

4.2.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, impliciet subsidiair en van het onder 2 tenlastegelegde.

De aangevers [naam slachtoffer 2] , [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] hebben de aanval die op hen is gepleegd nadien onderling besproken. Pas daarna hebben zij de naam van onder meer de verdachte aan de politie doorgegeven. Het kan daarom niet worden uitgesloten dat sprake is van beïnvloeding, zodat hun verklaringen niet betrouwbaar zijn. Daartegenover staat de ontkenning van de verdachte bij de vechtpartij betrokken te zijn geweest. Hij heeft een alibi dat wordt bevestigd door de verklaring van zijn oom. Zelfs indien zou kunnen worden vastgesteld dat de verdachte [naam slachtoffer 3] met een metalen staaf tegen het hoofd heeft geslagen, kan niet worden bewezen dat de verdachte het opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het intreden van zwaar lichamelijk letsel. Er kan immers niet worden vastgesteld hoe hard er is geslagen.

Wat betreft de tenlastegelegde openlijke geweldpleging is verder nog aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte hieraan een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd en evenmin dat hij opzet had op het plegen van geweld.

4.2.3.

Beoordeling

Inleiding

Uit de aangiftes in het dossier blijkt dat op 8 februari 2017 aangevers [naam slachtoffer 4] , [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 3] vanaf het huis van de familie [naam familie slachtoffers] met een aantal jongens zijn meegelopen naar een park nabij het [plaats delict 1] in Rotterdam. Daar werden zij opgewacht, ingesloten en met geweld aangevallen door een grote groep jongens, waarvan een deel bewapend was, onder meer met een stalen/ijzeren pijp, een mes en een honkbalknuppel. [naam slachtoffer 3] kreeg daarbij van één van de aanvallers met een ijzeren staaf een klap tegen zijn hoofd. Blijkens de medische letselinformatie van 28 maart 2017, opgemaakt door P.M.P. van Dorst, forensisch arts bij Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond (hierna: FARR), heeft [naam slachtoffer 3] een hoofdwond op het achterhoofd opgelopen die door een arts moest worden gehecht. De andere aangevers hebben eveneens letsel opgelopen, zo is door verbalisanten ter plaatse geconstateerd. Deze gang van zaken heeft ter zitting niet ter discussie gestaan. Wel ontkent de verdachte hierbij aanwezig te zijn geweest en (dus ook) [naam slachtoffer 3] met een staaf op zijn hoofd te hebben geslagen.

Betrouwbaarheid verklaring aangevers

[naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 2] hebben ieder afzonderlijk, direct na de gevechtshandelingen, gedetailleerde en consistente verklaringen afgelegd, ten aanzien van de herkenning van de verdachte in de groep aanvallers en als de persoon die met een staaf [naam slachtoffer 3] tegen het hoofd heeft geslagen.

De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat er tussen de slachtoffers voorafgaand aan het afleggen van hun tweede verklaring tegenover de politie en hun latere verklaring tegenover de rechter-commissaris, contact heeft plaatsgevonden niet zonder meer met zich brengt dat de door hen afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn en onbruikbaar voor het bewijs van het telastegelegde. Uit de verklaringen blijkt niet dat het onderlinge contact heeft geleid tot aanpassing van hun verklaring of tot het afleggen van een verklaring in strijd met de waarheid. Deze herkenningen van de verdachte door [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 2] staan niet op zichzelf, maar ondersteunen elkaar. Dat de aangevers de naam van de verdachte niet kenden en die hebben achterhaald aan de hand van een foto op Facebook is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de herkenning van de genoemde aangevers afzonderlijk.Verdachte woont al jaren in de buurt van de aangevers, zij kennen hem in ieder geval van gezicht, als lid van de groep waartoe hij volgens de aangevers behoorde.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn die verklaringen dan ook voldoende betrouwbaar, zodat het hieromtrent gevoerde verweer wordt verworpen.

Gelet op voornoemde onderling consistente verklaringen van aangevers, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij ten tijde van het geweld bij zijn oom was niet geloofwaardig. Daarnaast is de hierover door die oom bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring weinig specifiek en in algemene bewoordingen geformuleerd. Deze oom heeft verklaard “geen specifieke herinneringen” te hebben aan 8 februari 2017, maar dat hij “denkt dat dat de dag is geweest” dat de verdachte bij hem was. Dit betreft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen waterdicht alibi, temeer ook omdat de verdachte in zijn eerste verklaring bij de politie heeft aangegeven veel later bij zijn oom te zijn aangekomen dan in zijn latere verklaringen.

Feit 1

Gezien het voorgaande staat vast dat de verdachte onderdeel uitmaakte van de groep jongens die de aangevers heeft aangevallen en dat hij de persoon is die daarbij [naam slachtoffer 3] met een staaf tegen zijn hoofd heeft geslagen.

Door het slachtoffer is tegenover de rechter-commissaris verklaard dat de metalen staaf waarmee hij is geslagen ongeveer zo lang was als de afstand tussen een ellenboog en de vingertoppen van een mens. Blijkens het dossier zijn er ijzeren staven in beslag genomen door de politie. Hiervan bevinden zich foto’s in het dossier. In de kennisgeving van inbeslagneming is vermeld dat er bij de buren op het [adres buren] ijzeren staven (met een ijzeren draadeind) in beslag zijn genomen. Deze ijzeren staven komen overeen met de omschrijving die [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] hebben gegeven van de ijzeren staaf waarmee de verdachte [naam slachtoffer 3] tegen het hoofd heeft geslagen, namelijk een metalen pijp van “een soort betonijzer die voor de bouw gebruikt wordt om beton mee vast te maken” en “zo'n staaf die vaak in beton gegoten zit”. Het slaan met een dergelijk zwaar voorwerp tegen het hoofd impliceert al dat dit met enige kracht gepaard moet gaan. De rechtbank is gelet hierop en mede gezien de vastgestelde aard van het letsel (een bloedende hoofdwond) bij [naam slachtoffer 3] van oordeel dat dat de verdachte met kracht heeft geslagen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slaan met een metalen staaf tegen het hoofd zwaar lichamelijk letsel tot gevolg kan hebben. Het hoofd is een bijzonder kwetsbaar deel van het lichaam. Door [naam slachtoffer 3] met een staaf tegen het hoofd te slaan, kan het niet anders zijn dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [naam slachtoffer 3] hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Contra-indicaties hiervoor heeft de rechtbank niet aangetroffen. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

Het onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde feit kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Feit 2

Gezien het voorgaande staat vast dat de verdachte deel uitmaakte van de groep die collectief geweld heeft gepleegd tegen aangevers. Ook is hiervoor reeds gebleken dat hij daaraan, door het slaan van [naam slachtoffer 3] , een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd en daarbij nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten. De verdachte moet dan ook als medepleger van het aangewende geweld worden aangemerkt. Het ten laste gelegde door de verdachte in vereniging plegen van openlijk geweld is daarmee eveneens wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 08 februari 2017 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [naam slachtoffer 3] met kracht met een metalen pijp tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 08 februari 2017 te Rotterdam, op of aan de openbare weg,

te weten het [plaats delict 1] openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 3] , welk geweld bestond uit het (met kracht), meermalen, althans eenmaal:

- slaan/stompen en schoppen/trappen tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 4] en die [naam slachtoffer 2] en die [naam slachtoffer 1] en die [naam slachtoffer 3] , en

- met een of meer houten stokken, althans (een) hard(e) voorwerp(en), slaan op/tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 4] en die [naam slachtoffer 2] en die [naam slachtoffer 1] en die [naam slachtoffer 3] , en

- met een (honkbal)knuppel, althans een hard voorwerp, slaan op de arm van die

[naam slachtoffer 4] , en

- met een metalen voorwerp, slaan tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 3] ,

- bijten in de wang van [naam slachtoffer 2] , en

- met een mes maken van stekende

bewegingen in de richting van [naam slachtoffer 1] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

eendaadse samenloop van

1. poging tot zware mishandeling

en

2. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling en aan het plegen van openlijk geweld. De vier slachtoffers zijn meegelokt naar een park en daar door een grote groep bewapende jongens opgewacht, ingesloten en aangevallen. De verdachte heeft [naam slachtoffer 3] daarbij met een staaf tegen zijn hoofd geslagen. Zowel [naam slachtoffer 3] als [naam slachtoffer 4] , [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] zijn zodanig verwond geraakt dat zij naar het ziekenhuis zijn vervoerd en behandeling nodig hadden voor hun verwondingen. Het letsel van het slachtoffer [naam slachtoffer 3] had veel ernstiger kunnen zijn. Het is niet aan de verdachte te danken dat het letsel van dit slachtoffer relatief gering is gebleven.

De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke misdrijven hiervan nog langdurig de gevolgen kunnen ondervinden en zich angstig en bedreigd blijven voelen. Dat geldt hier temeer, aangezien de aanval in de buurt van de woning van de slachtoffers plaatsvond en de verdachte en zijn medeverdachten ook in hun buurt wonen. De confrontatie tussen verdachte en de slachtoffers heeft - na een eerdere confrontatie tussen aangever [naam slachtoffer 4] en enkele leden van de groep - plaatsgevonden op en aan de openbare weg. Naar de ervaring leert leiden dit soort delicten ook tot angstgevoelens bij degenen die hiervan getuige zijn geweest. Dergelijke delicten dragen bovendien bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving in het algemeen maar zeker ook in de buurt waar drie van de slachtoffers wonen. Door zijn deelname aan dit groepsgeweld heeft de verdachte zich op een uitermate laffe en verwerpelijke wijze gedragen.

Hoewel de mate van organisatie van het openlijk geweld niet is komen vast te staan kan, gelet op de feitelijke omstandigheden, niet anders worden geconcludeerd dan dat hiervan wel sprake geweest moet zijn nu de slachtoffers naar het parkje in een hinderlaag zijn gelokt waar zij werden opgewacht door een grote, bewapende overmacht. Dit blijkt ook wel uit de omstandigheid dat de slachtoffers hebben verklaard dat de verdachte en de rest van de groep bewapende mannen, zonder tevoren te hebben overlegd, meteen begonnen met de geweldshandelingen. Dergelijk geweld roept om een geloofwaardige strafrechtelijke reactie, achterwege blijven daarvan kan leiden tot tegengeweld en verdere escalatie.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 juli 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een rapport van Reclassering Nederland gedateerd 28 juni 2018. Volgens dit rapport zijn er geen indicaties voor het adviseren van een meldplicht en/of interventies.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank houdt als aanknopingspunt voor de op te leggen straf voor dit feit rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren (verder te noemend: LOVS).

Gezien de ernst van de feiten kan, mede gelet op het bepaalde in artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a van het Wetboek van Strafrecht, niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval een hogere straf dan door de officier van justitie is gevorderd noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezenverklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak, miskend zouden worden. Het bewezenverklaarde feit valt naar het oordeel van de rechtbank buiten het “reguliere” kader van straatgeweld, nu sprake is van een vooropgezette, geraffineerde aanval op vier personen door een overmacht van bewapende mannen, die het viertal in een hinderlaag heeft gelokt en waarbij grof geweld is gebruikt. Bij de beslissing om een hogere straf op te leggen neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de slachtoffers in de vorderingen benadeelde partij die zij hebben ingediend allen te kennen hebben gegeven dat zij nog steeds worden geïntimideerd door de verdachte en zijn medeverdachten Zij kunnen in hun eigen woonomgeving tot de dag vandaag dus nog niet veilig over straat. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. De verdachte heeft er door zijn proceshouding voor gekozen geen verantwoording af te leggen voor dit geweld. De door de rechtbank voorgenomen straf heeft verder in het onderhavige geval ook een generaal preventief doel om de samenleving te laten zien dat het gedrag van de verdachte volstrekt onacceptabel is.

Hoewel het tijdsverloop tussen de inverzekeringstelling van de verdachte en de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak op de zitting van 22 augustus 2018 lang is, kan dit, gelet op de complexiteit van de strafzaak en de onderzoekswensen van de verdediging, niet aan het openbaar ministerie worden toegerekend. De rechtbank acht dit tijdsverloop dan ook niet van dusdanige aard dat daar bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf rekening mee zou moeten worden gehouden.

Alles afwegend acht de rechtbank voor verdachte, gelet op diens aandeel in het geweld, een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden. De rechtbank zal een deel van deze gevangenisstraf, te weten één maand, voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

8 Vorderingen benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregelen

[naam benadeelde 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 130,- aan materiële schade (kapotte kleding) en een vergoeding van € 800,- aan immateriële schade.

[naam benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 9,18 aan reiskosten en een vergoeding van immateriële schade van € 750,-.

[naam benadeelde 3]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 3] ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 29,75 (bestaande uit € 15,30 eigen risico zorgverzekering en € 14,45 reiskosten) aan materiële schade en een vergoeding van € 700,- aan immateriële schade.

[naam benadeelde 4]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 4] ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 3498,54,- aan materiële schade (bestaande uit eigen risico zorgverzekering € 385,- verlies van arbeidsvermogen € 3.085,60 en reiskosten € 27,94) en een vergoeding van € 1.800,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] , [naam benadeelde 2] , [naam benadeelde 3] en [naam benadeelde 4] integraal dienen te worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd alsmede de hoofdelijke veroordeling.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden afgewezen c.q. de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vorderingen gelet op het betoog tot vrijspraak. Verder is er geen rechtstreeks verband tussen de schade en de handelingen van de verdachte terwijl voorts de materiële schade niet voldoende is onderbouwd.

8.3.

Beoordeling

Materieel

Vast is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij:

- [naam benadeelde 1] door de onder 1 impliciet subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten,

- [naam benadeelde 2] , [naam benadeelde 3] en [naam benadeelde 4] door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoedingen komen de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor, terwijl deze niet voldoende gemotiveerd zijn weersproken. De vorderingen ten aanzien van de materiële kosten zullen daarom integraal worden toegewezen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de door [naam benadeelde 4] verzochte vergoeding van verlies van arbeidsvermogen dat uit de inhoud van het dossier (zijn eigen verklaring en de FARR letselinformatie) is gebleken dat hij als gevolg van het door hem opgelopen letsel niet heeft kunnen werken. Gelet hierop en nu de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering van [naam benadeelde 4] ook ten aanzien van dit deel van de gevorderde schadevergoeding worden toegewezen.

Immaterieel

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partijen door de bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op:

- € 800 ten aanzien van [naam benadeelde 1] ;

- € 750,- ten aanzien van [naam benadeelde 2] ;

- € 700,- ten aanzien van [naam benadeelde 3] ;

-€ 1.800,- ten aanzien van [naam benadeelde 4] ;

zodat de vorderingen tot deze bedragen zullen worden toegewezen.

Hoofdelijke veroordeling

Nu de verdachte het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden en ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partijen betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd.

Wettelijke rente

De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 8 februari 2017.

Kosten

Nu de vordering van de benadeelde partijen zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij:

- [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van € 930,-, vermeerderd met de wettelijke rente als hieronder in de beslissing vermeld;

- [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van € 759,18, vermeerderd met de wettelijke rente als hieronder in de beslissing vermeld.

- [naam benadeelde 3] een schadevergoeding betalen van € 729,75, vermeerderd met de wettelijke rente als hieronder in de beslissing vermeld.

- [naam benadeelde 4] een schadevergoeding betalen van € 5.298,54, vermeerderd met de wettelijke rente.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregelen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 55, 302 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 impliciet primair (poging tot doodslag) ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling) en 2 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes maanden);

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 (één) maand niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

de vorderingen benadeelde partij:

[naam benadeelde 1]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders, dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij

[naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 930,- (zegge: negenhonderddertig euro), bestaande uit € 130,- aan materiële schade en € 800,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen € 930,- (hoofdsom, zegge: negenhonderddertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

8 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 930,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 18 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

[naam benadeelde 2]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij

[naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 759,18 (zegge: zevenhonderdnegenenvijftig euro en achttien eurocent), bestaande uit € 9,18 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 759,18 (hoofdsom, zegge: zevenhonderdnegenenvijftig euro en achttien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 759,18 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

[naam benadeelde 3]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders, dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij

[naam benadeelde 3] , te betalen een bedrag van € 729,75 (zegge: zevenhonderdnegenentwintig euro en vijfenzeventig eurocent), bestaande uit € 29,75 aan materiële schade en € 700,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 3] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen € 729,75 (hoofdsom, zegge: zevenhonderdnegenentwintig euro en vijfenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van €729,75 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 14 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

[naam benadeelde 4]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader(s), des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij

[naam benadeelde 4] , te betalen een bedrag van € 5.298,54 (zegge: vijfduizend tweehonderdachtennegentig euro en vierenvijftig eurocent), bestaande uit

€ 3.498,54 aan materiële schade en € 1.800,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 4] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] te betalen € 5.298,54 (hoofdsom, zegge: vijfduizendtweehonderdachtennegentig euro en vierenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 5.298,54 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 61 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 4] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. van Dijken, voorzitter,

en mrs. J. Fransen en W.M. Stolk, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 08 februari 2017 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 3] van het leven te beroven,

althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet die [naam slachtoffer 3] (met kracht) met een (stalen/metalen)

pijp/buis/staaf, althans een hard voorwerp, op/tegen het hoofd heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 08 februari 2017 te Rotterdam, op of aan de openbare weg,

te weten het [plaats delict 1] en/of de [plaats delict 2] , in elk geval op of aan een

openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 2]

en/of [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 3] ,

welk geweld bestond uit het (met kracht), meermalen, althans eenmaal:

- slaan/stompen en/of schoppen/trappen in/op/tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 4]

en/of die [naam slachtoffer 2] en/of die [naam slachtoffer 1] en/of die [naam slachtoffer 3]

, en/of

- met een of meer houten stokken, althans (een) hard(e) voorwerp(en), slaan

op/tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 4] en/of die [naam slachtoffer 2] en/of

die [naam slachtoffer 1] en/of die [naam slachtoffer 3] , en/of

- met een (honkbal)knuppel, althans een hard voorwerp, slaan op de arm van die

[naam slachtoffer 4] , en/of

- met een (stalen/metalen) pijp/buis, althans een hard voorwerp, slaan

op/tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 3] ,

- bijten in de wang van [naam slachtoffer 2] , en/of

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, maken van stekende

bewegingen in de richting van [naam slachtoffer 1] ;