Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7672

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
13-09-2018
Zaaknummer
C/10/536661 / HA ZA 17-962
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over erfafscheiding. Geen sprake van een machtsuitoefening van de één die zodanig is dat de machtsuitoefening van de ander teniet wordt gedaan. Geen inbezitneming en dus geen verkrijging als gevolg van verkrijgende of bevrijdende verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/536661 / HA ZA 17-962

Vonnis van 22 augustus 2018

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie, verweerders in reconventie,

advocaat mr. R.G. Degenaar,

tegen

[gedaagde ] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat mr. L.E. Huard.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde ] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 oktober 2017

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens inhoudende een voorwaardelijke eis in reconventie

  • -

    de akte overleggen producties en conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 5 juni 2018

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] is sinds 16 februari 2016 eigenaar van de woning en bijbehorende percelen, kadastraal bekend gemeente Leerbroek, [sectienummer] .

2.2.

De naastgelegen woning en bijbehorende percelen, kadastraal bekend gemeente Leerbroek, [sectienummer] te Leerdam zijn sinds 30 mei 2008 eigendom van [gedaagde ] (perceel B). Het perceel, kadastraal bekend gemeente Leerbroek, [sectienummer] te Leerdam dat is gelegen aan de achterzijde van perceel B is sinds 2006 ook eigendom van [gedaagde ] (perceel C).

2.3.

De fysieke afscheiding tussen perceel A en perceel B bestaat achtereenvolgens vanaf de openbare weg naar achteren uit de volgende elementen:

1. het muurtje van basalt blokken;

2. het bakstenen randje;

3. het hek van palen en ijzerdraad;

4. de achterwand van de stenen schuur op perceel B;

5. de houten schutting achter de stenen schuur; en

6. het vierkante rasterhek in het verlengde van de houten schutting tot het begin van het schapenhekje.

De afscheiding tussen perceel A en perceel C wordt gevormd door:

7. het schapenhekje.

2.4.

De hieronder opgenomen kaart laat zien waar deze onderdelen van de afscheiding zich bevinden ten opzichte van de kadastrale grens tussen percelen A en B en percelen A en C. De rode lijn toont de kadastrale grens. De blauwe stippellijn toont waar de elementen (1) tot en met (6) staan. Element (7) staat op de rode lijn tussen perceel A en perceel C. Het gebied tussen de rode lijn en de blauwe stippellijn zal hierna “de strook grond” worden genoemd.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat de eigendomsgrens tussen de percelen van [eisers] , kadastraal bekend gemeente Leerbroek, [sectienummer] , en de percelen van [gedaagde ] , kadastraal bekend gemeente Leerbroek, [sectienummer] , gelijk is aan de erfgrens, zoals die ter plaatse blijkt uit de uiterlijke kenmerken als in de dagvaarding beschreven en zoals die middels de blauwe lijn is aangeduid op productie 15 bij dagvaarding en dat aldus [eisers] middels verjaring eigenaar is geworden van het perceelsgedeelte dat gelegen is tussen de kadastrale erfgrens en de grens als aangeduid met de blauwe lijn op productie 15 bij dagvaarding;

  2. [gedaagde ] te veroordelen om binnen vier weken na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan het opmaken en inschrijven in de openbare registers van een notariële akte van de sub 1 bedoelde verjaring, zulks op straffe van de verbeurte door [gedaagde ] aan [eisers] van een dwangsom van € 100,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde ] nadat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden in gebreke blijft naar behoren aan deze veroordeling te voldoen en voorts onder de bepaling dat, indien [gedaagde ] nalaat haar medewerking te verlenen en sedert de betekening van dit vonnis 4 weken zijn verstreken dit vonnis in de plaats komt van de medewerking van [gedaagde ] aan de inschrijving in het kadaster van de eigendomsverkrijging middels verjaring en aldus [eisers] te machtigen om door tussenkomst van een notaris de inschrijving daarvan in het kadaster te bewerkstelligen;

  3. te verklaren voor recht dat de schuttingen en hekwerken als te zien op de foto’s, die als producties 11 tot en met 14 bij dagvaarding zijn overgelegd, op de eigendomsgrens staan en gemeenschappelijk eigendom zijn van [eisers] en [gedaagde ] , zulks evenwel met uitzondering van de twee van hout- en metaal opgetrokken hekwerken als bedoeld in randnummer 12 van de dagvaarding, welke hekwerken door [gedaagde ] ten onrechte en aldus onrechtmatig op het perceel van [eisers] zijn geplaatst;

  4. [gedaagde ] te veroordelen om binnen 4 weken na de betekening van dit vonnis de afvoer van het hemelwater als te zien op de foto die als productie 12 bij dagvaarding is overgelegd te staken en gestaakt te houden en daartoe hemelwaterafvoeren, die uitkomen op het perceel van [eisers] te verwijderen en verwijderd te houden en aldus [gedaagde ] te verbieden om op welke wijze dan ook hemelwater af te voeren op het perceel van [eisers] , alles op straffe van de verbeurte door [gedaagde ] aan [eisers] van een dwangsom van € 100,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde ] nalaat naar behoren aan dit vonnis te voldoen, zulks te rekenen vanaf 4 weken na betekening van dit vonnis;

  5. [gedaagde ] te veroordelen om binnen 4 weken na de betekening van dit vonnis de planten en de twee hekwerken als te zien op de foto’s die als producties 20, 21 en 22 bij dagvaarding zijn overgelegd van de percelen van [eisers] te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van de verbeurte door [gedaagde ] aan [eisers] van een dwangsom van € 100 per dag voor iedere dag dat [gedaagde ] nalaat naar behoren aan dit vonnis te voldoen, zulks te rekenen vanaf 4 weken na de betekening van dit vonnis;

  6. alles met veroordeling van [gedaagde ] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde ] binnen 4 weken na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis en voorts te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van 4 weken na betekening van het vonnis tot aan de voldoening.

3.2.

[eisers] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. De strook grond is door middel van verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigendom geworden van [eisers] , omdat deze sinds 1955, althans 1971/1972 in bezit is van [eisers] en haar rechtsvoorgangers.

3.3.

[gedaagde ] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] Zij voert daartoe het volgende aan. [gedaagde ] betwist dat [eisers] de strook grond in bezit heeft, het bezit te goeder trouw is en ten minste tien jaar of 20 jaar onafgebroken heeft geduurd.

3.4.

Indien komt vast te staan dat de verjaringstermijn op enig moment is gaan lopen, voert [gedaagde ] verweer. Zij legt daaraan het volgende ten grondslag. De verjaringstermijn is door de bezitsdaden van [gedaagde ] met betrekking tot de strook grond onderbroken dan wel gestuit. [gedaagde ] heeft vanaf 2008 regelmatig bezitshandelingen verricht, waardoor eventueel bezit van [eisers] en haar rechtsvoorgangers verloren is gegaan. Zij heeft vanaf 2008 regelmatig de druivenplanten onderhouden en geoogst. In 2016 heeft zij op de strook grond groene hagen en pergola’s geplaatst. Daarnaast heeft zij haar bezit opgeëist en de eventuele verjaringstermijn gestuit met de brief van 16 augustus 2011 (productie 20 [eisers] ) en de e-mail van 8 oktober 2015 (productie 3 [gedaagde ] )

in reconventie

3.5.

[gedaagde ] vordert om in reconventie voorwaardelijk, voor zover komt vast te staan dat [eisers] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond en mandelig eigenaar is geworden van de erfascheiding, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat [eisers] onrechtmatig jegens [gedaagde ] hebben gehandeld door de geclaimde grond in bezit te nemen;

  2. voor recht te verklaren dat [eisers] aansprakelijk zijn voor de uit het onder 1 bedoelde onrechtmatige handelen voor [gedaagde ] voortvloeiende schade;

  3. [eisers] te veroordelen tot voldoening van een schadevergoeding in natura als bedoeld in artikel 6:103 BW, door [eisers] te veroordelen tot eigendomsoverdracht van de geclaimde grond aan [gedaagde ] , te realiseren binnen 14 dagen na het wijzen van dit vonnis;

  4. [eisers] de last op te leggen om de geclaimde grond met al het zijde te verlaten en verlaten te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van
    € 1.000,00 per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, voor zover [eisers] zich niet aan de op te leggen last conformeert;

  5. veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure, het salaris advocaat daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vor zover [eisers] de proceskosten niet binnen 14 dagen na dit vonnis vrijwillig aan [eisers] heeft voldaan;

  6. [eisers] te veroordelen in de nakosten van € 131, te vermeerderen met een bedrag van € 68 voor zover [gedaagde ] het vonnis zal hebben te betekenen.

3.6.

[gedaagde ] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Indien komt vast te staan dat [eisers] de strook grond in eigendom hebben gekregen, geldt dat zij daarbij niet te goeder trouw hebben gehandeld. Dit is onrechtmatig jegens [gedaagde ] , zodat [eisers] de schade die [gedaagde ] als gevolg daarvan heeft geleden dienen te vergoeden.

3.7.

[eisers] concludeert tot afwijzing van de vordering. Zij betwist de gestelde feiten. De rechtsvoorgangers van [eisers] hebben de strook ruimschoots meer dan 10 jaar te goeder trouw in bezit gehad en [eisers] heeft deze later te goeder trouw verkregen. Is een bezitter eenmaal te goeder trouw, dan wordt deze geacht dit te blijven. Daarnaast is de kadastrale kaart niet doorslaggevend en behoort deze niet tot de openbare registers.

3.8.

[eisers] voert hiernaast als verweer. Zij stelt dat de vordering is verjaard. Zij legt daaraan het volgende ten grondslag. Nu inbezitneming heeft plaatsgevonden in 1955, althans 1971/1972, is de bevrijdende verjaringstermijn voltooid 20 jaar na 1955, althans 20 jaar na 1971/1972. De rechtsvoorgangers van [gedaagde ] wisten of behoorden te weten dat sprake was van eigendomsverlies en wie daarvoor de aansprakelijke partij was. Daarom is de korte verjaringstermijn van 5 jaar van toepassing (art. 3:310 lid 1 BW). Die termijn is gaan lopen op de datum waarop de voor de bevrijdende verjaring toepasselijke termijn van 20 jaar voltooid was, zodat de vordering in 1980 of 1996/1997 is verjaard.

4 De beoordeling

In conventie

Het schapenhekje

4.1.

Partijen zijn het er over eens dat (7) het schapenhekje tussen perceel A en perceel C op de grens staat zoals die staat aangegeven op de kadastrale kaart (productie 3 [eisers] ). Nu de grens tussen deze twee percelen in de lengterichting onder het schapenhekje door loopt, is het schapenhekje gemeenschappelijk eigendom en mandelig. De onder 3 gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen, uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op het schapenhekje.

De strook grond

4.2.

Partijen twisten over de vraag of (de rechtsvoorgangers van) [eisers] als gevolg van verkrijgende (art. 3:99 BW) of bevrijdende (art. 3:105 lid 1 BW) verjaring de strook grond heeft verkregen.

4.3.

Ingevolge art. 3:99 BW kan een bezitter te goeder trouw de eigendom van een onroerende zaak verkrijgen door een onafgebroken bezit gedurende tien jaren (verkrijgende verjaring). Voor de bezitter die niet te goeder trouw is, geldt op grond van art. 3:105 lid 1 BW dat hij dat goed verkrijgt indien hij dat goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit wordt voltooid (bevrijdende verjaring).

4.4.

Men kan een goed in bezit nemen door zich daar de feitelijke macht over te verschaffen (art. 3:113 lid 1 BW). De vraag of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de regels in titel 5 van boek 3 BW en op grond van de uiterlijke feiten (art. 3:108 BW). De machtsuitoefening moet van dien aard zijn dat deze naar verkeersopvatting als bezit kan worden gekwalificeerd.

4.5.

Indien het betreffende goed in bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen van de één niet voldoende om een einde te maken aan het bezit van de ander (art. 3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening moet in dat geval zodanig zijn dat de machtsuitoefening van de oorspronkelijke bezitter teniet wordt gedaan (zie HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743 en HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309). Dan pas staat de machtsuitoefening niet meer op zichzelf. Het gaat om het uitoefenen van een voldoende mate van feitelijke macht met de pretentie rechthebbende te zijn. Het bezit moet voorts niet dubbelzinnig en openbaar zijn. Daarvan is sprake, indien de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit op basis van de uiterlijke feiten niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn (HR 15 januari 1993, NJ 1993, 178 Baayens-Frunt/Wijers). Voor openbaarheid is noodzakelijk dat de machtsuitoefening naar buiten toe kenbaar is.

4.6.

[eisers] heeft zich ter onderbouwing van de stelling dat de strook grond in het bezit van zijn rechtsvoorgangers is gekomen beroepen op de in punt 2.3. hierboven omschreven fysieke erfafscheiding die aanwezig was toen zij op 16 februari 2016 perceel B in eigendom kregen.

4.7.

[eisers] heeft haar stelling dat de diverse erfafscheidingsonderdelen door haar rechtsvoorgangers zijn neergezet niet onderbouwd en deze stelling wordt niet ondersteund door de door haar overgelegde getuigenverklaringen. Integendeel, uit de verklaringen van [erfgenaam 1] en [erfgenaam 2] (erfgenamen van de rechtsvoorganger van [eisers] ) (productie 17 [eisers] ) volgt dat (1) het muurtje van basalt blokken en (2) het bakstenen randje zijn aangelegd door één van de rechtsvoorgangers van [gedaagde ] . Hetzelfde geldt voor (4) de achterwand van de stenen schuur op perceel B nu deze onderdeel is van de woning van [gedaagde ] . Voorts staan (5) de houten schutting en (6) het rasterhek op de plaats waar zich de achtermuur bevond van verschillende schuren die tot 2006 op perceel B hebben gestaan. Uit de verklaring van Verrips (productie 18 [eisers] ) blijkt dat ook laatstgenoemde onderdelen zijn geplaatst door de rechtsvoorgangers van [gedaagde ] .

4.8.

Nu derhalve niet vaststaat dat de in punt 4.4. hierboven genoemde onderdelen van de erfafscheiding zijn geplaatst door [eisers] of haar rechtsvoorgangers, kunnen deze niet gelden als een machtsuitoefening van de rechtsvoorgangers van [eisers] als bedoeld in art. 3:113 lid 1 BW. De aanwezigheid van de fysieke erfafscheidingen rechtvaardigen derhalve niet het oordeel dat de rechtsvoorgangers van [eisers] de strook grond of onderdelen daarvan in bezit hebben genomen.

4.9.

De overige machtsuitoefeningen die [eisers] heeft gesteld zijn:

(i) de aanleg en het onderhoud van de moestuin aan de zijde van perceel A langs het muurtje van basalt blokken en het bakstenen randje;

(ii) de strook grond tussen de stenen schuur op perceel B en de voormalige houten schuur op perceel A is door de rechtsvoorgangers van [eisers] afgetimmerd; en

(iii) de aanleg en het onderhoud van de druivenplanten die waren geplaatst langs de achtermuur van de voormalige schuren die tot 2006 op perceel B hebben gestaan (waar nu (5) de houten schutting en (6) het rasterhek staan).

4.10.

Ten aanzien van de aanleg en het onderhoud van (i) de moestuin en (iii) de druivenplanten geldt dat het enkele aanbrengen van beplanting en het onderhouden van de strook grond evenmin het oordeel rechtvaardigt dat sprake is van bezit met eigendomspretentie. Enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen van de één zijn immers niet voldoende om een einde te maken aan het bezit van de ander (art. 3:113 lid 2 BW).

4.11.

Met betrekking tot (ii) heeft [eisers] toegelicht dat er ter hoogte van (4) de achterwand van de stenen schuur op perceel B ten tijde van de eigendomsoverdracht van perceel A aan [eisers] een houten schuur stond. De strook grond tussen de stenen schuur op perceel B en de houten schuur op perceel A was geheel door houten betimmering afgesloten en derhalve bij geen van beide partijen of hun rechtsvoorgangers in gebruik geweest. Ook hieruit kan derhalve niet worden afgeleid dat [eisers] of haar rechtsvoorgangers zich over deze strook de feitelijke macht hebben verschaft.

4.12.

Dat de rechtsvoorgangers van [eisers] niet de pretentie hebben gehad om de strook grond in bezit te nemen volgt overigens ook uit de hierboven genoemde verklaring van [erfgenaam 1] en [erfgenaam 2] (productie 17 [eisers] ). Zij spreken immers van het “gebruik” van de strook grond die bestond “met wederzijds goedvinden”. Dit is een aanwijzing dat de rechtsvoorgangers [gedaagde ] de rechtsvoorgangers van [eisers] het gebruik hebben gegeven van de strook grond zonder daarbij afstand te doen van het eigendomsrecht.

4.13.

Op grond van het voorgaande geldt dat geen sprake is van een machtsuitoefening door [eisers] of haar rechtsvoorgangers die zodanig is dat de machtsuitoefening van [gedaagde ] en haar rechtsvoorgangers teniet wordt gedaan. Aldus is niet komen vast te staan dat [eisers] of haar rechtsvoorgangers de strook grond in bezit hebben genomen. [eisers] of haar rechtsvoorgangers kunnen de strook grond dus evenmin hebben verkregen als gevolg van verkrijgende of bevrijdende verjaring.

4.14.

Met uitzondering tot hetgeen is toegewezen in punt 4.1. hierboven, zullen de vorderingen van [eisers] onder 1 tot en met 5 worden afgewezen. De erfafscheidingselementen (1) tot en met (6) genoemd in punt 2.3. hierboven staan op het perceel van [gedaagde ] , zijn haar eigendom en hoeven niet verwijderd te worden. De hemelwaterafvoer van de stenen schuur op perceel B komt uit op het perceel van [gedaagde ] en hoeft niet gestaakt of verwijderd te worden.

Proceskosten in conventie

4.15.

[eisers] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten in conventie aan de zijde van [gedaagde ] worden begroot op:

- € 287,00 ( griffierecht)

- € 1086,00 ( salaris advocaat ad 2,0 punten x tarief II € 543,00),

€ 1373,00 in totaal, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening voor zover [eisers] de proceskosten niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan [gedaagde ] heeft voldaan.

4.16.

De door [gedaagde ] gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de nakosten zich vooraf laten begroten.

in reconventie

4.17.

Nu het beroep op bevrijdende verjaring in conventie is afgewezen, is aan de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld niet voldaan. De vorderingen van [gedaagde ] zullen derhalve niet besproken worden.

Proceskosten in reconventie

4.18.

[gedaagde ] wordt in de proceskosten veroordeeld nu deze nodeloos zijn gemaakt. De kosten in reconventie aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- € 543,00 (salaris advocaat ad 2,0 punten x tarief II € 543,00 x 0,5).

5 De beslissing

De rechtbank

In conventie

5.1.

verklaart voor recht dat (7) het schapenhekje op de kadastrale grens tussen perceel A en perceel B staat en dat het schapenhekje gemeenschappelijk eigendom en mandelig is,

5.2.

wijst het meer of anders gevorderde af,

5.3.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, welke kosten aan de zijde van [gedaagde ] tot heden worden begroot op € 1373,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening voor zover [eisers] de proceskosten niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan [gedaagde ] heeft voldaan,

5.4.

veroordeelt [eisers] in de nakosten van € 131,00 aan salaris voor de advocaat en verhoogd met € 68,00 ingeval van betekening, waarbij die verhoging slechts verschuldigd is indien [eisers] 14 dagen na aanschrijving de tijd heeft gehad om in der minne aan dit vonnis te voldoen,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

In reconventie

5.6.

veroordeelt [gedaagde ] c.s. in de proceskosten, welke kosten aan de zijde van [eisers] tot heden worden begroot op € 543,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.R. Prins en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2018.

350/3015