Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7667

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
14-09-2018
Zaaknummer
10/242541-17; 10/026420-18; 10/076942-18 / parketnummers vorderingen TUL: 10/060127-14 en 10/235589-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Huiselijk geweld. Niet bewezen ‘levensgezel’; noodweerberoep verworpen. Rb dwingt verdachte tot behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummers: 10/242541-17; 10/026420-18; 10/076942-18

Parketnummers vorderingen TUL: 10/060127-14; 10/235589-16

Datum uitspraak: 23 augustus 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting Haaglanden, locatie PPC Scheveningen, Pompstationsweg 32,

Den Haag.

Raadsvrouw mr. K.C. van de Wijngaart, advocaat te Schiedam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 augustus 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De rechtbank heeft de feiten voorzien van een doorlopende nummering (in tijd chronologisch opvolgend) en zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. D. van Zetten heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 10 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest alsmede oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht – direct uitvoerbaar - voor de duur van 2 jaar, inhoudende een contactverbod met [naam slachtoffer 1] en een locatieverbod voor de [adres slachtoffer 1] te Rotterdam, met vervangende hechtenis van 2 weken per overtreding, met een maximum van 6 maanden hechtenis.

4 De verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de feiten 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 10. Zij heeft vrijspraak bepleit met betrekking tot de feiten 1 en 9. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsvrouw primair een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces en heeft zij subsidiair een voorwaardelijk verzoek tot schorsing van het onderzoek in de zaak gedaan teneinde nader onderzoek te doen. Tot slot heeft zij een strafmaatverweer gevoerd.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 5 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

5.2.

Bewijswaardering

Feit 1 (mishandeling ‘levensgezel’ [naam slachtoffer 1] op 29-11-2017)

Met betrekking tot de onder feit 1 tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid ‘zijn levensgezel’ overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie (HR 30 januari 2018; NJ 2018/113) blijkt dat voor de beoordeling of er sprake is ‘levensgezel’ de volgende aspecten van belang zijn:

- of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding

- de duur van de gemeenschappelijke huishouding

- of er een relatie van affectieve aard is, en met name

- of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid.

Daarbij is doorslaggevend de nauwe persoonlijke betrekking in een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Al dan niet samenwonen is hierbij niet van doorslaggevend belang.

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen blijkt dat volgens aangeefster [naam slachtoffer 1] , zij en de verdachte met elkaar een (seksuele) relatie hebben gehad van ongeveer 12 september 2017 tot januari/februari 2018, dat zij in die periode niet hebben samen gewoond en dat zij in die periode geen gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. Voorts is niet gebleken dat zij een relatie hadden die vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners.

Nu niet is voldaan aan voornoemde aspecten kan het strafverzwarende bestanddeel ‘levensgezel’ niet bewezen worden verklaard en zal de verdachte daarvan worden vrijgesproken.

Feit 2 (mishandeling [naam slachtoffer 2] )

Namens de verdachte is aangevoerd dat hij heeft gehandeld uit zelfverdediging. Daartoe is aangevoerd dat er in eerste instantie sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding van verdachtes toenmalige partner [naam slachtoffer 1] door haar ex-vriend [naam ex-vriend] waartegen de verdachte moest optreden. In tweede instantie was er sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding van verdachte toen [naam ex-vriend] vervolgens hem aanviel, aldus de raadsvrouw. Van beide situaties zou de verdachte zich niet hebben kunnen distantiëren. Subsidiair heeft de raadsvrouw – mocht de rechtbank het noodweer(exces)verweer afwijzen – een voorwaardelijk verzoek gedaan tot schorsing van het onderzoek om alsnog de getuige [naam getuige 1] op te roepen en te horen omdat deze getuige ontlastend voor de verdachte kan verklaren.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beroep op noodweer moet worden afgewezen. Volgens de officier van justitie is niet aannemelijk geworden dat [naam slachtoffer 1] in een wurggreep werd gehouden door [naam ex-vriend] noch dat de verdachte door [naam ex-vriend] is geslagen noch dat de verdachte geen andere keuzes had kunnen maken. Bovendien zou de verdachte teveel geweld hebben gebruikt.

Beoordeling

Een beroep op noodweer kan alleen slagen als er sprake is geweest van een situatie waarin het voor de verdachte noodzakelijk was om een ander of zichzelf te verdedigen. Daarnaast dient de wijze van verdediging noodzakelijk en geboden te zijn (vgl. Hoge Raad 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456).

Uit de verklaring van de getuige [naam getuige 2] blijkt dat [naam slachtoffer 1] op een motorkap werd geduwd en werd geslagen door [naam ex-vriend] . In die situatie was er sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding van [naam slachtoffer 1] waartegen het optreden van de verdachte noodzakelijk en geoorloofd was. Bovendien heeft de verdachte in die situatie proportioneel gehandeld door [naam ex-vriend] van [naam slachtoffer 1] af te trekken (waarmee de noodsituatie jegens haar beëindigd was).

Vervolgens heeft de agressie van [naam ex-vriend] zich tegen hem gericht, aldus de verdachte, doordat [naam ex-vriend] naar hem uithaalde waarbij hij hem schampte. De verdachte heeft verklaard dat hij daarop [naam ex-vriend] een paar keer in zijn gezicht op zijn ogen heeft geslagen.

De rechtbank is van oordeel dat er in deze situatie, gelet op de handeling van [naam ex-vriend] , weliswaar sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding van verdachte waartegen hij zich mocht verdedigen maar dat hij zich daarbij heeft verdedigd op een manier en wijze die niet in verhouding stond tot de ernst van de (mislukte) aanval van [naam ex-vriend] . Het is niet aannemelijk geworden dat de verdachte zich niet op een andere, minder heftige wijze heeft kunnen verdedigen. Ook is niet aannemelijk geworden dat de verdachte niet weg kon gaan, zoals hij zelf heeft verklaard, nu het incident op de openbare weg plaatsvond.

Kortom, hoewel het voor verdachte noodzakelijk was om zich te verdedigen, heeft hij daarvoor een manier gekozen die niet in verhouding staat tot de ernst van de aanval. Hij heeft gekozen voor een manier van verdedigen die niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit betekent dat het beroep op noodweer wordt verworpen.

De rechtbank verwerpt het subsidiaire voorwaardelijke verzoek van de raadsvrouw nu de rechtbank is uitgegaan van de lezing van de verdachte, die derhalve geen nadere onderbouwing behoeft. Daar komt bij dat gelet op het proces-verbaal van de politie van 20 juni 2018 (proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal] ) het onaannemelijk is dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting of bij de rechter-commissaris zal verschijnen nu verdere persoons- en adresgegevens door de politie niet konden worden achterhaald.

Feit 9 (vernieling)

Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte het raam in de woning van [naam slachtoffer 1] niet heeft vernield en dat het reeds stuk was toen hij bij de woning aankwam.

De rechtbank is van oordeel dat het alternatieve scenario van de verdachte dat niet hij maar een ander het raampje heeft vernield niet aannemelijk is geworden. Daarvoor is van belang dat de verdachte in de woning is aangetroffen waar hij anders dan door dat raam geen toegang toe had en dat zijn lezing dat hij vanaf de straat had gezien dat het raam kapot was aantoonbaar onjuist is gelet op hetgeen de politie daarover heeft gerelateerd.

5.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9 en 10 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1

hij op 29 november 2017 te Rotterdam

[naam slachtoffer 1] , heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 1] in het gezicht te slaan;

2

hij op 11 oktober 2017 te Rotterdam

[naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door

die [naam slachtoffer 2] met kracht een klap op/tegen het achterhoofd te geven,

een vuistslag op het linkeroog te geven en

een vuistslag op het rechteroog te geven;

3

hij op 7 februari 2018 te Rotterdam

opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens

artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te

weten de gedragsaanwijzing van de officier van justitie te Rotterdam d.d. 31

januari 2018, geldig van 31 januari 2018 tot en met 1 mei 2018, bij welke

gedragsaanwijzing - onder meer - is bepaald dat

-verdachte gedurende voornoemde periode zich niet zal bevinden in de in

de gedragsaanwijzing vermelde straat, te weten de [adres slachtoffer 1] te

Rotterdam en

-verdachte gedurende voornoemde periode zich zal onthouden van enig

contact met [naam slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] te [geboorteplaats slachtoffer 1] ,

immers heeft verdachte zich opgehouden in de woning van [naam slachtoffer 1] ,

gelegen aan de [adres slachtoffer 1] te Rotterdam, terwijl die [naam slachtoffer 1]

zich in voornoemde woning bevond;

4

hij als degene aan wie door of namens de burgemeester met

toepassing van de Wet tijdelijk huisverbod een huisverbod was

gegeven, derhalve als uithuisgeplaatste,

op 7 februari 2018 te Rotterdam in strijd met dat huisverbod

de in dit verbod genoemde woning, gelegen aan de [adres slachtoffer 1] ,

heeft betreden en contact heeft opgenomen met één van de

in dat huisverbod genoemde personen;

5

hij, op 27 januari 2018 te Rotterdam,

[naam slachtoffer 1] , heeft mishandeld door deze (met kracht)

- te duwen en

- meerdere malen op/tegen het hoofd te slaan

en/of te stompen en

- aan de haren te trekken;

6

hij op 7 april 2018 te Maassluis

[naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door (met de

vuist) op/tegen het hoofd en op/tegen de arm(en) en het lichaam te

slaan/stompen/schoppen en aan het oor te trekken;

7

hij op 7 april 2018 te Maassluis,

opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven

krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van

Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 31 januari 2018 gegeven

door de officier van justitie te Rotterdam kort weergegeven inhoudende dat

hij, verdachte, zich niet mag ophouden in het gebied [adres slachtoffer 1] te

Rotterdam en zich dient te onthouden van contact met [naam slachtoffer 1] ,

geboren [geboortedatum slachtoffer 1] te [geboorteplaats slachtoffer 1] ;

8

hij in de periode van 17 april tot en met 18 april 2018 te

Rotterdam, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met

de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel

b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d.

31 januari 2018 gegeven door de officier van justitie te Rotterdam kort

weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich niet mag ophouden in het

gebied [adres slachtoffer 1] te Rotterdam en zich dient te onthouden van

contact met [naam slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum slachtoffer 1] te [geboorteplaats slachtoffer 1] ;

9

hij op tijdstippen in de periode van 17 april tot en

met 18 april 2018 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk

een raam, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [naam woningbouwvereniging]

toebehoorde, heeft vernield;

10

hij in de periode van 17 april tot en met 18 april 2018 te

Rotterdam in de woning, gelegen aan de [adres slachtoffer 1] ,

bij een ander, te weten bij [naam slachtoffer 1] , in gebruik

wederrechtelijk is binnengedrongen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

De bewezen feiten leveren op:

1, 2, 5 en 6, telkens:

MISHANDELING;

3, 7 en 8, telkens:

OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN GEDRAGSAANWIJZING

GEGEVEN KRACHTENS ARTIKEL 509hh, EERSTE LID, ONDERDEEL b, VAN

HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING;

4 ALS UITHUISGEPLAATSTE HANDELEN IN STRIJD MET EEN MET TOEPASSING VAN ARTIKEL 2, EERSTE LID, VAN DE WET TIJDELIJK HUISVERBOD;

9 OPZETTELIJK EN WEDERRECHTELIJK ENIG GOED DAT GEHEEL OF TEN

DELE AAN EEN ANDER TOEBEHOORT VERNIELEN;

10 IN EEN WONING, BIJ EEN ANDER IN GEBRUIK, WEDERRECHTELIJK

BINNENDRINGEN.

7 Strafbaarheid verdachte

7.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat, mocht de rechtbank het noodweerverweer niet honoreren, ten aanzien van feit 2 ontslag van rechtsvervolging moet volgen op grond van noodweerexces. Daarbij heeft de verdediging betoogd dat er sprake was van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, en dat die hevige gemoedsbeweging werd veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding van zijn toenmalige partner [naam slachtoffer 1] .

7.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat er geen sprake was van een noodweerexces situatie.

7.3.

Beoordeling

Noch op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen noch op basis van het verhandelde ter terechtzitting heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat er bij de verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging als gevolg van de aanval van [naam ex-vriend] op [naam slachtoffer 1] (en op hemzelf). Dit betekent dat het beroep op noodweerexces wordt verworpen.

7.4.

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf en maatregel

8.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich in een periode van zes maanden schuldig gemaakt aan huiselijk geweld (driemaal mishandeling van zijn ex-vriendin, vernieling aan haar woning, wederrechtelijk binnen dringen in haar woning en het negeren van een huisverbod), aan mishandeling van de ex-vriend van zijn ex-vriendin en driemaal opzettelijk negeren van een gedragsaanwijzing. Zoals blijkt uit het vorenstaande zijn alle feiten direct of indirect te relateren aan de relatie tussen de verdachte en zijn ex-vriendin.

Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft hij door zijn intimiderende en bedreigende optreden angst bij het slachtoffer veroorzaakt. De rechtbank rekent het de verdachte hierbij extra aan dat deze feiten deels hebben plaatsgevonden in de eigen woning van zijn ex-vriendin, bij uitstek de plaats waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen. Met het meermalen opzettelijke negeren van een gedragsaanwijzingen heeft de verdachte in directe zin het openbaar gezag van de officier van justitie aangetast en in indirecte zin het belang van het slachtoffer aangetast. Uiteindelijk heeft alleen detentie verdachte kunnen weerhouden van voortdurend geweld tegen zijn ex-vriendin.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte voortdurend en in ernstige mate over de schreef is gegaan.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 juli 2018 waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

8.3.2.

Rapportages

Ten aanzien van de verdachte zijn een aantal zogenaamde vroeghulprapportages uitgebracht door Reclassering Nederland. Daarnaast heeft het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) op 9 februari 2018 en 29 mei 2018 gerapporteerd over de verdachte en heeft het Leger des Heils te Rotterdam gerapporteerd op 16 april 2018 en 30 april 2018. De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapportages.

In voornoemde rapportages komt naar voren dat de verdachte bekend is met psychiatrische en psychologische problematiek (‘een schizo affectieve stoornis’; ‘paranoïde psychose’) en dat hij op momenten antipsychoticum (Haldol depot) en andersoortige medicatie (Ritalin en Diazepam) gebruikt. De instellingen schatten de recidivekans als hoog in en zij maken zich zorgen om de psychische gesteldheid van de verdachte. In dat licht is geadviseerd om nader onderzoek te laten instellen naar de geestelijke gesteldheid van de verdachte middels plaatsing in een PPC of het Pieter Baan Centrum omdat de verdachte telkens te kennen heeft gegeven niet te willen meewerken aan enig onderzoek naar zijn geestvermogens en hij telkens geen toestemming heeft gegeven voor het uitwisselen van informatie over hem tussen verschillende (hulpverlening)instanties.

Leger des Heils

Uit het rapport van het Leger des Heils van 16 april 2018 blijkt het volgende.

Bevindingen toezichthouder [naam toezichthouder] :

De heer [naam toezichthouder] is gedurende een aantal jaren toezichthouder van de heer [naam verdachte] . Hij geeft aan dat de heer [naam verdachte] zolang hij hem kent periodes psychoses heeft en dat hij zich dan schuldig maakt aan strafbare feiten. Het toezicht verloop moeizaam, omdat betrokkene geen toestemming wil geven om gegevens uit te wisselen. Dit is noodzakelijk om betrokkene in aanmerking te laten komen voor begeleid wonen. Vanwege psychische problematiek kan hij niet blijven wonen bij Spoed, zijn huidige woonvoorziening. Met name informatie-uitwisseling met GGZ Delfland wordt bij toekomstige begeleiding noodzakelijk geacht, daar betrokkene reeds langere tijd door deze instelling wordt begeleid en zij zicht hebben op de psychische problematiek van betrokkene. Wanneer de houding van betrokkene

niet verandert, dan acht de heer [naam toezichthouder] ambulante begeleiding niet haalbaar en heeft

voortzetting van het huidige toezicht weinig tot geen meerwaarde.

Reclasseringsdossier:

Uit ons dossier maken wij op dat betrokkene al jaren lijdt aan psychische problematiek,

waar hij aan de reclassering door de jaren heen weinig openheid over geeft. Sinds de

middelbare schooltijd heeft hij last van psychotische perioden. Ook is er door de jaren

heen sprake van achterdocht (paranoia). Op zijn 16de jaar werd hij voor het eerst

opgenomen. Hij is door de jaren heen meerdere opgenomen (al dan niet in een

gedwongen kader middels een Rechterlijke Machtiging) en gebruikt (al jaren)

antipsychotica.

Huidige situatie:

Daar wij geen akkoord hebben van betrokkene om met GGZ Delfland uit te wisselen, kunnen wij niets zeggen over de huidige status van de behandeling. Uit de verschillende dossierstukken komt echter een zorgelijk beeld naar voren van een man die aan psychoses lijdt en geen hulp aanvaardt/medewerking verleend.

Uit het voortgangsverslag van het Leger des Heils over de verdachte van 30 april 2018 blijkt het volgende.

Conclusie:

Samenvattend moet de reclassering concluderen dat ondanks alle inspanningen in het ambulant kader dit onvoldoende is om betrokkene te begeleiden. De reclassering maakt zich zorgen over het toenemende agressieve, onberekenbare en obsessieve gedrag van betrokkene. Betrokkene is bekend met psychiatrische problematiek. Het gevaars- en recidiverisico worden ingeschat als hoog ondanks behandeling in de GGZ door middel van een depot. Betrokkene weigert stelselmatig medewerking aan rapportages, onderzoeken of uitwisselen van informatie, waardoor het toezicht vooral het karakter heeft van ‘brandjes blussen’ als gevolg van het ontsporende gedrag van betrokkene. De mogelijkheden voor begeleiding in een ambulant kader lijken uitgeput.

Advies:

De reclassering kan niet meer op verantwoorde wijze instaan voor de veiligheid van het slachtoffer en/of derden. De mogelijkheden van ambulante partijen (gemeente/STOED) waar betrokkene tot op heden door werd begeleid zijn uitgeput en er is geen alternatief voor handen.

NIFP

Psychiater J. van der Meer heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 10 april 2018. De psychiater heeft vanwege de weigering van de verdachte om mee te werken geen conclusies kunnen trekken over het psychiatrische toestandsbeeld.

GZ-psycholoog G.J.J. Voorhorst heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 29 mei 2018. Ook de psycholoog heeft vanwege de weigerende houding van de verdachte de gestelde vragen niet kunnen beantwoorden.

Reclassering Nederland

In haar brief van 17 mei 2018 rapporteert Reclassering Nederland te Rotterdam dat zij de verdachte hebben bezocht in de penitentiaire inrichting waarbij hij te kennen gaf geen medewerking te willen verlenen aan de totstandkoming van een reclasseringsadvies noch aan de Pro-Justitia rapportages. Zodoende kan de reclassering geen advies uitbrengen.

Officier van Justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting laten weten dat er thans geen rechterlijke machtiging meer is op grond waarvan de verdachte (buiten een forensisch kader) in behandeling kan blijven.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Op grond van de vorenstaande rapportages en het verhandelde ter terechtzitting heeft de rechtbank vastgesteld dat de verdachte niet wenst mee te werken aan enig onderzoek naar zijn geestvermogens en dat hij geen toestemming geeft aan de hulpverlenende instanties/personen om gegevens omtrent zijn persoon onderling uit te wisselen. Door deze weigerende houding zijn de diverse hulpverleners niet in staat om adequaat te rapporteren over de verdachte en te adviseren over de wijze waarop de zaak – rekening houdend met belangen van zowel de maatschappij als de verdachte – zou kunnen worden afgedaan. Dit is zonder meer van belang omdat uit voornoemde rapportages niet alleen zonneklaar blijkt dat er bij de verdachte sprake is van psychiatrische en/of psychologische problematiek en gebruik van antipsychoticum maar ook dat de recidivekans (mede door die problematiek) hoog wordt ingeschat.

De rechtbank maakt zich met de diverse hulpverleners ernstig zorgen over de geestelijke gesteldheid van de verdachte en het gevaar dat er van hem uitgaat. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat de reclassering geen zicht heeft op het verloop van verdachtes huidige ambulante behandeling bij GGZ Delfland, dat het Leger des Heils – als de houding van de verdachte niet verandert - ambulante begeleiding niet langer haalbaar acht en voortzetting van het huidige toezicht geen meerwaarde heeft, dat de verdachte zich onbegeleidbaar heeft opgesteld bij zijn laatste woonvoorziening STOED waardoor hij aldaar niet meer terecht kan en dat ook een aanmelding bij Pameijer is stukgelopen.

De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen uit het dossier en de diverse rapportages van deskundigen naar voren komt zonder meer blijkt dat de verdachte een meer dan kortdurende klinische behandeling dient te ondergaan. Nu de verdachte geen misdrijf heeft gepleegd waarop een maximale gevangenisstraf van vier jaar is gesteld noch een ander daartoe specifiek in de wet genoemd misdrijf, kan de rechtbank niet de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten. De rechtbank acht het echter van groot belang dat niet alleen de maatschappij maar ook de ex- en toekomstige partners van de verdachte worden beschermd tegen de verdachte. De deels voorwaardelijke gevangenisstraf die hier passend en geboden wordt geacht en die de rechtbank zal opleggen, is bedoeld om op een andere wijze tot bescherming van de maatschappij te komen. De rechtbank wil de verdachte dwingen om zich alsnog te laten behandelen door hem voor een keuze te stellen: of hij komt de hierna te noemen voorwaarden na, of hij gaat de voorwaardelijke gevangenisstraf uitzitten.

Het voorwaardelijk strafdeel dient er naast het hiervoor beschreven doel ook toe om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Naast een voorwaardelijk strafdeel wordt ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats geacht. De rechtbank heeft er voor gekozen om het onvoorwaardelijke deel lang genoeg te maken om het NIFP tijd en gelegenheid te geven om te komen tot een indicatiestelling.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zullen de op te leggen bijzondere voorwaarden, inhoudende een klinische opname in een zorginstelling, een daaropvolgende ambulante behandelverplichting, opname in een instelling voor begeleid wonen/maatschappelijke opvang en het op te leggen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

De rechtbank volgt niet de strafeis van de officier van justitie omdat zij van oordeel is dat de bij die straf behorende periode van voorwaardelijke invrijheidsstelling te kort is om voldoende gedragsverandering bij de verdachte te kunnen bewerkstelligen.

Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan de verdachte eveneens de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaren opgelegd, inhoudende een locatieverbod voor het woonadres van [naam slachtoffer 1] en een contactverbod met [naam slachtoffer 1] .

Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [naam slachtoffer 1] wordt ook daarvan bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

9 Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregel

9.1.

Vorderingen

Als benadeelde partij hebben zich in het geding gevoegd:

- [naam benadeelde 1] , gemachtigde mr. M.A. Oosterveen, advocaat te Rotterdam, ten bedrage van in totaal € 2.754,00 bestaande uit € 254,00 aan materiële schade (feit 1) en

€ 2.500,00 aan immateriële schade;

- [naam benadeelde 2] ten bedrage van in totaal € 1.478,00 bestaande uit materiële schade (feit 2).

9.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] wegens het ontbreken van causaal verband tussen het tenlastegelegde feit en de opgevoerde schade.

9.3.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] . Met betrekking tot de materiële schade zou er geen causaal bestaan tussen het tenlastegelegde feit en de opgevoerde schade. De immateriële schade zou onvoldoende zijn onderbouwd omdat de benadeelde partij als vanaf 2014 onder behandeling is vanwege psychische klachten. Zij heeft op dezelfde grond als de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] .

9.4.

Beoordeling

9.4.1.

De vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft gevorderd een bedrag van € 254,00 aan materiële schade. Dit betreft een rekening van woningbouwvereniging [naam woningbouwvereniging] voor het vervangen van de voordeur van de huurwoning van [naam benadeelde 1] nadat de politie op 29 november 2017 (feit 1) de voordeur had geforceerd. De woningbouwvereniging heeft de rekening daarvan bij de huurder (de benadeelde partij) neergelegd.

Hoewel de verdachte zal worden veroordeeld voor (kort samengevat) mishandeling van [naam slachtoffer 1] en er naar het oordeel van de rechtbank voldoende rechtstreeks verband tussen de opgevoerde materiële schade en het bewezenverklaarde feit bestaat, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren omdat ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij zeer waarschijnlijk niet proces-bevoegd is. Volgens haar advocaat staat zij namelijk onder bewind. Omdat een onderzoek hiernaar een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert wordt bepaald dat de benadeelde partij (of haar bewindvoerder) de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

9.4.2.

Schadevergoedingsmaatregel

Omdat wel is komen vast te staan dat aan [naam benadeelde 1] door de onder 1, 5, 6 en 10 bewezen verklaarde strafbare gedragingen van de verdachte materiële en immateriële schade heeft geleden, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, nu de verdachte naar het oordeel van de rechtbank naar burgerlijk recht voor de schade aansprakelijk is en de rechtbank die maatregel passend en geboden acht. De immateriële schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,00. De materiële schade bedraagt € 254,00. Op deze indirecte wijze beoogt de rechtbank om alsnog te komen tot een schadevergoeding ten gunste van benadeelde partij [naam benadeelde 1] .

9.4.3.

De vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2]

Aan de verdachte is tenlastegelegd en bewezen zal worden verklaard (kort samengevat) dat hij de benadeelde partij heeft mishandeld. De benadeelde partij heeft materiële schadeposten opgevoerd betreffende goederen die zijn eigendom waren maar die nog bij zijn ex-vriendin [naam slachtoffer 1] in huis stonden. Dit betekent dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de opgevoerde schadeposten en het bewezenverklaarde feit (mishandeling). De benadeelde partij zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

9.4.4.

Conclusies

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] word niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Wel moet de verdachte aan de staat ten behoeve van deze benadeelde partij € 1.254,00 betalen.

De verdachte hoeft geen schadevergoeding te betalen aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] .

10 Vordering tenuitvoerlegging

10.1.

Vonnissen waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 13 augustus 2015 van de politierechter in deze rechtbank onder parketnummer 10/060127-14 is de verdachte veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 4 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 28 augustus 2015 en is tussentijds verlengd tot 7 december 2018.

Bij vonnis van 17 februari 2017 van de politierechter in deze rechtbank onder parketnummer 10/235589-16 is de verdachte veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 6 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 4 maart 2017.

10.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van de beide voornoemde voorwaardelijk opgelegde straffen gevorderd.

10.3.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft verzocht om afwijzingen van de beide vorderingen omdat gelet op het in deze zaak ondergane voorarrest de verdachte de beide voorwaardelijke straffen al zou hebben uitgezeten.

10.4.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van voornoemde vonnissen en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan de vonnissen verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen worden gelast. Gelet op het sanctiepakket dat de rechtbank zal opleggen aan de verdachte, waarmee zij beoogt te bewerkstelligen dat de verdachte uiteindelijk toch zal gaan meewerken aan een behandeltraject, acht zij het thans niet opportuun om daarbij de tenuitvoerlegging van de beide voornoemde vrijheidsstraffen te gelasten. De rechtbank zal om die reden de beide vorderingen afwijzen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 38v, 38w, 57, 138, 184a, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 11 van de Wet tijdelijk huisverbod.

12 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 3 (drie) jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd melden bij Reclassering Nederland te Rotterdam, Marconistraat 2 te Rotterdam, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt en zal zich daarbij houden aan de aanwijzingen die de reclasseringsinstelling hem geeft;

2. de veroordeelde zal zich voor behandeling van de bij hem aanwezige problematiek klinisch laten opnemen in een door het NIFP te indiceren instelling, en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling worden gegeven, gedurende 6 maanden of zoveel korter als de (geneesheer-) directeur van die instelling in overleg met de reclassering verantwoord vindt; de veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

3. de veroordeelde zal zich - aansluitend aan de klinische opname - ambulant laten behandelen bij een ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de (geneesheer-)directeur van die instelling in overleg met de reclassering verantwoord vindt;

4. de veroordeelde zal na zijn klinische opname verblijven in een nader door de reclassering te bepalen instelling voor begeleid wonen/maatschappelijke opvang en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de directeur van die instelling in overleg met de reclassering verantwoord vindt;

5. de veroordeelde zal zich inspannen voor het invullen van zijn dagbesteding, gedurende de proeftijd, of zolang de reclassering dit noodzakelijk vindt;

6. de veroordeelde zal zich inspannen om zich te houden aan de afspraken en voorwaarden die aan hem worden gesteld ten aanzien van het verkrijgen en/of behouden van een dagbesteding, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering dit noodzakelijk vindt;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 2 (twee) jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen:

1. zich niet op te houden in de [adres slachtoffer 1] te Rotterdam en enig ander door de reclassering aan de veroordeelde door te geven adres van [naam slachtoffer 1] ;

2. zich te onthouden van direct of indirect contact met [naam slachtoffer 1] ;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat die vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 1.254,00

(éénduizend tweehonderdvierenvijftig euro); beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.254,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 22 (tweeëntwintig) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 13 augustus 2015 onder parketnummer 10/060127-14 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 17 februari 2017 onder parketnummer 10/235589-16 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. B.E. Dijkers, voorzitter,

mr. N. Doorduijn en mr. W.J.M. Diekman, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

(parketnummer 10/242541-17)

1

hij op of omstreeks 29 november 2017 te Rotterdam

zijn levensgezel, [naam slachtoffer 1] ,

heeft mishandeld door

die [naam slachtoffer 1] meermaals althans eenmaal in het gezicht te slaan;

2

hij op of omstreeks 11 oktober 2017 te Rotterdam

[naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door

die [naam slachtoffer 2]

met kracht een klap op/tegen het achterhoofd te geven,

een vuistlag op het linkeroog te geven en/of

een vuistslag op het rechteroof te geven;

(parketnummer 10/026420-18)

3

hij op of omstreeks 7 februari 2018 te Rotterdam

opzettelijk

heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens

artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te

weten de gedragsaanwijzing van de officier van justitie te Rotterdam d.d. 31

januari 2018, geldig van 31 januari 2018 tot en met 1 mei 2018, bij welke

gedragsaanwijzing - onder meer - is bepaald dat

-verdachte gedurende voornoemde periode zich niet zal bevinden in de in

de gedragsaanwijzing vermelde straat, te weten de [adres slachtoffer 1] te

Rotterdam en/of

-verdachte gedurende voornoemde periode zich zal onthouden van enig

contact met [naam slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] te [geboorteplaats slachtoffer 1] ,

immers heeft verdachte zich opgehouden in de woning van [naam slachtoffer 1] ,

gelegen aan de [adres slachtoffer 1] te Rotterdam, terwijl die [naam slachtoffer 1]

zich in voornoemde woning bevond;

4

hij als degene aan wie door of namens de burgemeester met

toepassing van de Wet tijdelijk huisverbod een huisverbod was

gegeven, derhalve als uithuisgeplaatste,

op of omstreeks 7 februari 2018 te Rotterdam

in strijd met dat huisverbod

de in dit verbod genoemde woning, gelegen aan de [adres slachtoffer 1] ,

heeft

betreden en/of zich in en/of in nabijheid van die woning heeft

opgehouden en/of contact heeft opgenomen met één of meer van de

in dat huisverbod genoemde personen;

5

hij, op of omstreeks 27 januari 2018 te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

[naam slachtoffer 1] , heeft mishandeld door deze (met kracht)

- te duwen en/of

- een of meerdere malen op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan

en/of te stompen en/of

- aan de haren te trekken;

6

hij op of omstreeks 7 april 2018 te Maassluis

[naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door meermalen, althans éénmaal (met de

vuist) op/tegen het hoofd en/of op/tegen de arm(en) en/of het lichaam te

slaan/stompen/schoppen en/of aan het oor te trekken;

7

hij op of omstreeks 7 april 2018 te Maassluis, althans in Nederland

opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven

krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van

strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 31 januari 2018 gegeven

door de officier van justitie te Rotterdam kort weergegeven inhoudende dat

hij, verdachte, zich niet mag ophouden in het gebied [adres slachtoffer 1] te

Rotterdam en/of zich dient te onthouden van contact met [naam slachtoffer 1] ,

geboren [geboortedatum slachtoffer 1] te [geboorteplaats slachtoffer 1] ;

8

hij in of omstreeks de periode van 17 april tot en met 18 april 2018 te

Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met

de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel

b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d.

31 januari 2018 gegeven door de officier van justitie te Rotterdam kort

weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich niet mag ophouden in het

gebied [adres slachtoffer 1] te Rotterdam en/of zich dient te onthouden van

contact met [naam slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum slachtoffer 1] te [geboorteplaats slachtoffer 1] ;

9

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 april tot en

met 18 april 2018 te Rotterdam

opzettelijk en wederrechtelijk

een of meer ra(a)m(en), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan

een ander, te weten aan [naam slachtoffer 1] en/of [naam woningbouwvereniging]

toebehoorde,

heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

10

hij in of omstreeks de periode van 17 april tot en met 18 april 2018 te

Rotterdam

in de woning, gelegen aan de [adres slachtoffer 1] ,

bij een ander, te weten bij [naam slachtoffer 1] , althans bij een ander of anderen

dan bij verdachte, in gebruik

wederrechtelijk is binnengedrongen.