Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7666

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
14-09-2018
Zaaknummer
10/682179-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WvW. 2.03 milligram. Reden voor beperkte onvoorwaardelijk ontzegging rijbevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/682179-17

Datum uitspraak: 07 september 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] .

Raadsvrouw mr. C.R. Pirone, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 augustus 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs reeds was ingevorderd.

4 De verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het bewijs en de bewezenverklaring. Daarnaast heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.

5 Waardering van het bewijs

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1

hij op 11 juni 2017 te Hardinxveld-Giessendam als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer

onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam en met

aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden

op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Parallelweg,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

-hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na

zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn

bloed 2,03 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg en hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet

1994, en

-hij, verdachte, (mede) door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde

in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle

hebben van een door hem bestuurd voertuig en dat gevaar bestond dat hij als

bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van

hem werden vereist,

ondanks voornoemde toestand (als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet

1994) een voertuig is gaan besturen en blijven besturen en

met een maximale snelheid van 132 km/uur, in ieder geval met een

veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 60 km/uur

heeft gereden en

hij, verdachte (terwijl hij wist dat in het wegdek van die Parallelweg een

niveauverschil was gelegen en dit tevens door middel van bebording was

aangegeven), mede gelet op dat niveauverschil met een veel te hoge snelheid

heeft gereden en

(daardoor) bij het overrijden van dat niveauverschil met de onderzijde van het

door hem bestuurde voertuig op het wegdek is geslagen en (vervolgens) in

een slip is geraakt, waardoor het voertuig tegen een boom is gebotst,

waardoor de naast verdachte gezeten [naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel

(te weten een bovenbeenbreuk) werd toegebracht,

zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij,

verdachte, een krachtens de wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate

heeft overschreden;

2

hij op 11 juni 2017 te Hardinxveld-Giessendam als bestuurder van

een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig

gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed

bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van

de Wegenverkeerswet 1994, 2,03 milligram,

alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat

motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor

de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren

verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft

plaats gevonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, van genoemde wet en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgesteld maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

2 Overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet

1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich als beginnend bestuurder zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval is veroorzaakt. Het slachtoffer, verdachtes vriend en passagier, heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel, te weten een bovenbeenbreuk, opgelopen. Daar komt bij dat de verdachte niet alleen heeft gereden met een alcoholgehalte van tienmaal de toegestane hoeveelheid, maar ook dat hij de ter plaatse geldende maximumsnelheid zeer fors heeft overschreden.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 augustus 2018 waaruit blijkt dat de verdachte tweemaal eerder met justitie en de strafrechter in aanraking is gekomen ter zake verkeersovertredingen.

8.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland te Rotterdam heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 15 maart 2018. De reclassering heeft gerapporteerd dat de verdachte thans inziet dat hij verkeerd gehandeld heeft, dat hij inmiddels zijn alcoholgebruik geminderd heeft en dat hij zijn leven grotendeels op orde heeft. Het recidiverisico schat zij in als laag/gemiddeld. De reclassering heeft geadviseerd om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen als (extra) stok achter de deur alsmede een werkstraf.

De raadsvrouw heeft verzocht om het advies van de reclassering te volgen alsmede de ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk op te leggen omdat het rijbewijs van de verdachte al ongeveer 10 maanden ingehouden is geweest door het CBR. In die periode was het voor de verdachte niet eenvoudig om dagelijks op zijn werk te komen en heeft hij soms bijzondere maatregelen moeten nemen en oplossingen moet zoeken.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij met zijn zeer onvoorzichtige, onoplettende, onachtzame en onzorgvuldige rijgedrag de mogelijke gevolgen daarvan voor medeweggebruikers kennelijk voor lief heeft genomen. De rechtbank houdt er wel rekening mee dat er geen willekeurige andere verkeersdeelnemers bij het ongeval zijn betrokken, maar dat het is gebleven bij een eenzijdig ongeval waarbij zowel het slachtoffer, een vriend van de verdachte waarmee deze al vanaf het begin van de middag op stap was, als de verdachte zelf zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.

In het licht van deze omstandigheid en gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten voor straftoemeting die de rechtbanken landelijk hanteren en die in een geval als dit voorzien in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal in plaats daarvan een flinke taakstraf opleggen en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, zoals door de raadsvrouw bepleit, niet passend.

De rechtbank zal een deel van de op te leggen ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 2 jaar.

Het voorwaardelijk deel van de straf en maatregel heeft daarbij tevens tot doel de verdachte in de toekomst ervan te weerhouden wederom dergelijk rijgedrag te vertonen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 24 maanden (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 15 (vijftien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, voorzitter,

mr. K. Bakker en mr. W..J. Loorbach, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 11 juni 2017 te Hardinxveld-Giessendam als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met

aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden

op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Parallelweg,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

-hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na

zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn

bloed 2,03 milligram, in elk geval meer dan 0,2 milligram alcohol per

milliliter bloed bedroeg en/of hij, verdachte, verkeerde in een toestand als

bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet

1994, en/of

-hij, verdachte, (mede) door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde

in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle

hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als

bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van

hem werden vereist,

ondanks voornoemde toestand (als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet

1994) een voertuig is gaan besturen en blijven besturen en/of

met (maximale) een snelheid van ongeveer 132 km/uur, in ieder geval met een

veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 60 km/uur

heeft gereden en/of

hij, verdachte (terwijl hij wist dat in het wegdek van die Parallelweg een

niveauverschil was gelegen en dit tevens door middel van bebording was

aangegeven), mede gelet op dat niveauverschil met een veel te hoge snelheid

heeft gereden en/of

(daardoor) bij het overrijden van dat niveauverschil met de onderzijde van het

door hem bestuurde voertuig op het wegdek is geslagen en/of (vervolgens) in

een slip is geraakt, waardoor het voertuig tegen een boom is gebotst,

waardoor de naast verdachte gezeten [naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel

(te weten een bovenbeenbreuk) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht,

dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan;

zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij,

verdachte, een krachtens de wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate

heeft overschreden;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 juni 2017 te Hardinxveld-Giessendam als bestuurder van

een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar

verkeer openstaande weg, de Parallelweg, zich zodanig heeft gedragen dat

gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het

verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

met een (maximale) snelheid van ongeveer 132 km/uur, in ieder geval met een

veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 60 km/uur

heeft gereden en/of

hij, verdachte (terwijl hij wist dat in het wegdek van die Parallelweg een

niveauverschil was gelegen en dit tevens door middel van bebording was

aangegeven), mede gelet op dat niveauverschil met een veel te hoge snelheid

heeft gereden en/of

(daardoor) bij het overrijden van dat niveauverschil met de onderzijde van het

door hem bestuurde voertuig op het wegdek is geslagen en/of (vervolgens) in

een slip is geraakt, waardoor het voertuig tegen een boom is gebotst;

2.

hij op of omstreeks 11 juni 2017 te Hardinxveld-Giessendam als bestuurder van

een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig

gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed

bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van

de Wegenverkeerswet 1994, 2,03 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram,

alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat

motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor

de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren

verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft

plaats gevonden.