Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7650

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
6553236 CV EXPL 17-44366
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:877, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De melding van het vermoeden van kindermishandeling bij Veilig Thuis door het wijkteam van de gemeente is in casu niet onrechtmatig.Het belang van het kind bij het krijgen van de juiste zorg rechtvaardigt in dit geval een inbreuk op het recht op privacy.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0239
PS-Updates.nl 2018-0750
FJR 2019/26.22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6553236 / CV EXPL 17-44366

uitspraak: 7 september 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

eiseres, procederend krachtens toevoeging met nummer 3JT4177,

gemachtigde: mr. R.J. Michielsen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

gemeente Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. S. de Wit.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” en “de gemeente”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding met producties van 19 december 2017;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek;

  • -

    de akte uitlating producties van de zijde van [eiseres] .

1.2

De kantonrechter heeft de datum van de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1

[eiseres] is een alleenstaande moeder van twee kinderen. [eiseres] woonde tot 2016 in [A.] ) en is begin 2016 verhuisd naar [B.]

2.2

[eiseres] maakt sinds enkele jaren aanspraak op verschillende voorzieningen van de gemeente, waaronder een Wajong-uitkering en een gedeeltelijke WIA-uitkering. Daarnaast ontvangt [eiseres] een PGB voor haarzelf en voor haar zoon, [zoon] (hierna: ‘ [zoon] ’). Tot 2016 werden de zorgaanvragen van [eiseres] behandeld door wijkteam [A.] , daarna door wijkteam [B.] .

2.3

Begin 2016 heeft [eiseres] voor [zoon] bij de gemeente aanvragen voor jeugdhulp gedaan, te weten een PGB voor logeeropvang in de weekenden, vakanties en doordeweekse dagen na schooltijd en een PGB voor psychomotorische therapie (‘PMT’).

2.4

De beoordeling van aanvragen voor jeugdhulp vindt plaats door het wijkteam van de gemeente volgens de Jeugdwet en de Verordening Jeugdhulp Rotterdam 2015 (geldend tot 1 januari 2018). In artikel 5 van de Verordening is bepaald dat een individuele voorziening wordt toegekend voor zover in het voor akkoord ondertekende onderzoeksverslag, gespreksverslag of ondersteuningsplan wordt vastgesteld dat - kort gezegd - de jeugdige op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit de naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden, ook niet door gebruik te maken van overige of andere voorzieningen.

2.5

Naar aanleiding van de aanvragen werd aan [eiseres] de keuze geboden tussen aanmelding voor PMT bij (ggz-)zorginstelling Lucertis of het aanvragen van een PGB-budget voor PMT. Aanvankelijk heeft [eiseres] gekozen voor aanmelding bij Lucertis. Nadat bleek dat er een langere wachttijd was koos [eiseres] toch voor het aanvragen van een PGB-budget.

2.6

In een gesprek op 21 september 2016 heeft het wijkteam [eiseres] de mogelijkheid geboden om [zoon] opnieuw aan te melden bij Lucertis dan wel om een PGB aanvraag te doen voor PMT volgens door de gemeente afgesproken stappen (ondersteuningsplan, zorg- en budgetplan, zorgovereenkomst en evaluatie van zorg). Het gespreksverslag vermeldt onder meer - voor zover thans relevant -

“(…) Mevrouw [eiseres] geeft aan dat ze niet met Lucertis in zee wil voor PMT. Ze wil graag snel stappen zetten met de PGB-aanvraag. Voorwaarde van mevrouw is dat het door een andere medewerker of wijkteam wordt opgepakt. Mevrouw [eiseres] heeft geen vertrouwen meer in mevrouw [H.] en de heer [S.] van het wijkteam [B.] . Mevrouw [eiseres] geeft aan dat ze bij de nieuwe medewerker of wijkteam zal verwijzen naar de verslagen van onderzoeken/uitslagen/gesprekken die zij al eerder heeft gehad.

De heer [V.] geeft aan dat hij geen nieuwe medewerker of ander wijkteam zal vragen om de PGB aanvraag over te nemen. Hij acht de kans zeer groot dat deze medewerker vast zal lopen in het gesprek met mevrouw omdat deze dezelfde stappen zal moeten hanteren. Het risico is dan te groot dat de noodzakelijke hulpverlening niet gestart kan worden of vertraging op zal lopen.

De heer [V.] brengt mevrouw [eiseres] op de hoogte dat hij Veilig Thuis gaat vragen om te onderzoeken wat nodig is voor haar en haar gezin. Mevrouw vraagt al 1,5 jaar om hulp en deze is nog steeds niet van de grond gekomen. Daar maakt hij zich ernstig zorgen over. Mevrouw geeft aan het hier helemaal niet mee eens te zijn en dat ze zelf ook contact zal opnemen met Veilig Thuis.

De heer [M.] stelt voor om als tussenpersoon te fungeren in de communicatie tussen mevrouw [eiseres] en mevrouw [H.] van het wijkteam [B.] om de aanvraag PGB rond te maken. Mevrouw [eiseres] wijst dit voorstel af.

Conclusie

Het is niet gelukt om tot afspraken te komen zodat [zoon] op korte termijn kan starten met PMT. Het wijkteam gaat over tot het verzoek tot onderzoek bij Veilig Thuis. (…)”

2.8

Op 26 september 2016 heeft de wijkteamleider de aangekondigde melding gedaan bij Veilig Thuis. Het meldingsformulier vermeldt onder meer - voor zover thans relevant -:

“ (…) Is sprake van specifieke problematiek (…): ADHD en gedragsproblemen (…)

(…) Laat het gemelde kind zorgelijk gedrag zien: Ja namelijk: informatie uit aanvraag PMT door school: [zoon] loopt vast in zijn sociale , emotionele, motorische en cognitieve ontwikkeling. School signaleert het volgende:

  • -

    Een slechte werkhouding: hij heeft opstartproblemen en moeite zijn taken af te maken.

  • -

    Hij kan zich slecht concentreren;

  • -

    Zijn motorische ontwikkeling loopt achter t.o.v. leeftijdsgenoten

  • -

    [zoon] kan de opdrachten niet onthouden en vergeet ook delen van de opdrachten;

  • -

    Zonder externe, constante aansturing werkt [zoon] niet;

  • -

    Hij heeft veel moeite zichzelf af te remmen; roept dingen door de klas vanuit een impuls en heeft daar geen controle op;

  • -

    Ondervindt vanwege bovenstaande problemen moeilijkheden in de contact name met zo wel kinderen als volwassenen en wordt onzeker. [zoon] moet veel gecorrigeerd en gewaarschuwd worden. Hij roept veel en vaak dat hij het niet kan of weet.

  • -

    Er is duidelijk sprake van onmacht bij [zoon] ;

  • -

    [zoon] voelt zich achtergesteld thuis. Zijn zusje kan wel alles zegt hij;

  • -

    Hij heeft moeite vrienden te maken.

(…)

Geef een beschrijving van de huidige zorgen:

Mevrouw is ruim 1,5 jaar (februari 2015) geleden in beeld gekomen bij het wijkteam [A.] . Mevrouw had zichzelf aangemeld met de vraag om de thuissituatie te ontlasten na schooltijd, in de weekenden en tijdens vakanties door gedragsproblemen van zoon [zoon] .

(…)

Het wijkteam [A.] is met mevrouw bezig geweest voor het aanvragen van PGB om de thuissituatie te ontlasten. Deze communicatie liep vast en sindsdien is mevrouw terecht gekomen in een spiraal van het indienen van klachten tegen medewerkers van het wijkteam.

(…)

Mevrouw is verhuisd naar [B.] en heeft zich op 1 juli gemeld bij het wijkteam ivm aanvraag PMT voor haar zoon. Ook hier heeft mevrouw het vertrouwen opgezegd in de plaatsvervangend wijkteamleider en PGB-deskundigen en een klacht tegen hen ingediend. Afgelopen woensdag heb ik een gesprek gevoerd met mevrouw en haar advocaat. Ik heb haar de keuze gegeven in PMT bij Lucertis (ZIN) of te voldoen aan de voorwaarden die wij stellen voor het aanvragen van een PGB. Mevrouw ging met beiden niet akkoord. Ik heb mevrouw toen verteld dat ik haar en haar gezin ga aanmelden bij Veilig Thuis met het verzoek tot onderzoek omdat ik me zorgen maak om de gezinssituatie en dat het de wijkteams al 1,5 jaar niet lukt om haar hierin te ondersteunen en hierdoor ook geen zicht hebben op de gezinssituatie. (…)”

2.9

Op 10 oktober 2016 heeft het klachtenbureau MO van de gemeente uitspraak gedaan over de door [eiseres] ingediende klachten tegen het wijkteam. De klachten betroffen de wijze waarop de aanvraag PMT bij Lucertis dan wel een PGB-aanvraag was verlopen, de wijze waarop het wijkteam bij de behandeling van de aanvraag zaken uit het verleden betrekt, alsmede de aankondiging tot het doen van een melding bij Veilig Thuis. Het klachtenbureau heeft de klachten van [eiseres] afgewezen.

2.10

Op 12 oktober 2016 heeft [eiseres] vervolgens een klacht ingediend bij de Gemeentelijke ombudsman. De klacht luidde onder meer - voor zover thans relevant - :

“een medewerker van het wijkteam [B.] heeft onterecht een melding gedaan bij Veilig Thuis. Veilig Thuis is er niet voor om vast te stellen welke zorg nodig is, maar onderzoekt mogelijke gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarvan is geen sprake”.

2.11

Naar aanleiding van de melding van het wijkteam is Veilig Thuis een onderzoek gestart. Op 13 februari 2017 heeft Veilig Thuis als volgt bericht:

“Het oordeel van Veilig Thuis RR is gebaseerd op de informatie uit de gesprekken met ouder en derden. Uit onderzoek wordt de gemelde kindermishandeling niet bevestigd. Er is sprake van een langlopend conflict tussen moeder en het wijkteam over de in te zetten hulpverlening. Hierdoor is de benodigde hulpverlening voor [zoon] niet tot stand gekomen. De zeer kritische houding van moeder, zoals zij die ook naar Veilig Thuis RR heeft opgesteld, is hierop van invloed geweest. Er kan echter niet gesteld worden dat moeder [zoon] bewust onttrekt aan de noodzakelijke zorg”.

2.12

Op 23 juni 2017 heeft de wijkteamleider een aanvulling op de eerdere melding bij Veilig Thuis ingediend omdat er geen vooruitgang was in de situatie rondom de zorgverlening aan [zoon] .

“(…) In de periode na de melding van de heer [V.] is er inhoudelijk geen contact meer mogelijk geweest tussen het wijkteam [B.] en mevrouw [eiseres] inzake de inhoudelijke afhandeling van de PMT aanvraag en de hernieuwde PGB aanvragen omtrent het logeren. In eerste instantie omdat wij, gedurende het onderzoek ook geen betrokkenheid konden bieden. Daarna omdat mevrouw [eiseres] heeft aangegeven geen vertrouwen te hebben in het wijkteam [B.] en geen zaken meer wilde doen met ons. Er is gedurende de gehele periode na de melding bereidheid geweest om mevrouw [eiseres] opnieuw te begeleiden, zeker nadat in december 2016 de uitkomsten van het onderzoek van Veilig Thuis niet leidde tot verdere actie.

(…) Het hierboven beschreven relaas is een opsomming van alle pogingen om [zoon] , de zoon in kwestie in ieder geval te voorzien van de gevraagde Psycho Motorische Training. Wij maken ons grote zorgen om de grote tijdsspanne tussen de eerste vraag om hulp en het moment waarin we ons nu bevinden. Het niet zien van de kinderen, het niet kunnen inschatten van de hulpvragen die onder het gedrag van moeder liggen, de wetenschap dat er bij de GGD een verlenging is afgegeven voor een medische indicatie voor kinderopvang voor beide kinderen, de zorgen die school heeft over het gedrag en de wetenschap dat hier zeker inzet vanuit de hulpverlening nodig is (wellicht voor allebei de kinderen en ook moeder), maakt dat wij opnieuw de aanvraag neerleggen om een onderzoek te starten naar deze situatie.

Tegelijkertijd vragen wij, vanwege het onvermogen vanuit de vrijwillige hulpverlening om binnen dit onderzoek zeer concreet te kijken naar een beschermingsmaatregel. Dit is naar onze mening de enige manier om mevrouw [eiseres] te ondersteunen in haar opvoeding en de kinderen die hulp te bieden die nodig is. Terugverwijzen naar de vrijwillige hulpverlening is niet zinvol en deze mening wordt ook gevoed door de heer [D.] (tactisch manager) en de heer [L.] (rayon manager zuid binnen).

2.13

In het rapport van 22 september 2017 concludeert de Kinderombudsman onder meer - voor zover thans relevant - :

“(…) Duidelijk is dat van kindermishandeling of huiselijk geweld in het geval van mevrouw [eiseres] geen sprake is geweest. Zowel het wijkteam de heer V. als mevrouw R. zijn hier duidelijk over. Indien de heer V. de stappen van de meldcode van Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond zorgvuldig had gevolgd was hij niet gekomen tot het doen van een melding. Het “gebruiken” van een melding bij Veilig Thuis om een impasse in de jeugdhulpverlening te doorbreken, is naar het oordeel van de Kinderombudsman niet passend. Juist vanwege de grote gevolgen van een dergelijke melding, moet hier met uiterste zorgvuldigheid mee om worden gegaan.

De verhouding tussen mevrouw [eiseres] en de medewerkers van het wijkteam stond onder druk. Het doen van een melding bij Veilig Thuis heeft deze escalatie zeker geen goed gedaan. Integendeel, er is een escalerende werking vanuit gegaan. Het belang van zoon [zoon] bij passende hulp, waarover destijds geen verschil van mening tussen de verschillende professionals bestond, is hierdoor geschaad. In het kader hiervan heeft de Kinderombudsman dan ook met zorg kennis genomen van het bericht over een tweede melding bij veilig thuis, die het wijkteam heeft gedaan op 23 juni 2017”.

3 De vordering

3.1

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de gemeente Rotterdam te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige voldoening;

  2. de gemeente Rotterdam te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure.

3.2

Aan haar eis heeft [eiseres] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - onder verwijzing naar de uitspraak van de Kinderombudsman ten grondslag gelegd dat de gemeente Rotterdam onrechtmatig heeft gehandeld door het doen van een melding bij Veilig Thuis. [eiseres] heeft schade geleden omdat zij door het handelen van de gemeente Rotterdam is aangetast in haar eer en goede naam.

4 Het verweer

4.1

De gemeente Roterdam heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende aangevoerd.

4.2

Er is geen sprake van onrechtmatig handelen. De gemeente Rotterdam heeft terecht een melding Veilig Thuis gedaan. Door het gebrek aan medewerking van [eiseres] werd aan [zoon] de benodigde zorg onthouden. [eiseres] heeft door het gebrek aan medewerking zelf een aandeel gehad in de gang van zaken waardoor het wijkteam genoodzaakt was een melding te doen. Bij het doen van de melding is zorgvuldig gehandeld overeenkomstig de (op grond van de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling door de gemeente Rotterdam opgestelde) Richtlijn meldcode wijkteams.

5 De beoordeling

5.1

Beoordeeld dient te worden of de gemeente Rotterdam door het doen van een melding bij Veilig Thuis onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW. [eiseres] heeft ter onderbouwing van het gestelde onrechtmatig handelen verwezen naar de uitspraak van de Kinderombudsman. Hoewel [eiseres] het onrechtmatig handelen zelf niet nader heeft onderbouwd, begrijpt de kantonrechter uit haar verwijzing naar het oordeel van de Kinderombudsman dat de onrechtmatigheid volgens haar is gelegen in een inbreuk op haar recht op privacy dan wel strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt (zorgvuldigheidsbeginsel). De gemeente heeft aangevoerd dat van onrechtmatig handelen geen sprake is omdat zij een terechte melding heeft gedaan bij Veilig Thuis. Bovendien is gehandeld volgens de stappen van de Meldcode, zodat van onzorgvuldig handelen evenmin sprake is geweest, aldus de gemeente.

5.2

De kantonrechter overweegt in dit verband als volgt.

5.3

Uitgangspunt in rechtspraak (zie rechtbank Leeuwarden, 15 augustus 2007, ECLI:NL:RBLEE:2007:BB1671 en rechtbank Amsterdam 13 juni 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX1494) is dat de bescherming van de rechten van kinderen - een kwetsbare groep die extra bescherming behoeft - een zeer groot belang dient, dat zowel op nationaal niveau als op internationaal niveau in verschillende wetten en verdragen verankerd is. De overheid is verplicht om maatregelen te treffen die kinderen tegen mishandeling beschermen en heeft dat onder andere gedaan door de mogelijkheid te bieden aan een ieder die zich zorgen maakt over het lichamelijke of geestelijke welzijn van een kind en denkt aan kindermishandeling, hiervan melding te maken bij Veilig Thuis. Door op een dergelijke makkelijke en laagdrempelige manier eventuele misstanden aan het licht te kunnen brengen, worden de belangen van het kind gewaarborgd. Elke drempel die de meldingsbereidheid kan verminderen, zou de effectiviteit van de bescherming van het kind tegen eventuele mishandeling in de weg staan. Een melding van (het vermoeden van) kindermishandeling bij Veilig Thuis is daarom in beginsel niet onrechtmatig, ook niet als achteraf blijkt dat van mishandeling geen sprake was.

5.4

Een melding kan ertoe leiden dat Veilig Thuis een onderzoek instelt. Of dat gebeurt beoordeelt Veilig Thuis zelf naar aanleiding van de melding. Een onderzoek door Veilig Thuis naar kindermishandeling moet als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen worden gezien. Dat maakt een onderzoek echter nog niet onrechtmatig jegens hen. Het onderzoek door Veilig Thuis is een bij wet voorziene inmenging van het openbaar gezag in de persoonlijke levenssfeer die het onrechtmatige karakter aan de inmenging in beginsel wegneemt. Hoe begrijpelijk het ook is dat een dergelijk onderzoek als ingrijpend wordt ervaren, het recht van het kind op bescherming van zijn lichamelijke en geestelijke integriteit prevaleert boven de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van hen die bij het onderzoek betrokken zijn. Dit geldt ook als de vermoedens omtrent de kindermishandeling achteraf onjuist blijken.

5.5

Of een melding toch onrechtmatig is, hangt af van de hoedanigheid van de melder en de zorgvuldigheid die de melder bij zijn beoordeling om een melding te doen in acht heeft genomen. Voorkomen moet worden dat een melding lichtvaardig wordt gedaan. Het opzettelijk doen van een valse melding is zonder meer onrechtmatig. Voor een professional is het doen van een melding bovendien onrechtmatig indien bij de beoordeling of een melding wordt gedaan niet de zorgvuldigheid is betracht die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam professional mag worden verwacht. Hierbij geldt dat de professional die een voor zijn professie toepasselijk(e) protocol of meldcode correct heeft gevolgd, in beginsel de zorgvuldigheid van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in acht heeft genomen.

5.6

Voor de kantonrechter is duidelijk dat in dit geval geen sprake is geweest van een opzettelijk valse melding. Vervolgens dient beoordeeld te worden of het wijkteam bij haar beslissing om een melding bij Veilig Thuis te doen de zorgvuldigheid van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in acht heeft genomen. Hoewel het oordeel van de Kinderombudsman hiervoor aanwijzingen kan opleveren, is de kantonrechter aan het oordeel van de Kinderombudsman op zich zelf niet gebonden.

5.7

Vaststaat dat de melding niet is gedaan omdat sprake zou zijn van fysieke kindermishandeling of huiselijk geweld. Aanleiding voor de melding waren de grote zorgen van het wijkteam over het welzijn van [zoon] en de onmogelijkheid voor het wijkteam om hier nader onderzoek naar te doen en de zorgverlening op gang te brengen. Volgens de gemeente werd aan [zoon] hierdoor de benodigde zorg onthouden.

5.8

Uit de omschrijving van kindermishandeling in artikel 1 van de Wet op de Jeugdzorg, artikel 1.1 van de latere Jeugdwet en artikel 1.1.1 van de WMO 2015 volgt dat van kindermishandeling niet alleen sprake is in geval van fysieke mishandeling of geweld. Onder de daar genoemde interactie tussen ouder en minderjarige, actief of passief, kan ook verwaarlozing worden begrepen waardoor lichamelijk of psychisch letsel dreigt. Daarvan kan sprake zijn als aan een kind essentiële hulp of (medische) zorg wordt onthouden. Het (vermoeden van het) onthouden van hulp of zorg aan een kind kan dus aanleiding zijn tot het doen van een melding bij Veilig Thuis.

5.9

Het formulier waarmee het wijkteam de melding bij Veilig Thuis heeft gedaan bevat een uitgebreide beschrijving van de bij het wijkteam bestaande zorgen over het welzijn van [zoon] . Zo blijkt hieruit dat [zoon] kampt met ADHD en gedragsproblemen. Ook blijkt dat de school zorgen heeft over het welzijn en de ontwikkeling van [zoon] . Vaststaat verder dat [eiseres] en de verschillende wijkteams al geruime tijd (1,5 jaar) in gesprek zijn geweest over de zorgverlening voor [zoon] maar dat deze zorgverlening niet van de grond is gekomen. Uit wat door partijen naar voren is gebracht blijkt verder dat de verhouding tussen partijen zeer moeizaam was. De gemeente heeft onweersproken gesteld dat [eiseres] uiteindelijk heeft geweigerd mee te werken aan de benodigde gesprekken en onderzoeken en te voldoen aan de (overige) voorwaarden voor het in behandeling nemen van de PGB-aanvraag. Feit is dat hierdoor een impasse is ontstaan waardoor de zorgverlening voor [zoon] niet op gang gebracht kon worden.

5.10

Dat het wijkteam dit heeft aangemerkt als een situatie waarin aan [zoon] zorg werd onthouden en dat zij door inschakeling van Veilig Thuis heeft willen bereiken dat [zoon] alsnog de benodigde zorg zou krijgen, valt naar het oordeel van de kantonrechter te begrijpen. Het wijkteam stond het belang van [zoon] voor ogen en had aanleiding daar bezorgd over te zijn. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat zowel [eiseres] als de gemeente het er over eens waren dat [zoon] zorg nodig had (heeft) en dat deze opvatting ook werd gedeeld door de school. Niet kan worden gezegd dat de gemeente aan [eiseres] onredelijke voorwaarden heeft gesteld voor het in behandeling nemen van de PGB-aanvraag. Ook wordt meegewogen dat de gemeente onweersproken heeft gesteld dat zij geen andere passende middelen had om te bereiken dat [zoon] alsnog de zorg zou krijgen die hij nodig had, nu zij van [eiseres] ook geen toestemming kreeg om met de school in gesprek te gaan naar aanleiding van de door school gesignaleerde problematiek. De door [eiseres] geuite verwijten met betrekking tot het optreden van de gemeente rondom de beoordeling van de zorgaanvragen in het voortraject maken het voorgaande niet anders. Beoordeeld dient te worden of op het moment van de melding bij Veilig Thuis sprake was van een situatie waarin het doen van een melding gerechtvaardigd was. Dat was - zoals hiervoor is weergegeven - het geval.

5.11

De kantonrechter begrijpt dat door de melding een inbreuk is gemaakt op de privacy van [eiseres] en haar gezin maar deze inbreuk is in de gegeven omstandigheden ondergeschikt aan het belang van het kind dat de overheid verplicht is te bewaken. Het belang van [zoon] op het verkrijgen van de juiste zorg (bescherming van zijn lichamelijke en geestelijke integriteit) weegt in dit geval zwaarder dan het recht op privacy van [eiseres] en haar gezinsleden. Dit geldt ook voor de tweede keer dat het wijkteam Veilig Thuis heeft ingeschakeld. De gemeente heeft naar voren gebracht dat de situatie na de eerste melding niet was verbeterd en dat zij onverminderd ernstige zorgen had over [zoon] , waarbij er nog steeds geen zicht was op de gezinssituatie. Gelet op deze zorgen en het feit dat de gemeente onbetwist heeft gesteld dat zij geen andere mogelijkheden had om schot in de zaak te krijgen, is het niet onbegrijpelijk dat de gemeente de situatie nogmaals bij Veilig Thuis heeft aangekaart.

5.12

De gemeente heeft gemotiveerd weersproken dat zij - zoals [eiseres] stelt - de voorgeschreven stappen van de Meldcode niet in acht heeft genomen. Uit de door de gemeente gegeven onderbouwing, het overgelegde meldingsformulier en de overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat de gemeente volgens de voorgeschreven stappen heeft gehandeld. Zo is voldoende gebleken dat de signalen in kaart zijn gebracht. Vervolgens heeft interne consultatie plaatsgevonden binnen het wijkteam, met de tactisch manager en de rayonmanager. Ook blijkt uit de overgelegde e-mailcorrespondentie dat voordat tot melding is overgegaan de situatie eerst met Veilig Thuis is besproken. In overleg met Veilig Thuis is uiteindelijk besloten tot het doen van de melding. Ook heeft het wijkteam de situatie en het voornemen tot melding bij Veilig Thuis besproken met [eiseres] . Tot slot is voldoende gebleken dat de gemeente de vereiste afweging heeft gemaakt en dat zelf hulp organiseren niet (meer) mogelijk was. Voor zover [eiseres] heeft bedoeld te stellen dat de gemeente minder ingrijpende middelen tot haar beschikking had om te bereiken dat [zoon] alsnog de benodigde zorg zou krijgen (evenredigheid), heeft zij dat niet uitgewerkt of toegelicht. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de gang van zaken dat de gemeente niet over één nacht ijs is gegaan en dat de benodigde zorgvuldigheid in acht is genomen. Ten aanzien van de tweede maal dat het wijkteam Veilig Thuis heeft ingeschakeld meent de kantonrechter echter dat zorgvuldiger had kunnen (en moeten) worden gehandeld nu de tweede melding niet tevoren met [eiseres] is besproken. Deze omissie betekent echter niet dat de gemeente daardoor onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld en op die grond schadeplichtig zou zijn.

5.13

De slotsom is dat de gemeente door het doen van de melding(en) bij Veilig Thuis niet onrechtmatig heeft gehandeld. Gelet hierop behoeven de overige onderdelen (criteria) van artikel 6:162 BW geen bespreking meer. De vorderingen van [eiseres] zullen gezien het voorgaande worden afgewezen.

5.14

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten zoals hierna vermeld. De apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen, nu deze kosten zich reeds vooraf laten begroten.

6 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van [eiseres] af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de kant van de gemeente vastgesteld op € 400,00 aan salaris gemachtigde en, indien [eiseres] dit bedrag niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis heeft voldaan:

(i) € 22,50 aan nakosten verhoogd met € 68,- aan betekeningskosten wanneer betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw;

(ii) wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW;

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Langeler en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

34650