Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7613

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1462
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Precario- en reclamebelasting. De aanslagen precariobelasting zijn onjuist opgelegd. De aanslag reclamebelasting is rechtmatig opgelegd. Er is geen strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-09-2018
FutD 2018-2524
V-N Vandaag 2018/1992
V-N 2019/14.24.14
NLF 2018/2119 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 18/1462

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde: P.R. Autar,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. D.J. Koopmans.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 31 maart 2017 een verzamelaanslag Gemeentelijke heffingen Belastingjaar 2016 opgelegd met daarin opgenomen twee aanslagen precariobelasting en een aanslag reclamebelasting:

  • -

    een aanslag precariobelasting voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 5 november 2016 ten bedrage van € 1.541,14;

  • -

    een aanslag precariobelasting voor de periode van 6 november 2016 tot en met 24 december 2016 van € 117,60; en

- een aanslag reclamebelasting voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 juli

2016 van € 267,22.

Eiseres heeft hiertegen op 9 mei 2017 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 25 januari 2018 heeft eiseres verweerder verzocht haar een dwangsom toe te kennen.

Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 2 februari 2018 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 8 februari 2018 heeft verweerder het verzoek van eiseres om haar een dwangsom toe te kennen afgewezen.

Eiseres heeft bij brief van 9 maart 2018 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Bij brief van 18 april 2018 heeft verweerder aan eiseres alsnog een dwangsom van € 20,- toegekend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2018.

Namens eiseres is [X] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In geschil is of verweerder de aanslagen precario- en reclamebelasting kon opleggen.

Eiseres stelt van niet, verweerder meent van wel. Daarnaast is de hoogte van de door verweerder verbeurde dwangsom in geschil.

De aanslagen precariobelasting

2. De aanslagen zijn opgelegd voor het hebben van een bouwplaats op of boven gemeentegrond voor onderhoud en renovatie van woningen op de hoek van de [adres A] en [adres B] in Rotterdam. Voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 5 november 2016 was de oppervlakte hiervan 29 m² en voor de periode van 6 november 2016 tot en met 24 december 2016 was de oppervlakte van de bouwplaats 14 m².

De bouwplaats bestond uit een aantal steigers. Eiseres betwist deze heffingsgrondslagen niet (meer).

3. Artikel 228, eerste lid, van de Gemeentewet luidt als volgt:

Ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, kan een precariobelasting worden geheven.

Artikel 2 van de Verordening precario- en reclamebelasting 2016 van de gemeente Rotterdam (de Verordening) luidt als volgt:

Onder de naam ‘precariobelasting’ wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening.

Artikel 3, eerste en tweede lid, van de Verordening luidt als volgt:

1. Belastingplichtig voor de precariobelasting is het lichaam dat, of de ondernemer die één of meer voorwerpen heeft onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, dan wel degene ten behoeve van wie één of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond worden aangetroffen.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van één of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.

4. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat op een doek vastgemaakt aan de steigers op de bouwplaats hoek [adres A]/[adres B] de naam van eiseres stond en dat hij ervan uit is gegaan dat eiseres de hoofdaannemer van het project was en daarom de steigers in gebruik had. Aldus is eiseres gezien als degene die voorwerpen op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond had en daarom aangeslagen.

Verweerder heeft zich vervolgens nader op het standpunt gesteld dat thans gebleken is dat eiseres niet de hoofdaannemer was en niet degene was die de steigers gedurende de gehele periode waarvoor de aanslagen zijn opgelegd in gebruik had. De aanslagen precariobelasting zijn onjuist opgelegd. De aanslagen moeten daarom volgens verweerder worden verminderd naar de periode dat eiseres gebruik maakte van de steigers om werkzaamheden uit te voeren.

5. Nu verweerder erkent dat aan eiseres onjuiste aanslagen precariobelasting zijn opgelegd, kunnen deze niet in stand blijven. De rechtbank ziet ook geen mogelijkheid de aanslagen te verminderen zoals verweerder voorstaat, omdat verweerder geen nadere en volgens hem juiste hoogte van de aanslagen kon noemen. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit voor zover dat ziet op de precariobelasting en de aanslagen precariobelasting vernietigen. Het beroep gericht tegen de aanslagen precariobelasting is gegrond.

De aanslag reclamebelasting

7. De aanslag is opgelegd voor het hebben van een reclamedoek van 9 m² bevestigd aan de steigers van de bouwplaats voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 juli 2016.

Eiseres bestrijdt deze heffingsgrondslag niet (meer).

8. Eiseres voert aan sprake is van een onredelijke en willekeurige belasting, omdat het gelijkheidsbeginsel in de Verordening wordt geschonden. Dit heeft volgens eiseres tot gevolg dat de Verordening verbindende kracht mist. Eiseres voert hiertoe aan dat verweerder geen reclamebelasting heft ter zake van openbare aankondigingen van bedrijven die gelegen zijn in de CBS-buurtnummers 6,7,8,94,95,96 en 98 en voor andere openbare aankondigingen wel. Hiervoor is geen redelijke en objectieve rechtvaardiging, aldus eiseres.

8.1

Artikel 227 van de Gemeentewet luidt als volgt:

Ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg kan een reclamebelasting worden geheven.

Artikel 5, zevende lid van de Verordening luidt als volgt:

Het tarief van de reclamebelasting is:

voor openbare aankondigingen die bij een vestiging behoren:

a.

1°. indien de oppervlakte niet meer is dan een vierkante meter: nihil;

2°. indien de oppervlakte meer is dan een vierkante meter, maar niet meer dan 30 vierkante meter: nihil, met dien verstande dat een gedeelte van een oppervlakte van 30 vierkante meter als een oppervlakte van 30 vierkante meter in aanmerking wordt genomen;

3°. indien de oppervlakte van openbare aankondigingen die bij een vestiging behoren, meer is dan 30 vierkante meter, bedraagt het tarief € 50,90 voor elke vierkante meter die de oppervlakte groter is dan 30 vierkante meter, met dien verstande dat een gedeelte van een oppervlakte van een vierkante meter als een oppervlakte van een vierkante meter in aanmerking wordt genomen;

4°. in afwijking van het bepaalde in lid 7, letter a, onder 3°, bedraagt

het tarief, indien de vestiging is gelegen in de CBS- buurtnummers 6,7,8,94,95,96 en 98; nihil.

b.

voor openbare aankondigingen die niet bij een vestiging behoren: € 50,90 per vierkante meter oppervlakte met dien verstande dat een gedeelte van een oppervlakte groter dan 0,1 vierkante meter, doch kleiner dan een vierkante meter, als een oppervlakte van een vierkante meter in aanmerking wordt genomen.

Artikel 1, aanhef en onder l van de Verordening luidt als volgt:

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

l. vestiging:

onroerende zaak of roerende bedrijfsruimte die wordt gebruikt door een lichaam dan wel door een ondernemer in het kader van diens onderneming;

8.2

De rechtbank stelt voorop dat de Gemeentewet de gemeentelijke wetgever in artikel 227 vrij heeft gelaten om zijn reclamebelastingstelsel naar eigen inzicht in te richten.

De gemeentelijke wetgever heeft de bevoegdheid om de heffing van deze belasting te beperken tot een gedeelte van haar grondgebied, mits voor die beperking een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Bij het bestaan van een dergelijke rechtvaardiging is de beperking niet in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel en de gemeentelijke wetgever overschrijdt daarmee ook niet de grenzen van de regelgevende bevoegdheid die m in artikel 227 van de Gemeentewet is toegekend. De rechtbank kan de keuzes van de gemeentelijke wetgever slechts marginaal toetsen en kan pas ingrijpen als deze keuzes van de gemeente leiden tot een onredelijke en willekeurige heffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als bepaalde openbare aankondigingen buiten de heffing worden gelaten terwijl dat gelijke gevallen zijn als de openbare aankondiging van eiseres en voor de hieruit volgende ongelijke behandeling geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR4564).

8.3

Zoals uit 8.2 volgt, moet voor een geslaagd beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel is de eerste plaats sprake zijn van gelijke gevallen. Anders dan eiseres betoogt, is haar geval geen gelijk geval met de gevallen waarvoor de uitzondering geldt.

De uitzondering geldt namelijk voor aankondigingen bij een vestiging, terwijl de aankondiging van eiser niet bij een vestiging is. Dit verschil maakt dat geen sprake is van gelijke gevallen. De gevallen waar eiseres onder valt (aankondigingen niet bij een vestiging) worden in de gehele gemeente Rotterdam gelijk behandeld. Zo wordt voor een aankondiging bij een niet vestiging in de CBS buurtnummers 6,7,8,94,95,96 en 98, net als bij eiseres, reclamebelasting geheven.

8.4

De beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiseres voert verder aan dat de Verordening onverbindend moet worden verklaard, omdat in de Verordening een buitenwettelijke uitleg wordt gegeven aan het begrip openbare grond.

9.1

Artikel 2 van de Verordening luidt als volgt:

Belastbare feiten

1. Onder de naam ‘precariobelasting’ wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening.

2. Onder de naam ‘reclamebelasting’ wordt een directe belasting geheven voor een openbare aankondiging die zichtbaar is vanaf de openbare weg.

9.2

Zoals uit artikel 227 van de Gemeentewet volgt kan reclamebelasting worden geheven voor openbare aankondigingen vanaf de openbare weg. Artikel 2, tweede lid, van de Verordening, is daarmee in lijn en is bijna gelijkluidend aan artikel 227 van de Gemeentewet.

Eiseres verwijst naar artikel 3, het eerste en tweede lid, van de Verordening, maar verliest daarbij uit het oog dat deze heffingsgrondslagen zien op precariobelasting en niet op reclamebelasting.

Ter zitting heeft eiseres verwezen naar het begrip openbare weg, maar niet nader onderbouwd waarom verweerder daar in de Verordening dan een buitenwettelijke uitleg aan heeft gegeven.

De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1245, baat haar niet. Die uitspraak ziet namelijk op de situatie dat de gemeentelijke wetgever door een bepaalde uitleg van het begrip openbare weg niet binnen de reikwijdte van artikel 227 van de Gemeentewet was gebleven. Dat is hier, gelet op artikel 2, tweede lid, van de Verordening echter niet het geval.

9.3

Deze beroepsgrond faalt.

10. Het beroep gericht tegen de aanslag reclamebelasting is ongegrond.

De dwangsom

10. Verder is de hoogte van de dwangsom in geschil. Verweerder heeft deze vastgesteld op € 20,-, eiseres stelt dat de hoogte van de dwangsom € 320,- bedraagt.

10.1

Ter zitting zijn beide partijen tot een compromis gekomen, in die zin dat ervan uit moet worden gegaan dat verweerder de ingebrekestelling op 2 januari 2018 heeft ontvangen, waarna de uitspraak op bezwaar op 19 januari 2018 naar eiseres is verzonden.

Dit betekent dat de termijn van twee weken om alsnog uitspraak te doen op het bezwaar van eiseres op 3 januari 2018 is gaan lopen. Dan is 17 januari 2018 de eerste dag waarop een dwangsom is verbeurd. Omdat ervan uit moet worden gegaan dat het bestreden besluit op 19 januari 2018 is verzonden, is verweerder dan over drie dagen een dwangsom van € 20,- per dag verschuldigd. Dit maakt dat eiseres recht heeft op een dwangsom van € 60,-.

10.2

Het beroep gericht tegen de hoogte van de vastgestelde dwangsom is gegrond en de rechtbank zal de dwangsom met toepassing van artikel 8:55c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vaststellen op € 60,-.

In alle zaken

11. Omdat het beroep gericht tegen de aanslagen precariobelasting en de dwangsom gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.

12. Eiseres heeft voorts recht op een proceskostenvergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

12.1

Anders dan eiseres betoogt, is de rechtbank van oordeel dat geen plaats is voor een integrale vergoeding op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit. Hiervoor bestaat slechts aanleiding als verweerder het verwijt treft dat hij een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden, dan wel dat verweerder op een andere wijze verregaand onzorgvuldig heeft gehandeld (vergelijk Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Van beide omstandigheden is in dit geval geen sprake.

De rechtbank zal de proceskostenvergoeding daarom aan de hand van de in het Besluit genoemde forfaitaire bedragen vaststellen.

13. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat voor de bezwaarfase geen recht bestaat op een proceskostenvergoeding.

13.1

Artikel 7:15, tweede lid van de Awb luidt als volgt:

De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

13.2

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de aanslagen zijn herroepen vanwege een aan hem te wijten onrechtmatigheid. Verweerder is gehouden om een aanslag precariobelasting aan de juiste rechtspersoon of ondernemer op te leggen. Dat hij dat niet heeft gedaan, is hem te verwijten. Dat bij de steigers een bord stond van eiseres, is onvoldoende om ervan uit te gaan dat eiseres voor de gehele periode waarvoor de aanslagen zijn opgelegd de steigers op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond hield of om haar als hoofdaannemer van het project te zien, temeer nu de vergunning niet aan eiseres is verleend.

Eiseres heeft daarom ook voor de bezwaarfase recht op een proceskostenvergoeding.

14. Gezien het voorgaande stelt de rechtbank de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.500,- (Voor de bezwaarfase geldt:

1. punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 249,- en wegingsfactor 1. Voor de beroepsfase geldt:

1. punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

Eiseres heeft verder recht op een vergoeding van reiskosten ad € 5,62 van de heer [X]. Voor zover verweerder betoogt dat hier geen recht op bestaat, omdat dit al verdisconteerd zit in de vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, verliest hij daarbij uit het oog dat het Besluit in artikel 1, aanhef en onder c de reiskosten van een partij als een aparte categorie die voor vergoeding in aanmerking komt noemt. In dit geval is [X] de bedoelde partij, hij is namens eiseres ter zitting is verschenen.

Het verzoek van eiseres om de verletkosten van [X] te vergoeden wijst de rechtbank af, omdat een onderbouwing van deze kosten ontbreekt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen de aanslagen precariobelasting en de hoogte van de dwangsom grond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de aanslagen precariobelasting;

  • -

    vernietigt de aanslagen precariobelasting;

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen de aanslag reclamebelasting ongegrond;

  • -

    stelt de door verweerder verbeurde dwangsom vast op € 60,-;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 338,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.505,62.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Noordegraaf, griffier. De beslissing is in het openbaar geschied op

12 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).