Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7584

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
ROT 18/4459 en ROT 18/3014 en ROT 18/4460
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening - kortsluiting - beroep gegrond - Wet BRP - verweerder kan aan inschrijving van verzoeker in de BRP op een briefadres geen voorwaarden verbinden die geen verband houden met het belang waarop de Wet BRP betrekking heeft

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 4

zaaknummers: ROT 18/4459, 18/3014 en ROT 18/4460

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 september 2018 op het beroep en de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te Rotterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. M.J.G. Schroeder,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. P.A.M. Badal.

Procesverloop

ROT 18/4460

Bij besluit van onbekende datum (bestreden besluit I) heeft verweerder verzoeker ambtshalve per 1 februari 2018 uitgeschreven uit de basisregistratie personen (BRP).

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit I bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

ROT 18/4459

Bij besluit van 20 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek tot (ambtshalve) inschrijving in de BRP van verzoeker op een briefadres buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 26 april 2018 (bestreden besluit II) heeft verweerder verzoekers bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen in die zin dat de aanvraag/aangifte van verzoeker inhoudelijk is beoordeeld en de aangifte adreswijziging op het briefadres [Adres 1] is geweigerd en aan het verzoek om ambtshalve inschrijving geen gevolg wordt gegeven op grond van de Wet Basisregistratie personen (Wet BRP).

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Verzoeker is sinds 12 december 2017 dakloos. Bij brief van 13 december 2017 heeft de gemachtigde van verzoeker aangifte gedaan van adreswijziging in die zin dat hij verweerder meldt dat verzoeker vanaf 12 december 2018 dakloos is en daarnaast verzoekt de gemachtigde verweerder op grond van artikel 2.23 van de Wet BRP ambtshalve een briefadres op te nemen in de BRP.

2. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat verzoeker ten onrechte is uitgeschreven uit de BRP en dat verzoeker kan worden ingeschreven met een briefadres van de gemeente Rotterdam aan de [Adres 2] als hij zich aan bepaalde voorwaarden houdt. Die voorwaarden houden in dat verzoeker regelmatig contact moet hebben met het wijkteam en een coach om te voorkomen dat hij ‘verder in problemen komt’. Dit standpunt van verweerder brengt met zich dat bestreden besluit I en bestreden besluit II voor zover daarbij aan het verzoek om ambtshalve inschrijving geen gevolg is gegeven, geen stand kunnen houden. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk op het beroep tegen bestreden besluit II te beslissen door dat gegrond te verklaren en bestreden besluit II in zoverre te vernietigen. Met het oog op een definitieve beslechting van het geschil ziet de voorzieningenrechter voorts aanleiding om de ter zitting geuite bezwaren van verzoeker tegen de voorwaarden die verweerder stelt aan de inschrijving op een briefadres aan de [Adres 2] te beoordelen.

3. Het betoog van verzoeker dat verweerder aan de inschrijving van verzoeker op een briefadres geen voorwaarden kan verbinden die geen verband houden met het belang waarop de Wet BRP betrekking heeft, slaagt. Het belang te voorkomen dat verzoeker ‘verder in de problemen komt’ is geen belang dat met de Wet BRP wordt nagestreefd. Verweerder kan aan de inschrijving van verzoeker op een briefadres daarom niet als voorwaarden verbinden dat verzoeker regelmatig contact moet hebben met het wijkteam en met een coach. Nu overigens geen beletsel bestaat tegen inschrijving van verzoeker op het briefadres [Adres 2] , zal de voorzieningenrechter zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat eiser op dat briefadres in de BRP wordt ingeschreven. De verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening zullen worden afgewezen.

4. Het voor de behandeling van de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening betaalde griffierecht (tweemaal € 170,-) moet door verweerder aan verzoeker worden vergoed. In de beroepsprocedure is geen griffierecht geheven wegens een toegewezen beroep op betalingsonmacht.

5. Verweerder moet in de proceskosten van verzoeker worden veroordeeld. Die proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 2.004,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 2 punten voor de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1). Voor de proceskosten in bezwaar heeft verweerder bij bestreden besluit II reeds een vergoeding toegekend.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt bestreden besluit II voor zover daarbij aan het verzoek om ambtshalve inschrijving geen gevolg is gegeven;

- bepaalt dat verzoeker in de BRP wordt ingeschreven met het briefadres [Adres 2] ;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van
bestreden besluit II;

- wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het voor de behandeling van de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening betaalde griffierecht (tweemaal € 170,-) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 2.004,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. van der Hoek, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op
11 september 2018.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op de voorlopige voorzieningen, staat geen rechtsmiddel open.

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.