Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7580

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
C/10/536646 / HA ZA 17-957
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap. Partijen twisten over de vraag of er benadeling van de man bij de verdeling heeft plaatsgevonden. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:200 BW vervalt na verloop van drie jaar na de verdeling de rechtsvordering tot vernietiging daarvan. Op grond van de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. Inv. Wet Boek 3 NBW, p. 1299) heeft als tijdstip van de verdeling te gelden het moment waarop de verdeling tot stand komt. De termijn vangt dus aan met het tijdstip van de totstandkoming van het convenant en niet pas op het moment dat de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven. In casu hebben partijen bovendien al deels uitvoering gegeven aan de overeenkomst. Het convenant en de nadere overeenkomst waarin de verdeling van de gemeenschap is vastgesteld (en deels ook al is geëffectueerd), dateren van 18 juli 2013. Op dat moment was voldaan aan de maatstaf van artikel 3:182 BW dat de man en de vrouw goederen van de gemeenschap bij uitsluiting van de ander hebben verkregen, zoals onder meer de toedeling van de aandelen in een vennootschap aan de man. Het beroep op vernietiging wegens misbruik van omstandigheden en bedrog wordt niet gehonoreerd. Debat over nagekomen bestanddelen. Wel sprake van nagekomen bestanddelen. Geen sprake van bewust verzwijgen van bestanddelen door de vrouw. Deel van de zogenaamd nagekomen bestanddelen reeds verdisconteerd in het convenant. Bewijsopdracht (tegenbewijs) aan de vrouw ten aanzien van: 1. de voorshands bewezen geachte stelling dat sprake is van een nagekomen bestanddeel, zijnde een vordering op de zoon van partijen en 2. de voorshands bewezen geachte stelling dat er door de man onverschuldigd betalingen ten behoeve van de vrouw zijn gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/536646 / HA ZA 17-957

Vonnis van 8 augustus 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. F.C. de Wit-Facchetti te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. P.N.M. de Gier te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 september 2017, met 16 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met 3 producties;

  • -

    de oproepingsbrief van deze rechtbank van 7 maart 2018;

  • -

    de brief van mr. De Gier van 7 juni 2018, met producties 4,5 en 6;

  • -

    de brief van mr. de Wit-Facchetti van 8 juni 2018, met producties 17, 18 en 19;

  • -

    de akte wijziging van eis, overeenkomstig de brief van 8 juni 2018;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 21 juni 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 9 februari 1973 zijn partijen met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

2.2.

In 1974 heeft [eiser] met zijn broer en vader [bedrijf (eiser) 1] opgericht. Enig aandeelhouder van deze vennootschap was [bedrijf (eiser) 2] [eiser] is de (indirect) bestuurder van [bedrijf (eiser) 2]

2.3.

[persoon] , de zoon van partijen, is enig aandeelhouder en bestuurder van de Houdstermaatschappij [bedrijf (eiser) 3] (hierna: TPF).

2.4.

Op 15 oktober 2012 heeft [eiser] de aandelen van [bedrijf (eiser) 3] (zijnde de holding van [eiser] ) in [bedrijf (eiser) 2] aan TPF verkocht. De door TPF te betalen koopprijs voor die aandelen betrof na verrekening

€ 162.000,-. Overeengekomen is verder dat de pensioenverplichting van [bedrijf (eiser) 1] aan [eiser] zou worden overgenomen door [bedrijf (eiser) 3] tegen een door [bedrijf (eiser) 1] te betalen bedrag van € 458.034,-. De overeenkomst is neergelegd in een notariële akte van 18 december 2012 waarbij de aandelen zijn geleverd. De betalingsverplichtingen van TPF zijn omgezet in (achtergestelde en rentevrije) leningen.

2.5.

Bij beschikking van 7 oktober 2013 is de echtscheiding van partijen uitgesproken.

Partijen hebben onderling een regeling getroffen en deze regeling vastgelegd in een convenant. In de beschikking is bepaald dat het aan de beschikking aangehechte convenant deel uitmaakt van de beschikking.

2.6.

In het convenant is onder meer het volgende opgenomen:

Artikel 3- Verdeling overige vermogensbestanddelen van de huwelijksgemeenschap

Peildatum

1. Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Zij nemen als peildatum voor de samenstelling en de waardering van de gemeenschap 1 januari 2013.

De waardestijgingen en/of –dalingen komen vanaf de in dit artikel genoemde peildatum volledig ten goede aan/ten laste van degene aan wie de vermogensbestanddelen worden toegedeeld ingevolge het in dit convenant bepaalde.

(…)

Omvang gemeenschap

2) Partijen verklaren dat zij geen van beiden gerechtigd zijn tot een onverdeelde boedel noch anderszins privévermogen hebben op grond van een uitsluitingsclausule en/of verknochtheid, zodat alle vermogensbestanddelen

Banktegoeden/effecten/opties

3) Partijen komen overeen dat de saldi van de rekeningen toekomen aan degene op wiens/wier naam de rekening staat, zonder verdere verrekening.

Partijen zullen alle verplichtingen die te maken hebben met de rekeningen die op hun naam staan voldoen en voor zijn/haar rekening nemen.

Levering van genoemde saldi aan de man respectievelijk de vrouw geschiedt door ondertekening van dit convenant en de mededeling daarvan aan bancaire instellingen. (…)”

Aandelen B.V. en eventueel vordering op/schuld aan de B.V.

8) Tot de gemeenschap van goederen behoren alle aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf (eiser) 3] , statutair gevestigd te Rhoon en kantoorhoudende aldaar. Deze aandelen worden toegedeeld aan de man.

(…)

Totale overbedelingsvordering

12) Met betrekking tot de overige vermogensbestanddelen van de huwelijksgemeenschap, stellen partijen vast dat zij de juiste waarden toegekend hebben aan de verschillende inboedelbestanddelen en dat de man door de wijze waarop de huwelijksgoederengemeenschap waarin zij zijn getrouwd waren verdeeld hebben is overbedeeld, nu de waarde van de aan hem toegescheiden vermogensbestanddelen om en nabij de € 900.000,- bedraagt. Teneinde deze overbedeling op te heffen verklaart de man schuldig te zijn aan de vrouw het bedrag van € 435.000,-, rekening houdend dat de waarde van de aan de vrouw toegescheiden auto € 15.000,- bedraagt.

Met betrekking tot de aflossing van dit bedrag zijn door partijen nadere afspraken gemaakt.

Dit artikel is een vaststellingsovereenkomst in de zin van de wet (artikel 7:900BW).

Nagekomen baten en/of lasten

13) Partijen verklaren dat behoudens de in dit artikel vermelde vermogensbestanddelen aan hen geen overige tot de gemeenschap behorende vermogensbestanddelen bekend zijn. Onbekende baten zullen terstond na het bekend worden aan de andere partij worden gemeld ter nadere verdeling, zuilks op straffe van de sanctie die de wet stelt in artikel 3:194 lid 2 BW op verzwijging, zoekmaken of verborgen houden van gemeenschapsgoederen, zijnde dat zijn/haar aandeel in dat goed aan de ander wordt verbeurd.

14) Aan de vrouw worden toebedeeld de baten die sedert de peildatum van haar zijde in de gemeenschap zijn gevallen en nog zullen vallen, zulks onder de verplichting om voor haar rekening te nemen de schulden die sedert de peildatum op haar naam en/of door haar toedoen zijn ontstaan en nog zullen ontstaan. Aan de man worden toegedeeld de baten die sedert de peildatum van zijn zijde in de gemeenschap zijn gevallen en nog zullen vallen, zulks onder de verplichting om voor zijn rekening te nemen de schulden die sedert de peildatum op zijn naam en/of door zijn toedoen zijn ontstaan en nog zullen ontstaan.

15) Partijen verklaren voorts uitdrukkelijk dat er aan hen geen schulden bekend zijn die zijn opgekomen vóór de peildatum, anders dan de in dit convenant genoemde.

Voor het geval dat desondanks een schuld bekend zal worden die niet in het convenant is genoemd, zal deze voor rekening blijven van die partij op wiens/wier naam de schuld staat, tenzij aangetoond wordt dat de partij op wiens/wier naam de schuld staat van het bestaan niet heeft kunnen weten. In dat geval zal de schuld alsnog voor rekening van beide partijen komen.”

2.7.

In juli 2013 is tussen TPF, [bedrijf (eiser) 3] , [eiser] , [gedaagde] , zoon [persoon] en zijn echtgenote een nadere overeenkomst opgesteld genaamd ‘Vertrouwelijke overeenkomst tot verrekening van bedragen tevens inhoudende garantstelling’. In deze overeenkomst is onder meer opgenomen dat het krachtens overbedeling uit te keren bedrag van € 435.000,- door TPF rechtstreeks zal worden voldaan aan [gedaagde] en dat dit bedrag in mindering strekt op het aan [bedrijf (eiser) 3] verschuldigde bedrag van € 620.000,- (aandelen van € 162.000,- en de pensioenvoorziening van

€ 458.034,-). Het restantbedrag van € 185.000,- zou in maandelijkse termijnen van € 2.500,- door TPF aan [bedrijf (eiser) 3] worden voldaan. In de nadere overeenkomst is eveneens opgenomen dat de zoon garant staat voor de genoemde betalingen aan [gedaagde] en [bedrijf (eiser) 3]

2.8.

Op 10 oktober 2013 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in het register van de burgerlijke stand van gemeente Barendrecht.

2.9.

[eiser] heeft bij brief van 7 oktober 2016 het echtscheidingsconvenant buitengerechtelijk vernietigd. In deze brief staat onder meer het volgende:

“(…) Na de echtscheiding is cliënt aangesproken tot betaling van een groot aantal schulden, welke niet zijn meegenomen in de verdeling. Het betreft schulden welke aan cliënt niet bekend waren en welke aan uw beider zijn, die als uw belangenbehartiger in de echtscheidingsprocedure optrad, wel bekend waren. Het betreffen onder andere:

  • -

    Een huurclaim TPF Vastgoed BV van € 137.000

  • -

    Een rekening-courantschuld aan [bedrijf (eiser) 3] van € 164.000

  • -

    Een rekening-courant schuld aan Financieringsmaatschappij [bedrijf (eiser) 3] van

€ 175.000.(…)”.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na eiswijziging, verkort weergegeven, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

1. primair voor recht verklaart dat het echtscheidingsconvenant buitengerechtelijk

is vernietigd op de in de dagvaarding vermelde gronden;

2. subsidiair het echtscheidingsconvenant vernietigt (primair omdat sprake is van een 1/4e benadeling en dwaling aan de zijde van [eiser] , subsidiair omdat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld althans toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende verplichtingen tegenover [eiser] om de juiste informatie te verstrekken om tot een goede verdeling te komen);

[gedaagde] veroordeelt om de helft van de ‘vergeten schulden’ waarmee in het convenant geen rekening is gehouden aan [eiser] te betalen, met name:

a) de helft van de huurclaim bij TPF Vastgoed B.V. van € 137.000,- indien deze komt vast te staan;

b) de rekening-courantschuld van [eiser] aan [bedrijf (eiser) 3] van € 164.000,-;

c) de rekening-courantschuld van [eiser] aan de Financieringsmaatschappij [bedrijf (eiser) 3] van € 175.000,-,

met bepaling dat [eiser] deze schuld als eigen schulden zal voldoen;

[gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] primair een bedrag van € 326.358,38 te betalen (wegens de vordering op de zoon van partijen, met bepaling dat deze vordering dan aan haar wordt toegescheiden), subsidiair de helft van dit bedrag (ingeval de rechtbank art. 3:194 BW jo. 3:13 van het convenant niet toepast);

[gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] binnen twee weken na betekening van het vonnis de wettelijke rente over de hiervoor gevorderde bedragen vanaf 31 december 2013 tot de dag der voldoening te betalen;

[gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] een bedrag van € 37.277,91 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 31 december 2013 tot de dag der voldoening;

[gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure.

[eiser] legt aan haar vordering, verkort weergegeven, het volgende ten grondslag.

3.2.

[eiser] is bij de verdeling voor meer dan 1/4e deel benadeeld.

Bij de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant is gebruik gemaakt van de overzichten die de zoon, handelende als zaakwaarnemer/vertegenwoordiger voor [gedaagde] , heeft opgesteld. Gebleken is dat de gegevens in het echtscheidingsconvenant niet juist c.q. onvolledig waren en er ten onrechte een aantal bestanddelen niet zijn meegenomen in het convenant:

  1. Gebleken is dat de zoon in 2008 met een volmacht de besloten vennootschap Financieringsmaatschappij [bedrijf (eiser) 3] heeft opgericht op naam van [eiser] en gebruik heeft gemaakt van deze B.V. De aandelen in deze vennootschap en de gebleken rekening-courantschuld van € 175.000,- bij deze vennootschap zijn niet in de verdeling betrokken.

  2. Op 25 juni 2009 is een bedrag van € 311.358,38 van de spaarrekening van partijen geboekt naar de spaarrekening van de zoon en in augustus 2012 is van die rekening een bedrag van € 15.000,- geboekt naar de rekening van de zoon. Deze vordering op de zoon van in totaal € 326.358,38 is ten onrechte niet opgenomen in het echtscheidingsconvenant. [eiser] is van deze vordering pas in 2014 op de hoogte gekomen. [gedaagde] moet hiervan eerder op de hoogte zijn geweest, omdat zij beschikte over alle bankafschriften waaruit het bestaan van die vordering bleek.

  3. [eiser] was niet bekend met het bestaan van een rekeningcourantschuld ten bedrage van € 164.000,- bij de holding van [eiser] . Het bedrag stond weliswaar op de balans van 2012, maar die is pas in 2014 opgemaakt.

3.3.

Daarnaast is sprake van schending van de mededelingsplicht door [gedaagde] .

De zoon heeft als zaakwaarnemer voor [gedaagde] opgetreden. Het niet verstrekken van deze gegevens is daarom aan [gedaagde] toe te rekenen. [gedaagde] wordt geacht hiervan volledig op de hoogte te zijn geweest. [gedaagde] heeft ook ondanks verzoeken daartoe, geweigerd om financiële stukken die zich in de echtelijke woning bevonden ter hand te stellen.

Daarom dient ingevolge artikel 3:194 BW het aandeel van [gedaagde] in dit goed aan [eiser] te worden verbeurd.

3.4.

Subsidiair stelt [eiser] dat het echtscheidingsconvenant door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, nu de zoon als vertegenwoordiger van de vrouw wel van alle informatie op de hoogte was en deze informatie niet heeft doorgegeven. [gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld door [eiser] niet de juiste informatie te verschaffen.

3.5.

Meer subsidiair stelt [eiser] dat het convenant op grond van de redelijkheid en billijkheid dient te worden vernietigd. Door toedoen van de zoon, die handelde als vertegenwoordiger van [gedaagde] zijn twee bestanddelen buiten de verdeling gebleven.

Daarom moet geconcludeerd worden dat [gedaagde] een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven.

3.6.

[eiser] heeft een vordering van € 37.277,91 op [gedaagde] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2013 tot de dag der voldoening. Deze vordering volgt uit artikel 2 lid 3, 4 en 9 van het convenant, waarin is bepaald dat [gedaagde] met ingang van de peildatum, zijnde 1 januari 2013, zelf de kosten voor de hypothecaire leningen en polis levensverzekeringen diende te betalen. Gebleken is dat [eiser] deze kosten via zijn holding [bedrijf (eiser) 3] heeft voldaan.

3.7.

[gedaagde] dient te worden veroordeeld in de volledige kosten van de procedure. Gelet

op haar handelswijze is er geen reden voor kostencompensatie.

3.8.

[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, althans tot afwijzing van de vordering van [eiser] bij uitvoerbaar bij vooraad verklaard vonnis.

[gedaagde] voert daartoe, onder meer, het volgende aan.

3.9.

De vordering tot vernietiging van de verdeling is verjaard, nu de verjaringstermijn voor vernietiging 3 jaar na het sluiten van de overeenkomst tot verdeling is en deze termijn al voor dagvaarding was verlopen. De buitengerechtelijke vernietiging bij brief van 7 oktober 2016 heeft geen doel getroffen.

De overeenkomst kan evenmin op andere gronden worden vernietigd, nu geen sprake is van

een rechtshandeling die door bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden dan wel

door dwaling tot stand gekomen is.

3.10.

[gedaagde] heeft geen misbruik van omstandigheden gemaakt, doordat haar zoon

bepaalde (zakelijke) informatie niet aan [eiser] zou hebben doorgegeven. [gedaagde] heeft

zich nooit met de ondernemingen bezig gehouden en was niet op de hoogte van hetgeen er

in de ondernemingen gebeurde. Zij had en kreeg geen inzicht in de zakelijke activiteiten van

haar man. [gedaagde] betwist dat de zoon van partijen haar vertegenwoordigde.

3.11.

De gevorderde vernietiging van het convenant op grond van de redelijkheid en

billijkheid is evenmin toewijsbaar. [eiser] onderbouwt haar vordering niet. Daar komt

bij dat het convenant exact weergeeft wat partijen zijn overeengekomen, namelijk dat

[gedaagde] de woning, een bedrag van € 435.000,- en haar auto zou krijgen en [eiser] alle

andere vermogensbestanddelen.

3.12.

Er is geen sprake van benadeling van [eiser] met een kwart. [eiser]

heeft dit ook niet aangetoond. Bij de vraag of benadeling van meer dan een vierde heeft

plaatsgevonden dient rekening te worden gehouden met alle goederen en schulden van de

gemeenschap, hetgeen [eiser] niet heeft gedaan. De gevorderde vernietiging is

daarom niet toewijsbaar.

3.13.

[eiser] heeft niet gedwaald omtrent de waarde. De afspraak was dat [gedaagde]

de woning, een geldbedrag van € 435.000,- en de auto zou krijgen en [eiser] alle

andere vermogensbestanddelen.

3.14.

[gedaagde] betwist dat sprake is van nagekomen bestanddelen die in de verdeling

moeten worden betrokken. Dit verweer zal, voor zover van belang, bij de beoordeling

worden weergegeven.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen twisten in de kern over de waarde van het gemeenschappelijk vermogen voor echtscheiding en de vraag of er benadeling van [eiser] heeft plaatsgevonden. De in dit verband door [eiser] ingestelde vorderingen zullen hierna achtereenvolgens worden behandeld.

Vordering A. – de (primair gevorderde) verklaring voor recht dat het echtscheidingsconvenant buitengerechtelijk is vernietigd dan wel de (subsidiair gevorderde) vernietiging van het echtscheidingsconvenant

4.2.

[eiser] stelt in dit verband dat hij bij brief van 7 oktober 2016 de vernietiging van het convenant heeft ingeroepen, omdat primair sprake is van een benadeling voor meer dan een vierde deel en dwaling aan de zijde van [eiser] . Subsidiair grondt [eiser] zijn vordering op onrechtmatige daad, danwel toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de op [gedaagde] rustende verplichting om de juiste informatie te verstrekken om tot een goede verdeling te komen.

4.3.

[gedaagde] voert hiertegen als meest verstrekkend verweer aan dat de rechtsvordering tot vernietiging van het echtscheidingsconvenant inmiddels op grond van het bepaalde in artikel 3:200 BW is komen te vervallen. Zij betoogt dat het echtscheidingsconvenant dateert van 18 juli 2013 en de vernietiging pas is ingeroepen bij brief van 7 oktober 2016, zodat de vervaltermijn van drie jaar is verstreken. [eiser] stelt dat het convenant weliswaar is gesloten op 18 juli 2013, maar dat de beschikking definitief is geworden op 10 oktober 2013, zodat de vernietiging binnen drie jaar heeft plaatsgevonden. Ook wijst [eiser] op de considerans onder e) waarin staat “voor het geval de echtscheiding tussen partijen wordt uitgesproken en de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, hebben partijen de gevolgen van deze echtscheiding op de hieronder omschreven wijze met elkaar geregeld;”.

4.4.

Ingevolge het bepaalde in artikel 3:200 BW vervalt na verloop van drie jaar na de verdeling de rechtsvordering tot vernietiging daarvan. Op grond van de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. Inv. Wet Boek 3 NBW, p. 1299) heeft als tijdstip van de verdeling te gelden het moment waarop de verdeling tot stand komt. De termijn vangt dus aan met het tijdstip van de totstandkoming van het convenant en niet pas op het moment dat de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven. Het convenant en de nadere overeenkomst waarin de verdeling van de gemeenschap is vastgesteld (en deels ook al is geëffectueerd), dateren van 18 juli 2013. Op dat moment was voldaan aan de maatstaf van artikel 3:182 BW dat [eiser] en [gedaagde] goederen van de gemeenschap bij uitsluiting van de ander hebben verkregen, zoals onder meer de toedeling van de aandelen in [bedrijf (eiser) 3] aan [eiser] .

De rechtbank passeert dan ook de stelling van [eiser] dat de verdeling pas tot stand komt na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in het register. De rechtbank volgt [eiser] evenmin in haar stelling dat uit de considerans van het convenant volgt dat partijen hiermee hebben beoogd om de verdeling te effectueren op het moment van de echtscheiding, nu dit niet overeenstemt met het feitelijk handelen van partijen. In de nadere overeenkomst van 18 juli 2013 is - als gezegd - de overeenkomst deels al geëffectueerd. Hierin staan verschillende afspraken opgenomen waaraan door partijen direct uitvoering is gegeven, zoals onder meer de levering van de auto (die plaats vond voor inschrijving van de echtscheidingsbeschikking), de afwikkeling van de vennootschappen en de bepaling dat de eigenaarslasten van de echtelijke woning vanaf 1 januari 2013 voor rekening van [gedaagde] komen. Dat betekent dat de vervaltermijn is aangevangen op 18 juli 2013 en dat de rechtsvordering tot vernietiging is vervallen op 18 juli 2016. [eiser] heeft de vernietiging van het convenant dan ook te laat ingeroepen, zodat de gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar is.

Hierop stuit ook de subsidiaire vordering af, nu de mogelijkheid om vernietiging van de verdeling (ex artikel 3:196 BW) te vorderen niet langer bestaat.

4.5.

[eiser] heeft ter comparitie betoogd dat de verjaringstermijn voor (vorderingen tot) vernietiging wegens misbruik van omstandigheden en bedrog nog niet is verlopen, nu deze eerst vervallen drie jaar na het bekend worden hiermee. [eiser] heeft echter geen vordering tot vernietiging wegens een wilsgebrek ingesteld (voor zover daarvoor naast artikel 3:196 BW plaats is), terwijl hij ter comparitie heeft verklaard dat hij terzake ook geen buitengerechtelijke verklaring heeft uitgebracht. Ook wat betreft het door [eiser] aan [gedaagde] gemaakte verwijt dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door niet de juiste informatie aan [eiser] te verstrekken, geldt dat [eiser] geen rechtsgevolg aan zijn stelling heeft verbonden; een vordering tot schadevergoeding is niet ingediend. Aan een inhoudelijke beoordeling van deze punten komt de rechtbank dan ook niet toe.

Voor zover [eiser] haar subsidiaire vordering tot vernietiging grondt op toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] , kan zijn vordering evenmin slagen nu toerekenbare tekortkoming niet kan leiden tot vernietiging van de overeenkomst. Voor vernietiging dient sprake te zijn van een wilsgebrek.

Vordering B. - de vordering tot betaling van de overgeslagen boedelbestanddelen

de helft van de huurclaim van TPF vastgoed B.V. van € 137.000,-

4.6.

[eiser] heeft deze vordering voorwaardelijk ingesteld en stelt dat als de huurschuld in rechte komt vast te staan, dit betekent dat de waarde van de aandelen van [bedrijf (eiser) 3] lager is dan het bedrag waarmee in het convenant rekening is gehouden.

[gedaagde] voert aan dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat dit een vordering

betreft tussen TPF Vastgoed B.V. en Green Relief B.V. en dus geen vermogensbestanddeel

betreft van de tussen partijen bestaand hebbende gemeenschap van goederen.

4.7.

[eiser] heeft zijn vordering slechts summier toegelicht. Uit de verwijzing naar de door hem overgelegde beslissing van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2017 kan worden afgeleid dat kennelijk in geschil is tussen [eiser] en de zoon van partijen of op Green Relief B.V. een betalingsverplichting uit hoofde van huurovereenkomst rust.

Hoe deze onderneming Green Relief B.V. - die kennelijk door [eiser] wordt gedreven - zich verhoudt tot de verdeling, is niet door [eiser] toegelicht.

Voor zover [eiser] beoogt te stellen dat de huurclaim op Green Relief B.V. kwalificeert als een vermogensbestanddeel dat mogelijk een negatievere waarde aan de waardering van de aandelen [bedrijf (eiser) 3] geeft, geldt dat gesteld noch gebleken is dat deze vennootschap onderdeel uitmaakte van het gezamenlijk vermogen dan wel van het vermogen van [bedrijf (eiser) 3] Daar komt bij dat door [gedaagde] onweersproken is gesteld dat de huurverplichting reeds in de jaarrekening van 2011 van Green Relief B.V. was opgenomen. Hierop is geen inhoudelijke reactie gekomen van [eiser] .

Hierin ligt besloten dat de potentiële huurschuld al bekend was c.q. behoorde te zijn bij [eiser] ten tijde van de verdeling en dat met de toedeling van de aandelen aan [eiser] dit vermogensbestanddeel reeds is verdisconteerd in de verdeling. Artikel 8 van het convenant bepaalt immers dat de aandelen en eventuele vorderingen op en schulden aan [bedrijf (eiser) 3] zijn toebedeeld aan [eiser] .

Ook hierop stuit deze, onvoldoende onderbouwde vordering af.

de rekening-courantschuld van [eiser] aan [bedrijf (eiser) 3] van € 164.000,-

4.8.

Uit artikel 8 en verder van het echtscheidingsconvenant blijkt dat partijen een regeling hebben getroffen met betrekking tot de aandelen in de vennootschap [bedrijf (eiser) 3] , waarbij alle aandelen aan [eiser] zijn toebedeeld tegen een in der minne vastgestelde waarde. Daarmee is de rekening-courantschuld in de verdeling betrokken, nu deze schuld van invloed is op (het bepalen van) de waarde van de aandelen. Voor zover [eiser] stelt dat hij ‘niet wist’ van het bestaan van deze rekening-courantschuld, passeert de rechtbank deze stelling, nu uit artikel 9 van het convenant volgt dat partijen bij de waardebepaling van advies door een fiscalist/accountant zijn voorzien.

de aandelen in de Financieringsmaatschappij [bedrijf (eiser) 3] en de rekening-courantschuld bij de Financieringsmaatschappij [bedrijf (eiser) 3] van € 175.000,-

4.9.

Vaststaat dat in het convenant en de nadere overeenkomst geen regeling is getroffen ten aanzien van de aandelen in en de rekening-courantschuld bij de Financieringsmaatschappij [bedrijf (eiser) 3] Deze vermogensbestanddelen zijn niet verdisconteerd in het convenant en dienen daarom alsnog tussen partijen te worden verdeeld. Beide partijen verzoeken om toedeling van de aandelen aan hen.

Het voorstel van [gedaagde] zal worden gevolgd, nu [eiser] zelf de waarde op nihil stelt onder verwijzing naar de opstelling van Wiltschut Fiscaal Advies (overgelegd als productie 14 bij dagvaarding) en [gedaagde] bereid is om de helft van de rekening-courant als eigen schuld te aanvaarden onder de verplichting van [eiser] om de helft aan haar te betalen.

Vordering C - de vordering van € 326.000,- op de zoon van partijen

4.10.

[eiser] legt aan deze vordering ten grondslag dat op 25 juni 2009 een bedrag van € 311.358,38 en in augustus 2012 een bedrag van € 15.000,- van de gezamenlijke spaarrekening naar de rekening van de zoon is geboekt en dat deze vordering - van ruim

€ 326.000,- - ten onrechte niet in de verdeling is opgenomen. [eiser] verzoekt om toedeling van de gehele vordering op grond van artikel 3:194 lid 2 BW. Hij stelt dat sprake is van schending van de mededelingsplicht door [gedaagde] , althans de zoon, die volgens hem als zaakwaarnemer voor [gedaagde] is opgetreden.

4.11.

De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn stelling dat deze vordering in het geheel aan hem moet worden toebedeeld.

Van de rechtsfiguur ‘zaakwaarneming’ is geen sprake. Dat de zoon als vertegenwoordiger voor [gedaagde] optrad heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd en gedocumenteerd gesteld, terwijl ook niet is gebleken dat [gedaagde] bewust deze vordering - waaraan zij eveneens rechten kan ontlenen - voor [eiser] heeft verzwegen.

[eiser] heeft bovendien ter comparitie meegedeeld dat de zoon hem verzocht had om een bedrag van € 311.000,- voor een garantiestelling bij de bank en dat [eiser] daarmee instemde mits het bedrag terug zou komen. Nu [eiser] op de hoogte was van het bestaan van de schuld van € 311.000,- kan hij [gedaagde] noch de zoon enig verwijt maken. Dat [eiser] ten onrechte aannam dat het bedrag was terugbetaald kan [gedaagde] niet worden verweten. Te meer, nu [eiser] het bedrag van € 311.000,- zelf aan de zoon uitleende en hij de terugbetaling van het bedrag kon monitoren door zonodig een historisch overzicht van de gezamenlijke bankrekening op te vragen.

4.12.

Wat betreft de vraag of de vordering tot het beloop van € 326.000,- als vergeten vermogensbestanddeel in de verdeling moet worden betrokken overweegt de rechtbank het volgende. [gedaagde] betwist het bestaan van deze vordering van de (voormalige) gemeenschap op de zoon bij gebrek aan wetenschap. [gedaagde] voert aan dat mogelijk terugbetalingen zijn gedaan, maar kwantificeert en onderbouwd deze niet.

[gedaagde] voert aan dat de door [eiser] overgelegde materiaalstaat (overgelegd als productie 9 bij dagvaarding) niet de staat is op basis waarvan er is afgerekend en dat de notaris wel over de juiste materiaalstaat en de eindafrekening moet beschikken, maar ook daarmee concretiseert zij niet haar verweer dat de door [eiser] onder B gevorderde bedragen - zoals zij kennelijk stelt - deels al zijn verrekend.

De rechtbank acht dan ook voorshands bewezen dat de zoon het bovengenoemde bedrag niet heeft terugbetaald, zodat sprake is van een nagekomen bestanddeel ter grootte van

€ 326.000,-. [gedaagde] zal in de gelegenheid worden gesteld om tegenbewijs te leveren tegen deze voorshands bewezen geachte stelling.

Vordering E - de vordering tot vergoeding van ten behoeve van [gedaagde] gedane betalingen door [bedrijf (eiser) 3]

4.13.

[eiser] stelt via zijn vennootschap [bedrijf (eiser) 3] kosten voor de hypotheek en andere eigenaarslasten te hebben voorgeschoten voor [gedaagde] in de periode januari tot oktober 2013.

[gedaagde] bestrijdt dat de betalingen ten behoeve van haar zijn gedaan. [gedaagde] wijst erop dat de betalingen niet door [eiser] maar door de holding zijn gedaan, zodat [eiser] terzake geen vordering geldend kan maken.

4.14.

Niet in geschil is dat [gedaagde] krachtens artikel 2 sub 3, 4 en 9 van het convenant gehouden was om met ingang van 1 januari 2013 alle eigenaarslasten van de echtelijke woning en alle uit de hypothecaire geldlening voortvloeiende verplichtingen als eigen schuld te voldoen.

Vaststaat ook dat er van de vennootschap [bedrijf (eiser) 3] bedragen zijn overgemaakt in de genoemde periode, die corresponderen met de omschrijvingen en data op het lijstje/overzichtje van [eiser] , zoals - onder meer - de volgende omschrijvingen:

1-9 Rente + afl. € 1.049,94

3-9 CZ € 123,15

3-9 Spaarzeker. € 346,22

30-9 Wegens bel. € 60,--

1-10 Rente € 332,77

1-10 Rente + afl. € 1.046,94

2-10 Spaarzeker. € 346,22

14-10 CZ € 123,15

14-10 CZ € 61,26

14-10 Meeuws verz. € 34,27

30-10 Wegens bel. € 59,--

(…)”.

[gedaagde] heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet betwist dat de betreffende overmakingen ten behoeve van haar strekken.

De rechtbank acht dan ook voorshands bewezen dat de opstelling bedragen betreft die voor eigen rekening van [gedaagde] dienen te komen en acht voldoende aannemelijk dat deze betalingen door de holding uiteindelijk via de rekening-courant door [eiser] worden gedragen. [eiser] heeft dan ook een eigen verhaalsrecht op [gedaagde] terzake van deze betalingen. [gedaagde] zal daarom worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de aanname dat de betalingen onverschuldigd ten behoeve van [gedaagde] zijn gedaan.

4.15.

In afwachting van de bewijslevering houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank

alvorens verder te beslissen,

laat [gedaagde] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat sprake is van een nagekomen bestanddeel, zijnde een vordering op de zoon van partijen ter grootte van € 326.000,-;

laat [gedaagde] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat er door [bedrijf (eiser) 3] onverschuldigd betalingen tot een totaalbedrag van € 37.277,91 ten behoeve van [gedaagde] zijn gedaan;

bepaalt dat eventuele getuigenverhoren zullen worden gehouden in het gebouw van deze rechtbank ten overstaan van mr. W.J. van den Bergh;

verwijst de zaak naar de rol van 5 september 2018 voor in het geding brengen van bewijsstukken en/of aanzegging van voor te brengen getuigen met hun verhinderdata en die van beide partijen en hun raadslieden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2018.

1182/2504