Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7543

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-08-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
10/690085-18 / parketnummer vordering TUL VV: 10/711145-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van overtreding van de Opiumwet (het dealen van harddrugs over een periode van bijna vier maanden) en het voorhanden hebben van alarmpistool. Veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Partiële vrijspraak voor het bezit van vals geld, het voorhanden hebben van verdovende middelen en een woninginbraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/690085-18

Parketnummer vordering TUL VV: 10/711145-16

Datum uitspraak: 17 augustus 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI Dordrecht,

raadsman mr. G.S.J. van Gestel, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 3 augustus 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2, 4 en 5 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/711145-16.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering (feit 3)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering (feit 4)

Het onder 4 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Vrijspraak

Feit 1 (woninginbraak, subsidiair heling):

4.3.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor het medeplegen van de ten laste gelegde woninginbraak. Door de aangever is aangifte gedaan van diefstal uit zijn woning van onder andere (potten) geld en een ring. Eenzelfde soort ring is vervolgens aangetroffen in de slaapkamer van de verdachte. Potten met geld zijn afgebeeld op foto’s die verstuurd zijn tijdens een WhatsApp-gesprek tussen de verdachte en een medeverdachte. Voorts bevinden zich in het dossier camerabeelden van de (ingang van de) kelderboxen, in de nabijheid van zowel de woning van de verdachte ( [adres verdachte] ) als de woning van de aangever ( [adres slachtoffer] ). Op deze beelden zijn drie personen te zien die ogenschijnlijk met (zware) objecten sjouwen in een blauwe tas. Twee verbalisanten herkennen op de camerabeelden de verdachte als één van de drie personen.

4.3.2.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank kan - anders dan door de officier van justitie is gesteld - op basis van de stukken in het dossier, noch op basis van het verdere onderzoek op de terechtzitting, de betrokkenheid van de verdachte worden vastgesteld bij hetgeen hem ten laste is gelegd.

Niet valt vast te stellen dat de bij de verdachte aangetroffen ring afkomstig is uit de woning van de aangever. Aan de aangever is de betreffende ring niet getoond en een herkenning dienaangaande heeft derhalve niet plaatsgevonden. Dat verbalisant [naam verbalisant 1] stelt dat hij de betreffende ring herkent als zijnde de ring afkomstig van de woninginbraak maakt dit niet anders, temeer nu geen sprake is van zodanige onderscheidende kenmerken dat op basis daarvan met voldoende zekerheid kan worden geconcludeerd dat sprake is van dezelfde ring.

Op de camerabeelden van de kelderboxen is te zien dat drie personen zich de toegang verschaffen tot de gemeenschappelijke ruimte die leidt tot de daarachter gesitueerde kelderboxen en dat zij met een blauwe tas sjouwen waarin zich ogenschijnlijk een object bevindt. Echter, niet valt vast te stellen dat de personen ook in de kelderbox van de verdachte zijn geweest, welke goederen zij met zich droegen en of deze afkomstig waren van diefstal. Tevens blijkt uit onderzoek niet dat er in de kelderbox van de verdachte van diefstal afkomstige goederen zijn aangetroffen.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat voornoemde omstandigheden - ook indien ervan wordt uitgegaan dat het verdachte is die op de beelden is te zien - weliswaar aanwijzingen bieden voor de mogelijke betrokkenheid van de verdachte maar dat deze - zonder steunbewijs - onvoldoende redengevende feiten en/of omstandigheden opleveren voor het bewijs van het ten laste gelegde, noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang en in onderling verband bezien.

Omdat niet kan worden vastgesteld dat de bij de verdachte aangetroffen ring afkomstig is van diefstal, of van enig ander misdrijf, kan ook heling (onder 1 subsidiair ten laste gelegd) niet worden bewezen.

4.3.3.

Conclusie

Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Feit 5 (het vervalsen/in voorraad hebben van een vals of vervalst bankbiljet):

4.3.4.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door verdachte in voorraad hebben van het valse bankbiljet op zijn slaapkamer en het nalaten om zich daarvan te ontdoen, voldoende is om aan te nemen dat verdachte het oogmerk had tot uitgeven of doen uitgeven van dat bankbiljet.

4.3.5.

Beoordeling

Voor een bewezenverklaring van – kort gezegd – het voorhanden hebben van vals geld, zoals strafbaar is gesteld in artikel 209 van het Wetboek van Strafrecht, is vereist dat verdachte zelf de bankbiljetten heeft nagemaakt of vervalst, of dat hij ten tijde van het verkrijgen van het valse geld wetenschap had van die valsheid.

Verdachte heeft ontkend van de valsheid van het biljet te hebben geweten. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat die wetenschap bij de verdachte wel bestond ten tijde van de verkrijging ervan. Daarbij is van belang dat uit het proces-verbaal betreffende het forensisch onderzoek van het bankbiljet en de daarin genoemde ontbrekende echtheidskenmerken, gelet op hun aard, niet blijkt dat de vervalsing voor een gemiddelde burger onmiddellijk zichtbaar of kenbaar moet zijn geweest. Niet bewezen is dan ook dat de verdachte het biljet te kwader trouw heeft ontvangen. Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan evenmin volgen dat hij het bankbiljet zelf heeft nagemaakt of vervalst. De omstandigheid dat er slechts één biljet is aangetroffen biedt daarvoor ondersteuning..

4.3.6.

Conclusie

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 5 ten laste gelegde.

4.4.

Bewijswaardering

Feit 2 (dealen in harddrugs):

4.4.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

De verdachte ontkent drugs te hebben verkocht. Verder zijn de verklaringen van de getuigen “ [naam getuige 1] ”, [naam getuige 2] , [naam getuige 3] , [naam getuige 4] en [naam getuige 5] ongeloofwaardig, dan wel onbetrouwbaar en worden deze in ieder geval niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Overigens had er geen enkelvoudige fotoconfrontatie van de getuigen mogen plaatsvinden, waardoor de daarop gebaseerde verklaringen van de getuigen, drugsgebruikers, derhalve eveneens moeten worden uitgesloten van het bewijs.

Voorts is de stemherkenning betreffende de verdachte door de verbalisant onbetrouwbaar en kan deze derhalve niet worden gebezigd voor het bewijs.

Voor het geval de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komt van het onder 2 ten laste gelegde, heeft de raadsman subsidiair gesteld dat het dealen slechts kan worden bewezen vanaf het moment dat de telefoon van de verdachte is getapt.

4.4.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt het volgende vast.

Naar aanleiding van een anonieme melding over criminele activiteiten door de verdachte, waaronder drugshandel, vanuit zijn woning aan de [adres verdachte] te Rotterdam, heeft er een nader onderzoek plaatsgevonden. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat de verdachte de gebruiker is van het telefoonnummer [gsm-nummer] . In de periode van 21 maart 2018 tot en met 17 april 2018 zijn de telefoongesprekken met dit nummer opgenomen en uitgeluisterd en is vastgesteld dat de gesprekken hoofdzakelijk gaan over de handel in verdovende middelen. Voorts is gebleken dat de verdachte, kort nadat er blijkens de getapte telefoongesprekken een afspraak is gemaakt, twee harddrugsgebruikers op straat heeft voorzien van (vermoedelijk) verdovende middelen. Tevens blijkt uit het dossier dat meerdere getuigen de verdachte op een foto hebben herkend als hun dealer, ook wel “ [naam drugsdealer 1] ” genoemd. De getuige [naam getuige 3] heeft op een tweede getoonde foto [naam drugsdealer 2] herkend als de drugsdealer waarmee verdachte samenwerkt. Getuige “ [naam getuige 1] ”, die verdachte ook heeft herkend als de dealer waar zij haar drugs kocht, heeft verklaard al sinds ruim een half jaar bij de verdachte te kopen.

Betrouwbaarheid verklaringen getuigen

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De betreffende getuigen hebben allen een (mede) voor hen zelf belastende verklaring afgelegd door te verklaren dat zij gedurende langere tijd drugs bij een dealer hebben gekocht. Niet valt in te zien waarom zij ook zichzelf in strijd met de waarheid zouden belasten. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen te twijfelen, temeer nu deze in de kern met elkaar overeen komen en een consistent beeld schetsen van de handelwijze van de verdachte (en zijn medeverdachte). Bovendien worden de verklaringen ondersteund door de vele telefoongesprekken die door de verdachte zijn gevoerd en die naar het oordeel van de rechtbank naar hun aard kunnen worden aangemerkt als druggerelateerd, alsmede de waarneming van verbalisant [naam verbalisant 2] op 5 april 2018, waarbij de verdachte werd benaderd door twee harddrugsgebruikers, waarna er vervolgens handelingen werden verricht die duiden op de verkoop van drugs door de verdachte.

Enkelvoudige fotoconfrontatie

Met betrekking tot het verweer dat een enkelvoudige fotoconfrontatie niet had mogen plaatsvinden overweegt de rechtbank als volgt.

Een enkelvoudige fotoconfrontatie kan naar vaste rechtspraak worden uitgevoerd in gevallen waarin een getuige de op de foto getoonde persoon reeds kent. Gelet op het feit dat het hier gaat om het tonen van een foto van een drugsdealer waarvan volgens de betrokkenen meerdere malen drugs is gekocht, kon worden volstaan met het enkel tonen van de foto van de verdachte. De herkenning van de verdachte door meerdere gebruikers zal dan ook voor het bewijs worden gebezigd.

Stemherkenning

Hetgeen door de verdediging met betrekking tot de herkenning van de stem van de verdachte is aangevoerd, vormt geen reden om aan de betrouwbaarheid daarvan te twijfelen. De verbalisant heeft tijdens diverse gesprekken de verdachte zijn eigen naam, geboortedatum en adresgegevens horen noemen. De verdachte heeft daarvoor geen verklaring gegeven en daar bovendien slechts tegenover gesteld dat zijn telefoon door anderen gebruikt zou zijn. Hij heeft vervolgens echter geen enkel inzicht gegeven in de vraag wie dat dan geweest is of zijn. Dit scenario van de verdachte is derhalve niet aannemelijk geworden en wordt door de rechtbank gepasseerd. Ook dit proces-verbaal zal derhalve voor het bewijs worden gebezigd.

Pleegperiode

De getuige “ [naam getuige 1] ” heeft op 2 mei 2018 verklaard dat zij bij “ [naam drugsdealer 1] ”, de persoon die ze op de foto herkent als haar dealer, sinds een half jaar haar drugs kocht. Daarmee staat vast dat deze getuige in de ten laste gelegde periode drugs kocht bij de verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich samen met [naam drugsdealer 2] schuldig heeft gemaakt aan het dealen van verdovende middelen gedurende een periode van bijna vier maanden, zoals ten laste is gelegd.

4.4.3.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

4.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

2.

hij in de periode van 1 januari 2018 tot 24 april 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een of meer handels- en/of gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of - een of meer handels- en/of gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, ;

4.

hij op 24 april 2018 te Rotterdam een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 van categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarm- c.q. startpistool (merk: ROHM, model: RG9, kaliber: 8 millimeter), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

2.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

4.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft samen met een ander harddrugs gedeald gedurende een periode van bijna vier maanden. Uit het dossier blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachte een brede kring van gebruikers op afspraak van harddrugs voorzagen. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de eenvoudige beschikbaarheid van harddrugs en daarmee aan het ontstaan en het in stand blijven van drugsafhankelijkheid bij derden, waardoor hun gezondheid in gevaar is gebracht. Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van en de handel in drugs direct en indirect leidt tot vele vormen van criminaliteit en aldus een bron van overlast voor de samenleving vormt. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en kennelijk uitsluitend gedacht aan zijn eigen financiële gewin.

In de woning van de verdachte is verder een alarmpistool aangetroffen, waarvan is vastgesteld dat het als dreigwapen kan worden gebruikt.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 juni 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarentegen is de verdachte wel eerder veroordeeld ter zake van vermogensdelicten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Op grond van de Landelijke Oriëntatiepunten Vakinhoud Strafrecht (LOVS) wordt voor het dealen in harddrugs gedurende een periode van meer dan drie, doch minder dan zes maanden, als uitgangspunt een gevangenisstraf van acht maanden gehanteerd. Het in vereniging dealen van harddrugs levert bovendien een strafverzwarende omstandigheid op.

Voor het voorhanden hebben van een alarmpistool als het onderhavige geldt als uitgangspunt oplegging van een geldboete.

Mede gelet op voornoemde oriëntatiepunten ziet de rechtbank, ofschoon de verdachte van drie feiten wordt vrijgesproken, geen aanleiding om af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde straf.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 12.806,11 aan materiële schade en een vergoeding van € 600,00 aan immateriële schade. Tevens is verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex. artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot gedeeltelijke toewijzing van het materiële deel van de vordering tot een bedrag van € 5.306,11 en voor het overige tot niet-ontvankelijkverklaring, vanwege onvoldoende onderbouwing van de vordering.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zowel de materiële als de immateriële vordering, primair omdat vrijspraak is bepleit en subsidiair omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

8.3.

Beoordeling

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte betreffende het onder 1 ten laste gelegde geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal deze worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

8.4.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

9 Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 3 februari 2017 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van een poging tot diefstal met braak in vereniging veroordeeld tot een gevangenisstraf van 128 dagen, waarvan een gedeelte groot 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 18 februari 2017. De vordering is tijdig ingediend en het openbaar ministerie is dus ontvankelijk.

9.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

9.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de proeftijd te verlengen.

9.4.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1, 3 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;


gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 30 dagen, van de bij vonnis van 3 februari 2017 (10/711145-16) van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Brand, voorzitter,

en mrs. P. Putters en F.J. Koningsveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Herwijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

1.

Primair

hij op of omstreeks 20 maart 2018 te Rotterdam in/uit een woning, gelegen aan de [adres slachtoffer] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen sleutels en/of een laptop en/of tablet en/of kluis en/of paspoort(en) en/of bankpas(sen) en/of 7.000 euro en/of een of meer sieraden, in elk geval enig(e) goed(eren) en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem,

verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door middel van braak en/of verbreking;

Subsidiair

hij op of omstreeks 24 april 2018 te Rotterdam (een) goed(eren), te weten een ring, heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2018 tot 24 april 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad - een of meer handels- en/of gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaine en/of - een of meer handels- en/of gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende heroine, zijnde cocaine en/of heroine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 24 april 2018 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine en/of ongeveer 2,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroine, zijnde cocaine

en/of heroine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 24 april 2018 te Rotterdam een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 van categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarm- c.q. startpistool (merk: ROHM, model: RG9, kaliber: 8 millimeter), voorhanden heeft gehad; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

5.

hij op of omstreeks 24 april 2018 te Rotterdam, opzettelijk een bankbiljet van 50 euro dat hij, verdachte, zelf heeft nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;