Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7541

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-08-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
10/690139-18 / parketnummers vordering TUL VV: 10/741318-15 en 10/207045-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van het medeplegen van een poging tot diefstal met braak en een diefstal met braak. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/690139-18

Parketnummers vordering TUL VV: 10/741318-15 en 10/207045-17

Datum uitspraak: 17 augustus 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsman mr. M.E. Pennings, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 3 augustus 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, het onder 2 meer subsidiair en onder 3 subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/741318-15;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/207045-17.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak

Feit 1: [adres delict 3]

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich op het volgende. Door aangever [naam slachtoffer 3] is aangifte gedaan van een poging tot diefstal, nadat een ruit van zijn woning bleek te zijn ingegooid met een steen. Op de door aangever aangeleverde camerabeelden zijn drie personen te zien, die zich bewegen rond en in de portiek van de woning. Er wordt gezien dat zij vermoedelijk gebruik maken van een schroevendraaier en een stoeptegel. Door twee verbalisanten wordt de verdachte herkend als één van de betrokken mannen.

4.1.2.

Beoordeling

In het dossier bevinden zich een aangifte, camerabeelden en processen-verbaal van herkenning door verbalisanten. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de kwaliteit van de camerabeelden van dien aard is, dat herkenning aan de hand van specifieke persoonskenmerken niet mogelijk is. De verbalisanten hebben ook niet gerelateerd waaraan zij de verdachte precies hebben herkend. Echter, ook indien zou komen vast te staan dat de verdachte één van de personen is die op de camerabeelden is te zien, kan daaraan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat de poging tot woninginbraak wettig en overtuigend is bewezen. Op die beelden is immers slechts te zien dat de betreffende personen zich in en rond het portiek ophouden, aanbellen en met versnelde pas het portiek verlaten, hetgeen op zichzelf onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. Dat zij mogelijk een schroevendraaier en/of een steen in de hand hebben gehad, wat overigens op de camerabeelden niet goed waarneembaar is, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet hierop is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 ten laste gelegde.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

Feit 2: [adres delict 1]

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

Door de officier van justitie is aangevoerd dat er zich in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevindt om te komen tot een veroordeling voor de primair en subsidiair ten laste gelegde (poging tot) woninginbraak. Gelet op de verklaring van de (anonieme) getuige, de door hem genomen foto en de herkenningen van de verdachte door de verbalisanten is er wel wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de meer subsidiair ten laste gelegde vernieling.

4.2.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde. De verbalisanten
[naam verbalisant 1] , [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 3] hebben de verdachte weliswaar herkend op de door de (anonieme) getuige genomen foto, maar van herkenning aan de hand van specifieke persoonskenmerken is ook in dit geval geen sprake.

De door de getuige gemaakte foto kan ook om een andere reden niet kan worden gebezigd voor het bewijs. De foto zou immers volgens de getuige genomen zijn nadat de ruiten van de woning waren ingegooid. Echter, de personen op de bewuste foto staan in ontspannen houding. Zouden zij de ruiten kort daarvoor hebben ingegooid, zoals door de getuige is verklaard, dan is het onwaarschijnlijk dat zij vervolgens rustig vóór de woning blijven staan. Op de foto is ook niet te zien dat er sprake is van ingegooide ruiten. Voorts is er geen bewijs voor diefstal uit de woning, omdat niet is vastgesteld dat er goederen uit de woning zijn ontvreemd.

4.2.3.

Beoordeling

Uit het dossier volgt dat zich op 8 maart 2018 vier personen hebben opgehouden voor de woning aan de [adres delict 1] te Rotterdam. Door een (anonieme) getuige is verklaard dat deze personen meerdere malen aanbelden of aantikten bij de woning en vervolgens wegliepen. Deze getuige heeft verder waargenomen dat door twee personen stenen door de ruiten van de woning aan de [adres delict 1] zijn gegooid. De getuige heeft een gedetailleerd signalement gegeven van de vier personen en de verdachte past in het signalement van één van die personen. Voorts bevindt zich in het dossier een door de getuige genomen foto van de genoemde vier personen, die zich ophouden voor de woning [adres delict 1] . De verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] hebben op die foto onder andere de verdachte herkend. Bovendien heeft verbalisant [naam verbalisant 3] op die foto de vier personen herkend, waaronder de verdachte, als degenen die hij op 8 maart 2018 – kort na de poging tot woninginbraak – heeft gecontroleerd bij de nabij gelegen ‘ [naam belwinkel] ’.


Met betrekking tot de herkenningen merkt de rechtbank het navolgende op.

Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een persoonsherkenning aan de hand van camerabeelden is onder meer van belang in hoeverre op deze afbeeldingen voldoende, duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Of hiervan sprake is hangt onder meer af van de kwaliteit van de afbeeldingen en de mate van zichtbaarheid van persoonskenmerken op die afbeeldingen. Daarnaast is ook van belang onder welke omstandigheden en met welke frequentie de waarnemer de door hem herkende persoon eerder heeft gezien.

De rechtbank acht de door de getuige genomen foto van voldoende kwaliteit om daarop personen en zekere persoonskenmerken waar te nemen. De rechtbank acht de herkenningen door de verbalisanten [naam verbalisant 1] , [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 3] , in combinatie met de andere bewijsmiddelen, dan ook bruikbaar voor het bewijs. Verbalisanten kennen de verdachte beroepshalve en hebben in de door hen opgemaakte processen-verbaal van bevindingen in voldoende mate inzicht gegeven in de door hen op de foto waargenomen specifieke persoonskenmerken waaraan zij de verdachte herkennen. De omstandigheid dat verbalisant [naam verbalisant 1] in zijn proces-verbaal van herkenning heeft verbaliseerd dat de foto van de getuige is genomen op 12 maart 2018, in plaats van 8 maart 2018 wordt door de rechtbank als een kennelijke verschrijving opgevat.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de verdachte samen met zijn mededaders, kort nadat hij bij de [adres delict 1] is gezien, is gecontroleerd in de nabijgelegen belwinkel ‘ [naam belwinkel] ’. Ter zitting heeft de verdachte bevestigd dat hij één van de personen is die zichtbaar is op de door de verbalisanten in de belwinkel gemaakte foto’s en uit die foto’s blijkt verder dat zowel de verdachte als degenen met wie hij in de belwinkel is gecontroleerd, soortgelijke kleding dragen als de personen die zijn te zien op de door de getuige gemaakte foto.

De rechtbank stelt op basis van het vorenstaande vast dat het de verdachte is geweest die zich op 8 maart 2018 samen met drie anderen heeft opgehouden voor de woning [adres delict 1] en dat de verdachte één van de personen is, die is te zien op de door de getuige genomen foto.

De getuige heeft verklaard dat hij heeft gezien dat één van de betreffende vier jongens constant aanbelde en aantikte. Vervolgens zijn de jongens weggelopen en kwamen zij weer terug. Dit gebeurde een aantal keer. Na het bellen en tikken werd er ook tegen de deur getrapt. Vervolgens liepen de jongens weer weg en kwamen zij even later weer terug, waarna door één van de jongens met een steen de ruit van de deur werd ingegooid. Daarna liep de groep hard weg. Vervolgens kwamen zij weer terug, waarna een andere jongen een steen door het raam gooide. De verdachte voldoet aan het door de getuige gegeven signalement van de jongen die de tweede steen heeft gegooid (blauwe jas en lichte bontkraag).


Op grond van dit samenstel van handelingen is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders, waarbij voor de rechtbank vast staat dat zij de intentie hadden om in de woning in te breken. Nu evenwel niet kan worden vastgesteld dat er goederen uit de woning zijn verdwenen, is geen sprake van een voltooide inbraak, maar wel van een poging daartoe. Gelet op het voorgaande is sprake van een gezamenlijke uitvoering, zodat het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van de poging tot woninginbraak wettig en overtuigend is bewezen.

Met de verdediging stelt de rechtbank vast dat op de foto inderdaad niet is te zien dat er ruiten zijn ingegooid, zodat het er voor moet worden gehouden dat de foto is genomen vóór het ingooien van de ruiten en dat de getuige zich daarin heeft vergist. Dit gegeven maakt evenwel niet dat de rechtbank twijfelt aan de juistheid van hetgeen de getuige heeft verklaard omtrent de handelingen die zijn verricht door de personen die op de foto zijn te zien en de dag waarop de foto is gemaakt.

4.2.4.

Conclusie

Het onder 2 subsidiair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3: [adres delict 2]

4.2.5.

Standpunt officier van justitie

Door de officier van justitie is aangevoerd dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om de verdachte voor de primair ten laste gelegde woninginbraak te veroordelen. Heling kan wel worden bewezen, nu vast staat dat de verdachte een mobiele telefoon (merk: LG), die door aangever is opgegeven als gestolen, heeft verkocht aan de winkel [naam winkel] te Rotterdam.

4.2.6.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 3 primair ten laste gelegde woninginbraak. De verdachte kan evenmin worden veroordeeld ter zake van heling, aangezien hij er, blijkens zijn verklaring bij de rechter-commissaris, alles aan heeft gedaan om de oorsprong van de LG-telefoon te achterhalen.

4.2.7.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat de verdachte een van diefstal uit de woning van aangever afkomstige LG telefoon heeft verkocht aan een winkel in Rotterdam. De verdachte heeft over deze telefoon verklaard dat hij deze van een vriend heeft gekregen, die hij echter niet bij naam wil noemen. De verdachte heeft dan ook geen verifieerbare verklaring gegeven voor het bezit van de betreffende telefoon.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:HR:2010:BK2880) kan aan het enkele voorhanden hebben van gestolen goederen niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat een verdachte bij de diefstal daarvan betrokken is geweest. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn volgens de Hoge Raad de feiten en omstandigheden van het geval van belang. Uit voormeld arrest volgt overigens dat indien een verdachte kort na een diefstal in het bezit is van de gestolen goederen die daarvan afkomstig zijn, het ervoor mag worden gehouden dat de verdachte deze zelf heeft gestolen, tenzij hij voor de aanwezigheid daarvan een aannemelijke verklaring heeft. De rechtbank stelt vast dat blijkens de aangifte van de woninginbraak de LG-telefoon op de late avond van 23 maart 2018 is gestolen. Uit het geraadpleegde opkopersregister volgt dat de verdachte de daaropvolgende dag (24 maart 2018) de telefoon ter verkoop heeft aangeboden. Gelet op de zeer korte tijdspanne tussen de woninginbraak en de verkoop van de telefoon door de verdachte, alsmede in aanmerking nemend dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de wijze waarop hij in het bezit is gekomen van de telefoon, houdt de rechtbank het ervoor dat de verdachte betrokken is geweest bij de woninginbraak en acht zij daarmee het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.2.8.

Conclusie

Bewezen is dat verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde heeft gepleegd.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair en onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

(zaak: [adres delict 1] )

Subsidiair

hij op of omstreeks 8 maart 2018 te Rotterdam uit een woning, gelegen aan de [adres delict 1] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het voornemen om goederen van hun gading of geld, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of

die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door

middel van braak een ruit/raam van voornoemde woning heeft ingegooid, terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid;

3.

Primair

(zaak: [adres delict 2] )

hij op of omstreeks 23 maart 2018 te Rotterdam uit een woning, gelegen aan de [adres delict 2], met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk: LG) toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , zulks nadat hij, verdachte, dat weg te nemen goed onder zijn bereik had gebracht door middel van braak.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

2.

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

3.

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich op 23 maart 2018 schuldig gemaakt aan een woninginbraak. De verdachte heeft hierbij een telefoon van de bewoner ontvreemd. Voorts heeft de verdachte op 8 maart 2018, tezamen met zijn mededaders, gepoogd in te breken in een woning. Woninginbraken en pogingen daartoe veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar betekenen ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners en veroorzaken gevoelens van onveiligheid. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten vaak nog lang geconfronteerd blijven met dergelijke gevoelens, terwijl de woning bij uitstek de plaats is waar men zich veilig zou moeten kunnen voelen. Dergelijke feiten leveren dan ook veel ergernis en overlast op voor de betrokken aangevers en het zorgt in het algemeen voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Reden waarom daartegen met kracht moet worden opgetreden. De verdachte heeft zich aan dit alles niets gelegen laten liggen en heeft kennelijk slechts oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en dat van zijn mededaders.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 juni 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Psycholoog dr. Th. A.M. Deenen, klinisch psycholoog en kinder- en jeugdpsycholoog en

gerechtelijk deskundige, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 18

januari 2018. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in.

Bij de verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, die zich het best laat omschrijven als een licht verstandelijke beperking. Een persoonlijkheidsstoornis is uitgesteld. Er zijn grote zorgen op een aantal leefgebieden: wonen, werken, financiën, dagbesteding, vrienden, justitie en het accepteren van begeleiding. Omdat de verdachte niet wilde verklaren over het destijds ten laste gelegde heeft de psycholoog niet kunnen vaststellen welke mogelijke beweegredenen of motieven de verdachte had bij het plegen van de feiten. In algemene zin kan worden gezegd dat de LVB-problematiek invloed heeft op het functioneren van de verdachte en de keuzes die hij maakt. Hij overziet niet altijd de consequenties van die keuzes. Vanwege de ontkennende houding van de verdachte kon geen uitspraak worden gedaan over de mate van toerekenbaarheid. In het algemeen kan gezegd worden dat de verdachte moeite heeft om situaties adequaat in te schatten. Tevens overziet hij niet altijd de consequenties van handelen voor anderen en voor zichzelf. De verdachte kan baat hebben bij adequate begeleiding en zorg die afgestemd is op zijn LVB-problematiek. Mogelijk dat de verdachte in een traject van Begeleid wonen meer kan leren, zijn vaardigheden kan vergroten en daardoor delictvrij kan functioneren. Hij kan hier zowel begeleiding als bescherming krijgen. Geadviseerd wordt op basis van toepassing van de wegingslijst Adolescentenstrafrecht het volwassenenstrafrecht toe te passen. Er zijn geen indicaties gevonden die een pedagogische beïnvloeding noodzakelijk maken. De opvoeding en scholing zijn afgesloten.

De William Schrikker Groep-Jeugdreclassering (hierna te noemen: JR) heeft een rapportage

negatieve terugmelding over de verdachte opgemaakt, gedateerd 17 januari 2018 (onder de

parketnummers 10/207045-17, 10/741318-15 en 10/700521-16). Uit deze rapportage komt

(voor zover van belang) naar voren dat de situatie rondom de verdachte niet verbetert en dat

hij zijn eigen gang gaat. Er is meerdere keren getracht om de verdachte te motiveren en aan

te geven dat hij zich aan de regels moet houden. Er is ingezet op motivatie, begeleiding,

aanmelden voor dagbesteding, kamertraining, vaardigheden en het laten inzien wat oorzaak

en gevolgen zijn. Echter alle elementen zijn onvoldoende van de grond gekomen, óndanks

de straffen en meerdere waarschuwingen.

Voorts bevindt zich in het dossier een email van reclasseringsmedewerker mevrouw
[naam reclasseringsmedewerkster] aan de officier van justitie van 15 januari 2018, waarin zij – kort gezegd – bevestigt dat zij zich, als begeleider van de verdachte, eigenlijk geen raad meer met hem weet. Zij geeft in deze mail aan dat zij gedurende twee jaar erg veel geduld met hem heeft gehad en dat de verdachte heel veel kansen heeft gehad.

7.4

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht een mogelijk op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet langer te laten duren dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Hiervoor bestaat echter geen aanleiding, gelet op de gebruikelijke strafmaat voor een (poging) woninginbraak, alsmede het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan zoals door de officier van justitie is gevorderd. Mede gelet op de berichtgeving van reclasseringsmedewerker [naam reclasseringsmedewerkster] ziet de rechtbank evenmin aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. Op het schadevergoedingsformulier is geen schadebedrag ingevuld.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde] in zijn geheel niet ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien geen schadebedrag op het schadevergoedingsformulier is ingevuld.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

8.3.

Beoordeling

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu geen schadebedrag is ingevuld en derhalve feitelijk van een vordering geen sprake is.

8.4.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

9 Vorderingen tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd (10/741318-15)

Bij vonnis van 27 oktober 2016 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van vernieling en diefstal (met braak) veroordeeld voor zover van belang tot jeugddetentie van 20 weken , waarvan een gedeelte groot 10 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 11 november 2016. De vordering is tijdig ingediend en het openbaar ministerie is dus ontvankelijk.

9.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel gevorderd met dien verstande dat er reeds een week van het voorwaardelijke strafdeel is uitgezeten en dat er nog negen weken resteren. De opgelegde jeugddetentie dient voorts te worden omgezet in een gevangenisstraf.

9.3.

Standpunt verdediging

Gelet op de bepleite integrale vrijspraak heeft de raadsman verzocht de vordering af te wijzen.

9.4.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van voornoemd vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf. De rechtbank ziet in de feiten en omstandigheden, noch in de persoon van de verdachte, aanleiding om de vordering af te wijzen of om te zetten in een taakstraf. Nu de veroordeelde de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de veroordeelde niet meer in aanmerking komt voor jeugddetentie en dat de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke opgelegde strafdeel dient plaats te vinden in de vorm van gevangenisstraf.

9.5.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd (10/207045-17)

Bij vonnis van 13 februari 2018 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van diefstal met geweld en belediging veroordeeld voor zover van belang tot jeugddetentie voor de duur van 50 dagen, waarvan een gedeelte groot 7 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 28 februari 2018. De vordering is tijdig ingediend en het openbaar ministerie is dus ontvankelijk.

9.6.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel gevorderd. De opgelegde jeugddetentie dient ook hier te worden omgezet in een gevangenisstraf.

9.7.

Standpunt verdediging

Gelet op de bepleite integrale vrijspraak heeft de raadsman verzocht de vordering af te wijzen.

9.8.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van voornoemd vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf. De rechtbank ziet in de feiten en omstandigheden, noch in de persoon van de verdachte, aanleiding om de vordering af te wijzen of om te zetten in een taakstraf. Nu de veroordeelde de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de veroordeelde niet meer in aanmerking komt voor jeugddetentie en dat de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke opgelegde strafdeel dient plaats te vinden in de vorm van gevangenisstraf.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 45, 47, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 subsidiair en onder 3 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 27 oktober 2016 (10/741318-15) van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de (nog resterende) duur van 9 weken, welke straf ten uitvoer zal worden gelegd in de vorm van gevangenisstraf;

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 13 februari 2018 (10/207045-17) van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 7 dagen, welke straf ten uitvoer zal worden gelegd in de vorm van gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Brand, voorzitter,

en mrs. P. Putters en F.J. Koningsveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Herwijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

(zaak: [adres delict 3] )

hij op of omstreeks 19 mei 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voornemen om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres delict 3] weg te nemen geld en/of goederen van zijn, verdachtes, en/of zijn mededaders gading, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te

verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking een ruit, raam van voornoemde woning heeft ingegooid, althans verbroken, terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid;

2.

Primair

(zaak: [adres delict 1] )

hij op of omstreeks 08 maart 2018 te Rotterdam in/uit een woning, gelegen aan de [adres delict 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer kledingstukken en/of een tas en/of koffers, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Subsidiair

hij op of omstreeks 08 maart 2018 te Rotterdam in/uit een woning, gelegen aan de [adres delict 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voornemen om goederen van zijn/hun gading en/of geld, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of

dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door

middel van braak een ruit/raam van voornoemde woning heeft ingegooid, althans verbroken, terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid;

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 08 maart 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruit[en], in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), te weten aan [naam slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3.

Primair

(zaak: [adres delict 2] )

hij op of omstreeks 23 maart 2018 te Rotterdam in/uit een woning, gelegen aan de [adres delict 2] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk: LG) en/of een navigatiesysteem en/of een of meer horloge sen/of sieraden en/of aanstekers en/of een zonnebril, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door middel van braak, verbreking

en/of inklimming;

Subsidiair

hij op of omstreeks 24 maart 2018 te Rotterdam (een) goed(eren), te weten een mobiele telefoon (merk: LG), heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door

enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;