Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7540

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
83/029838-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor bedrieglijke bankbreuk. Hij heeft bij twee ondernemingen, op het moment dat hij wist dat deze failliet zouden gaan, geen administratie bijgehouden en geld onttrokken aan de onderneming waardoor de rechten van de schuldeisers zijn verkort.

Steekwoorden: bedrieglijke bankbreuk, bestuursverbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2018/89
INS-Updates.nl 2018-0279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 83/029838-18

Datum uitspraak: 6 september 2018

Verstek

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 augustus 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.A.M. van den Brand heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder feit 1 en 2, telkens eerste en tweede cumulatief/ alternatief ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden;

  • -

    ontzetting van de uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 2 jaar;

  • -

    het niet geanonimiseerd publiceren van het vonnis van de verdachte op www.rechtspraak.nl.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Feit 1 en 2

De verdachte wordt er, kort gezegd, van verdacht dat hij, samen met medeverdachte [naam medeverdachte] , als (feitelijk) bestuurder van de failliete rechtspersonen [naam rechtspersoon 1] en [naam rechtspersoon 2] . niet heeft voldaan aan de verplichting om een deugdelijke administratie te voeren van deze ondernemingen in de zin van artikelen 2:10 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en 3:15i BW en deze niet over te dragen aan de beide curatoren. Daarnaast wordt hij er van verdacht dat hij goederen heeft onttrokken aan de failliete boedels door voorafgaande aan de faillissementen aan de zakelijke rekeningen van respectievelijk [naam rechtspersoon 1] en [naam rechtspersoon 2] . geld te onttrekken voor privé doeleinden. Dit alles ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers in beide faillissementen. In beide faillissementen tezamen bedroeg de totale schuldenlast meer dan € 700.000,-.

4.1.2.

Ten aanzien van feit 1

Vaststaande feiten

De verdachte heeft samen met medeverdachte [naam medeverdachte] op 4 januari 2012 een vennootschap opgericht genaamd [naam rechtspersoon 1] . Onder de naam [naam vennootschap] heeft deze vennootschap een restaurant uitgebaat. De verdachte is statutair bestuurder geweest van de vennootschap van 4 januari 2012 tot 13 maart 2012 en vanaf 25 augustus 2012 tot aan de datum van het faillissement op 12 maart 2013. De verdachte heeft bij de FIOD verklaard dat hij altijd de feitelijke bestuurder is geweest van de vennootschap en dat hij als zodanig verantwoordelijk was voor de administratie van de onderneming.

Wetenschap van het aanstaande faillissement

Vanaf augustus 2012 is administratiekantoor [naam administratiekantoor] gestopt met het voeren van de loon- en financiële administratie van [naam rechtspersoon 1] , wegens het uitblijven van betalingen op zijn facturen. De verdachte heeft verklaard dat hij sinds de zomer van 2012 in gesprek was met financiers en de gemeente, omdat er financiële problemen ontstonden. Getuige [naam getuige] heeft verder verklaard dat er sinds de zomer van 2012 onbetaald gebleven leveranciers aan de deur van het bedrijf kwamen en dat zij de indruk had dat niemand meer werd betaald. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte in ieder geval vanaf augustus 2012 wist dat er een faillissement voor de vennootschap dreigde en dat deze dreiging is blijven bestaan. Dat dreigende faillissement is uiteindelijk ook gevolgd.

Het niet-voeren van een deugdelijke administratie

Uit zowel het onderzoek van de administratie door de verbalisanten, dit in verband met de aangifte van de curator, als de eigen verklaring van de verdachte volgt dat de verdachte geen deugdelijke administratie aan de curator heeft overhandigd en ook dat hij deze in het geheel niet heeft bijgehouden. Ook na het faillissement heeft de verdachte de boekhouding niet gecompleteerd. In het bijzonder ontbrak de gehele financiële boekhouding van de onderneming en was het op basis van de uitgeleverde stukken niet mogelijk voor de curator om de bezittingen en schulden van de onderneming te bepalen. Daarmee voldeed de administratie niet aan de vereisten als gesteld in de artikelen 2:10 BW en 3:15i BW.

Niet bewezen kan worden dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander deze ondeugdelijke administratie heeft gevoerd. Medeverdachte [naam medeverdachte] was voorafgaande aan het faillissement geen statutair bestuurder (meer) van de vennootschap. De verdachte heeft over de rol van [naam medeverdachte] verder verklaard dat zij zich vooral bezig hield met hoe het restaurant er uitzag. Dat zij feitelijk een bestuurlijke rol in de onderneming had, vindt onvoldoende steun in het dossier. De verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.

Het onttrekken van goederen aan de boedel

In de periode na augustus 2012 zijn van de zakelijke rekening van [naam rechtspersoon 1] de in de tenlastelegging genoemde bedragen afgeschreven ten behoeve van privé-uitgaven van de verdachte en [naam medeverdachte] . Het gaat daarbij om de huur van de privéwoning, de uitgaven ten behoeve van een vakantie, uitgaven bij een sportwinkel en bij een dierenwinkel. Zowel de verdachte als [naam medeverdachte] beschikten over deze bankrekening. De verdachte heeft bij de FIOD verklaard dat er privébetalingen zijn gedaan vanaf de zakelijke rekening.

Opzet verdachte op verkorting rechten schuldeisers

Gelet op het feit dat de onderneming, zoals hiervoor overwogen, vanaf augustus 2012 op een faillissement afstevende en de verdachte hier rekening mee hield, althans had moeten houden, bestond vanaf dat moment (ten minste) de aanmerkelijke kans dat de schuldeisers in het faillissement zouden worden benadeeld door (a) het niet voeren van een deugdelijke administratie; en (b) het onttrekken van gelden aan de onderneming. De curator zou immers als gevolg van de ondeugdelijke administratie niet in staat zijn een overzicht te krijgen van de rechten en plichten van de onderneming, en het actief in de boedel zou lager zijn als gevolg van de onttrekkingen.

Conclusie

Het onder feit 1 ten laste gelegde kan, behoudens het medeplegen bij het eerste cumulatief ten laste gelegde, wettig en overtuigend bewezen worden.

4.1.3.

Ten aanzien van feit 2

Vaststaande feiten

Na het faillissement van [naam rechtspersoon 1] werd op 28 maart 2013 een nieuwe onderneming opgericht, genaamd [naam rechtspersoon 2] . Medeverdachte [naam medeverdachte] werd bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als statutair bestuurder. Onder deze vennootschap werd op 1 juli 2013 een horecagelegenheid gestart met de naam [naam horecagelegenheid] . Op 22 oktober 2013 is het faillissement van deze onderneming uitgesproken.

Medeverdachte [naam medeverdachte] was vanaf de oprichting tot aan het faillissement de statutair bestuurder van [naam rechtspersoon 2] . De verdachte heeft echter verklaard dat zijn werkzaamheden voor [naam rechtspersoon 2] hetzelfde waren als bij [naam rechtspersoon 1] , te weten de dagelijkse leiding en het voeren van de boekhouding. Daarmee was de verdachte feitelijk de bestuurder van de vennootschap met de verantwoordelijkheid voor de administratie.

Wetenschap van het aanstaande faillissement

Het bedrijf [naam horecagelegenheid] is slechts drie weken feitelijk open geweest. De benodigde drank- en horecavergunning is nooit toegekend. Zonder die vergunning was [naam horecagelegenheid] , een horecaonderneming, niet levensvatbaar. De verdachte heeft dit zelf ook verklaard. De verdachte heeft verder verklaard dat slechts die mensen werden betaald die noodzakelijk waren om het bedrijf draaiende te houden.

Gelet op het, vanaf de start van de onderneming, ontbreken van de benodigde horecavergunning en financiële reserves om schuldeisers te kunnen betalen, wist de verdachte van meet af aan dat een faillissement voor de vennootschap dreigde. Dat dreigende faillissement is uiteindelijk ook gevolgd.

Het voeren van een ondeugdelijke administratie

Uit de aangifte van de curator blijkt dat er geen kasadministratie is overhandigd aan de curator. Uit de verklaring van de verdachte blijkt verder dat er ook geen kasadministratie is verwerkt. Contante betalingen en opnames – waaronder salarisbetalingen en privéopnames – waren als gevolg daarvan niet inzichtelijk voor de curator, zodat er geen (volledig) inzicht was in de rechten en verplichtingen van de onderneming. Daarmee voldeed de administratie niet aan de vereisten van artikelen 2:10 BW en 3:15i BW. Ook na het faillissement heeft de verdachte nagelaten de administratie op orde te brengen.

Het onttrekken van goederen aan de boedel

In de periode van 2 juli 2013 tot 22 oktober 2013 is bij geldautomaten en via chipknip € 25.380 contant opgenomen van de zakelijke rekening. Daarnaast is er op 15 oktober 2013 € 318,00 betaald bij de NS en op 16 oktober 2013 € 159,69 bij winkelketens DA en Mooi. De verdachte heeft voor deze opnames en betalingen – en wat er vervolgens met dat geld is gebeurd – geen verifieerbare verklaring gegeven en heeft aangegeven dat dit (deels) in een (privé)rekening-courantverhouding geboekt had moeten worden. Door het ontbreken daarvan is niet vast te stellen wat er met de contante opnames is gebeurd. Uit de kassabonnen die zijn aangeleverd door de verdachte kan, zo verklaart de curator, worden opgemaakt dat de meeste van deze uitgaven een privékarakter hebben.

Opzet verdachte op verkorting rechten schuldeisers

Gelet op het feit dat de onderneming, zoals hiervoor overwogen, al bij de opening op een faillissement afstevende en de verdachte hier rekening mee hield, althans had moeten houden, bestond vanaf dat moment (ten minste) de aanmerkelijke kans dat de schuldeisers in het faillissement zouden worden benadeeld door (a) het niet voeren van een deugdelijke administratie; en (b) het onttrekken van gelden aan de onderneming. De curator zou immers als gevolg van de ondeugdelijke administratie niet in staat zijn een overzicht te krijgen van de rechten en plichten van de onderneming, en het actief in de boedel zou lager zijn als gevolg van de onttrekkingen.

Conclusie

Alles bij elkaar genomen kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2, beide cumulatieven/ alternatieven, ten laste gelegde.

Nu er geen financiële administratie van [naam rechtspersoon 2] . heeft bestaan, heeft de verdachte zich impliciet in de onmogelijkheid gesteld de financiële administratie van [naam rechtspersoon 2] . te bewaren. Wel is er sprake van eendaadse samenloop tussen beide feiten (zie HR 14 februari 1989, DD 89.266).

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en 2, telkens beide cumulatieven/ alternatieven ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1

Hij in de periode van 12 maart 2013 tot en met 31 maart 2014 te Rotterdam als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam rechtspersoon 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam d.d. 12 maart 2013 in staat van faillissement is verklaard, en welke rechtspersoon opereerde onder de naam [naam vennootschap] , ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtspersoon, niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld, immers heeft verdachte ), een zeer beperkte/onvolledige, administratie gevoerd en een zeer beperkte/onvolledige, administratie uitgeleverd/overhandigd en

inlichtingen verschaft aan de in bovengenoemd faillissement aangestelde curator,

immers ontbraken onder andere een (deugdelijke) debiteuren administratie, loonadministratie en/of kasadministratie

en

hij in de periode van 01 augustus 2012 tot en met 12 maart 2013 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam rechtspersoon 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam d.d. 12 maart 2013 in staat van faillissement is verklaard, en welke rechtspersoon restaurant [naam vennootschap] exploiteerde, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtspersoon, op tijdstippen telkens goederen aan de boedel heeft onttrokken immers hebben verdachte en zijn mededader, vanaf de zakelijke rekening [bankrekeningnummer] van voornoemde rechtspersoon veelvuldig, privé-uitgaven gedaan, te weten geldbedragen van in totaal ongeveer

- 4.512 euro ten behoeve van huur van een privéwoning en

- 4.601,50 euro ten behoeve van vakantie en

- 1.778,96 euro ten behoeve van vliegtickets en

- 1.889,34 bij een sportwinkel en

- 852,71 bij een dierenwinkel

2

Hij in de periode van 22 oktober 2013 tot en met 16 april 2014, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam rechtspersoon 2] ., welke rechtspersoon bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam d.d. 22 oktober 2013 in staat van faillissement is verklaard, en welke rechtspersoon [naam horecagelegenheid] exploiteerde, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtspersoon, niet heeft voldaan aan de op hen rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen

bedoeld, immers hebben verdachte en zijn mededader een zeer beperkte/onvolledige, administratie gevoerd en een zeer beperkte/onvolledige, administratie uitgeleverd/overhandigd aan de in bovengenoemd faillissement aangestelde curator, immers ontbrak een (deugdelijke) financiële administratie;

en

hij in de periode van 28 maart 2013 tot en met 22 oktober 2013, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam rechtspersoon 2] ., welke rechtspersoon bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam d.d. 22 oktober 2013 in staat van faillissement is verklaard, en welke rechtspersoon [naam horecagelegenheid] exploiteerde, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtspersoon, telkens goederen aan de boedel heeft onttrokken immers hebben verdachte en zijn mededader, vanaf de zakelijke rekening en uit de kas van voornoemde rechtspersoon veelvuldig privé-uitgaven gedaan, te weten geldbedragen van in totaal ongeveer

- 25.380 euro opnames en pinbetalingen en

- 318 euro ten behoeve van de Nederlandse Spoorwegen en

- 159,69 ten behoeve van winkelketens DA en Mooi.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van feit 1

als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet hebben voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 5, eerste lid van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek, en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld

en

medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet hebben voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld

en

medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf en bijkomende straffen

7.1.

Algemene overweging

De straf en bijkomende straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, al dan niet samen met zijn partner, in zijn hoedanigheid van bestuurder van twee inmiddels failliete vennootschappen, [naam rechtspersoon 1] en [naam rechtspersoon 2] ., nagelaten om een volledige en juiste administratie te voeren. Na de faillissementen heeft verdachte voorts nagelaten om de volledige beschikbare administratie aan de curatoren te overhandigen en is hij zijn wettelijke verplichting om de curator van inlichtingen te voorzien niet nagekomen. Een deel van de administratie van [naam rechtspersoon 1] , dat volgens de verdachte niet bestond, werd nota bene bij de curator aangeleverd door een medewerker van [naam rechtspersoon 1] die daar (heimelijk) een digitale kopie van had gemaakt.

Door verdachtes nalatigheid in het voeren van een administratie heeft hij het vertrouwen geschonden dat nodig is voor een goed functionerend handelsverkeer. Verdachte heeft hiermee blijk gegeven van een lichtzinnige houding ten opzichte van de financiële belangen van de schuldeisers van de vennootschappen. Hij heeft het de curatoren onmogelijk gemaakt om de beide faillissementen op juiste wijze af te wikkelen. De rechtbank weegt daarbij mee dat verdachte, gelet op een eerder faillissement waarover hij zelf verklaart, goed op de hoogte was van de verplichtingen die het zijn van bestuurder van een vennootschap met zich brengt. Dat geldt temeer voor [naam rechtspersoon 2] . de vennootschap die werd opgericht enkele weken nadat het faillissement van [naam rechtspersoon 1] was uitgesproken.

Daarnaast heeft verdachte, samen met zijn partner, grote sommen geld aan de beide ondernemingen onttrokken, berekend op ruim € 300.000,-. Door zijn nalatigheid in het bijhouden van een administratie is niet vast te stellen voor welke bedragen de schuldeisers zijn benadeeld door het handelen van verdachte en zijn partner. De ingediende en voorlopig erkende vorderingen van de crediteuren in de beide faillissementen bedroegen tezamen ruim € 700.000,-. In verhouding bezien tot deze crediteurenlast in de faillissementen gaat het derhalve om een hoog bedrag aan onttrekkingen in een relatief korte periode van het bestaan van de vennootschappen; in het geval van [naam rechtspersoon 2] . was dit zelfs beperkt tot enkele maanden.

Uit het gehele dossier blijkt dat verdachte doelbewust bezig was om zoveel mogelijk geld aan de ondernemingen te onttrekken. Zo nam hij bij [naam rechtspersoon 1] wekelijks het contante geld uit de kassalade van de ondernemingen mee onder de mededeling dit bedrag bij de bank af te storten, zonder daaraan uitvoering te geven. Ook nam verdachte vanaf de zakelijke rekening van [naam rechtspersoon 2] ., zodra er enig bedrag op de rekening gestort werd, direct het maximaal opneembare bedrag op van € 1.000,- per dag, soms zelfs dagelijks.

De rechtbank acht het hoogst kwalijk dat de verdachte en zijn partner als bestuurders tegelijkertijd de personeelsleden die voor de vennootschappen werkzaam waren, (deels) onbetaald lieten. Terwijl zij dure vakanties genoten en flinke geldbedragen uitgaven aan onder meer restaurants en persoonlijke verzorging, ontving hun personeel geen of minimaal inkomen om van rond te komen. Daarnaast lieten verdachte en zijn partner de leveranciers van de ondernemingen onbetaald. Zo wisselden zij regelmatig van leverancier, opdat zij steeds weer van leveringen op krediet gebruik konden maken. Voor zover de leveranciers de hun toekomende betalingen incasseerden, storneerden verdachte en zijn partner deze bedragen simpelweg en creëerden op die manier voor zichzelf extra ruimte voor hun persoonlijke bestedingen.

Voor wat betreft [naam rechtspersoon 2] . heeft voorts te gelden dat de verdachte en zijn partner wisten dat zij de benodigde vergunningen niet zouden verkrijgen, ondanks de keuze van verdachte om vanwege het eerdere faillissement niet zelf als bestuurder ingeschreven te staan. Desondanks startten zij welbewust de onderneming, terwijl zij van tevoren wisten dat deze enkel tot een fiasco kon leiden, de schuldeisers en het personeel onbetaald achterlatend. De verdachte heeft laten zien dat hij enkel zijn eigen financiële belangen voor ogen heeft gehouden. De verdachte heeft daarbij een spoor van faillissementen nagelaten.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van de verdachte. De verdachte is in 2015 in België veroordeeld voor soortgelijke feiten (faillissementsfraude en witwassen).

Gevangenisstraf

De rechtbank is, gelet op de ernst van de feiten en de manier waarop verdachte te werk is gegaan, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op haar plaats is. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van langere duur dan door de officier van justitie is geëist. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, op de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en de hiervoor geschetste ernst van de feiten en de handelwijze van verdachte. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren passend en geboden.

Ontzetting van de uitoefening van het beroep van bestuurder

Daarnaast vindt de rechtbank het aangewezen om personen als verdachte, die in hun beroep het voor een gezond economisch klimaat noodzakelijk vertrouwen ernstig beschamen, uit het handelsverkeer te weren. De rechtbank ontzet verdachte voor de maximale duur van vijf jaar van de uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon, daarbij aansluitend bij de duur van het civielrechtelijke beroepsverbod ingevolge artikel 106a en 106b van de Faillissementswet. Nu de periode van ontzetting al ingaat tijdens de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, bepaalt de rechtbank de duur van ontzetting op zeven jaren.

Openbaarmaking

De rechtbank zal tevens als bijkomende straf de openbaarmaking van dit vonnis gelasten. Hierbij weegt, gelet op aard en de ernst van de bewezen strafbare feiten en de wijze waarop verdachte heeft gehandeld, zoals hiervoor in de strafmotivering weergegeven, mee dat de maatschappij tegen verdachte moet worden beschermd. De openbaarmaking zal dienen te geschieden door middel van publicatie van dit vonnis in niet-geanonimiseerde vorm op www.rechtspraak.nl. Aangezien hiermee geen of verwaarloosbare kosten gemoeid zijn, zal de rechtbank de kosten van openbaarmaking op nihil schatten.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 28, 31, 36, 47, 55, 57, 343 en 349 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder feit 1 en 2, telkens beide cumulatieven/ alternatieven, ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaar;

legt als bijkomende straffen op aan de verdachte:

- ontzetting van de uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 7 (zeven) jaren;

- gelast de openbaarmaking van dit vonnis in niet-geanonimiseerde vorm op www.rechtspraak.nl;

- schat de kosten van het openbaar maken van dit vonnis op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. L. Daum en T.M. Riemens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.J. van der Putte, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 september 2018.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

Hij in de periode van 12 maart 2013 tot en met 31 maart 2014 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam rechtspersoon 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam d.d. 12 maart 2013 in staat van faillissement is verklaard, en welke rechtspersoon opereerde onder de naam [naam vennootschap] , ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtspersoon, niet heeft/hebben voldaan aan de op hem/hen rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid, Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen

bedoeld, immers heeft zij, verdachte en/of zijn mededader(s), een zeer beperkte/onvolledige, administratie gevoerd en/of

een zeer beperkte/onvolledige, administratie uitgeleverd/overhandigd en/of

inlichtingen verschaft aan de in bovengenoemd faillissement aangestelde curator,

immers ontbrak(en) onder andere een (deugdelijke) debiteurenadministratie, loonadministratie en/of kasadministratie

en/of

hij in de periode van 01 augustus 2012 tot en met 12 maart 2013 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging, met een ander, althans alleen, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam rechtspersoon 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam d.d. 12 maart 2013 in staat van faillissement is verklaard, en welke rechtspersoon restaurant [naam vennootschap] exploiteerde, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtspersoon, op een of meer tijdstippen (telkens) een of meer goederen aan de boedel heeft/hebben onttrokken en/of onttrekt/onttrekken, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), vanaf de zakelijke rekening [bankrekeningnummer] van voornoemde rechtspersoon veelvuldig, althans een of meermalen, privé-uitgaven gedaan, te weten een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer

- 4.512 euro ten behoeve van huur van een privéwoning en/of

- 5.134,41 euro ten behoeve van vakantie en/of uitgaven buiten

Nederlands grondgebied en/of

- 1.778,96 euro ten behoeve van vliegtickets en/of

- 1.889,34 bij een sportwinkel en/of

- 852,71 bij een dierenwinkel

2

Hij in de periode van 22 oktober 2013 tot en met 16 april 2014, te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam rechtspersoon 2] ., welke rechtspersoon bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam d.d. 22 oktober 2013 in staat van faillissement is verklaard, en welke rechtspersoon [naam horecagelegenheid] exploiteerde, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtspersoon, niet heeft/hebben voldaan aan de op hem/hen rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid, Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen

bedoeld, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), een zeer beperkte/onvolledige, administratie gevoerd en/of een zeer beperkte/onvolledige, administratie uitgeleverd/overhandigd aan de in bovengenoemd faillissement aangestelde curator, immers ontbrak een (deugdelijke) financiële administratie;

en/of

hij in de periode van 28 maart 2013 tot en met 22 oktober 2013, te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam rechtspersoon 2] ., welke rechtspersoon bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam d.d. 22 oktober 2013 in staat van faillissement is verklaard, en welke rechtspersoon [naam horecagelegenheid] exploiteerde, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtspersoon, (telkens) een of meer goederen aan de boedel heeft/hebben onttrokken en/of onttrekt/onttrekken, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), vanaf de zakelijke rekening en/of uit de kas van voornoemde rechtspersoon veelvuldig, althans een of meermalen, privé-uitgaven gedaan, te weten een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer

- 25.380 euro opnames en pinbetalingen en/of

- 318 euro ten behoeve van de Nederlandse Spoorwegen en/of

- 159,69 ten behoeve van winkelketens DA en Mooi;