Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7490

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
10/700396-17 / VI-nummer: 99/000444-37
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van medeplegen van een poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een wapen met munitie. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar en volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 852 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0741
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/700396-17

VI-nummer: 99/000444-37

Datum uitspraak: 13 juli 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting preventief gedetineerd in PI Rotterdam – locatie Hoogvliet,

raadsman mr. M.M.J. Bos, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 juni 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek van voorarrest;

  • -

    volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 852 dagen, in de zaak met VI-nummer 99/000444-37.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering (feit 1, impliciet primair – medeplegen poging moord)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Inleiding

De verdachte wordt beschuldigd van het medeplegen van poging doodslag, diefstal met geweld dan wel afpersing in vereniging en het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen op 16 augustus 2017.

4.2.2.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank is bij de beoordeling van de tenlastegelegde feiten op basis van het dossier en de behandeling ter zitting van het volgende uitgegaan.

Op woensdag 16 augustus 2017 is in het trappenhuis van een portiek aan de [plaats delict] te Rotterdam een schietpartij was geweest. Bij aankomst trof de politie het zwaargewonde slachtoffer [naam slachtoffer 1] aan. Hij bleek meerdere schotverwondingen te hebben: een doorschot in zijn arm en verwondingen in de torso en in de buik. Er werd een huls aangetroffen waarvan later is vastgesteld dat deze waarschijnlijk is verschoten met een semi-automatisch werkend pistool van het merk FN in het kaliber 7,65 Browning.

Slachtoffer [naam slachtoffer 1] blijkt samen met [naam slachtoffer 2] vanuit België naar Rotterdam te zijn gekomen om (voor € 8.000,-) verdovende middelen te kopen. Zij hebben afgesproken in de Zwart Janstraat te Rotterdam, waar ze zijn opgehaald door twee mannen in een Toyota Yaris (naar later blijkt met het kenteken [kentekennummer] ). De afspraak is gemaakt door [naam slachtoffer 2] met een gebruiker van het telefoonnummer [gsm-nummer 1] . Met deze mannen zijn [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] naar de [plaats delict] gereden, waar de schietpartij heeft plaatsgevonden. Volgens zowel [naam slachtoffer 1] als [naam slachtoffer 2] was de bestuurder van de Toyota Yaris de schutter.

4.2.3.

Standpunt verdediging

De verdachte heeft iedere betrokkenheid bij het ten laste gelegde feit ontkend. Het telefoonnummer [gsm-nummer 1] werd volgens hem door meerdere mensen gebruikt en hij hield zich absoluut niet bezig met de handel in verdovende middelen.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Kort gezegd, heeft de verdediging betoogd dat de verklaringen van de aangevers, alsmede een herkenning door aangever [naam slachtoffer 2] , niet betrouwbaar zijn en dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte op de bewuste datum op de plaats delict is geweest.

4.2.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat voor zover de verdediging bewijsverweren heeft gevoerd, deze worden weerlegd door de bewijsmiddelen. De rechtbank merkt verder het volgende op.

Gebruiker nummer [gsm-nummer 1]

Uit onderzoek naar het telefoonnummer [gsm-nummer 1] is gebleken dat dit nummer bij de politie bekend stond als het nummer waarop de verdachte bereikbaar was. Hij heeft dit namelijk op 4 juli 2017 doorgegeven aan brigadier van politie [naam brigadier] in het kader van hun regelmatige contact wegens verdachtes status als zogenaamde HITTER. Via het voornoemde telefoonnummer heeft [naam brigadier] per WhatsApp op 15 augustus 2017 een afspraak gemaakt om de verdachte te bezoeken.

Op 23 augustus 2017 heeft [naam brigadier] wederom via het telefoonnummer [gsm-nummer 1] contact proberen te leggen. Dit lukt echter niet (meer). Naar later blijkt is dat telefoonnummer vanaf 16 augustus 2017 17.43 uur niet meer in gebruik en heeft de verdachte op 17 augustus 2017 een nieuw nummer ( [gsm-nummer 2] ) aan de reclassering doorgegeven.

Door de verdachte is verklaard dat het nummer [gsm-nummer 1] weliswaar een nummer was dat hij gebruikte (het betrof een leentelefoon die hij had gekregen na zijn detentie), maar dat hij de telefoon met dit telefoonnummer veelvuldig uitleende aan kennissen of familie. De verdachte heeft verklaard dat het heel goed zou kunnen dat de hij de telefoon met dit nummer op 16 augustus 2017 ook heeft uitgeleend. Op nadere vragen door de rechtbank wanneer en aan wie de verdachte deze telefoon precies uitleende heeft de verdachte geen antwoord willen geven.

Uit de historische gegevens van het nummer [gsm-nummer 1] blijkt dat het nummer op

16 augustus 2017 in de vroege ochtend (03.09 uur) en om 08.41 uur een zendmast aan de Zwaanshals aanstraalde. De verdachte is op 23 oktober 2017 om 06.00 uur aangehouden op de [adres 1] , de woning van de vriendin van de verdachte waar hij eerder verbleven heeft. Deze woning ligt op slechts een paar honderd meter afstand van de Zwaanshals.

Op 16 augustus 2017 vanaf 12.06 uur straalde dezelfde telefoon een zendmast aan op de [adres 2] . De telefoon straalde hier enkele malen aan. Dit is in de buurt van de voetbalclub [naam voetbalclub] , waar de verdachte voetbalt en zijn dagbesteding heeft. Daarna straalde de telefoon om 16.01 uur de Botreep te Hoogvliet aan. De Botreep ligt op korte afstand van de woning van de verdachte aan de [adres verdachte] , waar hij in ieder geval vanaf 15.00 uur aanwezig was in verband met de afspraak met [naam brigadier] .

De historische verkeersgegevens van het telefoonnummer laten op 16 augustus 2017 een patroon zien dat naadloos past in het dagelijkse leven van de verdachte. Op grond hiervan is er geen enkele reden te veronderstellen dat een ander dan de verdachte die dag gebruik maakte van het telefoonnummer.

Gelet hierop en bij gebreke van enige verifieerbare verklaring van de verdachte over de vraag wanneer en aan wie hij zijn telefoon op 16 augustus 2017 heeft uitgeleend, gaat de rechtbank voorbij aan verdachtes verklaring dat hij uitgerekend op 16 augustus 2017 zijn telefoon met dit nummer had uitgeleend. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat het de verdachte was die op 16 augustus 2017 gebruik maakte van dit telefoonnummer.

En bij gebreke van enige andere redelijke verklaring gaat de rechtbank er dus ook van uit dat het de verdachte is geweest die met gebruikmaking van dit nummer de afspraak heeft gemaakt met [naam slachtoffer 2] met betrekking tot de verkoop van verdovende middelen aan [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] .

De overtuiging dat de afspraak op 16 augustus 2017 betrekking had op de verkoop van verdovende middelen ontleent de rechtbank ook aan het volgende: de verdachte heeft weliswaar ter zitting stellig ontkend zich met de handel in verdovende middelen bezig te houden, maar uit getapte gesprekken van 12 en 13 september 2017 op het door de verdachte op 17 augustus 2017 doorgegeven nieuwe telefoonnummer [gsm-nummer 2] (waarbij de stem van de verdachte is herkend) blijkt dat door hem wordt gesproken over de handel in verdovende middelen. Dit brengt met zich dat de rechtbank de verklaringen van [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] op dit punt betrouwbaar acht en ook bruikbaar voor het bewijs.

Aanwezigheid in de Toyota Yaris

Nu het de verdachte is geweest die de afspraak met [naam slachtoffer 2] heeft gemaakt, ligt het voor de hand te veronderstellen dat de verdachte één van de mannen in de Toyota Yaris was. Deze gedachte wordt gestaafd door een aantal feiten en omstandigheden.

Zo kan worden vastgesteld dat de verdachte betrokken was bij het ophalen van de gehuurde Toyota Yaris ( [kentekennummer] ) op 15 augustus 2017. De getuige [naam getuige] , op wiens naam deze auto is gehuurd, heeft dit verklaard. Bovendien kan uit getapte gesprekken worden afgeleid dat de verdachte zich bezig houdt met de vraag wie de schade aan de auto moet gaan betalen. Een andere betrokkene bij deze gehuurde auto is de medeverdachte [naam medeverdachte] . Hij is geobserveerd als hij op 22 augustus 2017 de auto weer overdraagt aan [naam getuige] en hij is degene met wie de verdachte op 22 augustus 2017 een telefoongesprek voert over de vraag wie voor de schade moet opdraaien (terwijl door het verhuurbedrijf is bevestigd dat er daadwerkelijk schade aan de Toyota Yaris was). In dit telefoongesprek wordt door [naam medeverdachte] -in versluierd taalgebruik- ook gesproken over dat hij naar binnen ging schieten en dat hij een fout heeft gemaakt.

Vergelijking van de historische gegevens van het telefoonnummer dat aan [naam medeverdachte] toebehoort en de ARS gegevens van de Toyota Yaris heeft opgeleverd dat de telefoon van [naam medeverdachte] op 16 augustus 2017 voorafgaand aan het schietincident dezelfde route heeft afgelegd als de Toyota Yaris.

De signalementen die door zowel [naam slachtoffer 1] als door [naam slachtoffer 2] van de mannen in de Toyota Yaris worden gegeven passen naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bijrijder bij het signalement van de verdachte. Aangever [naam slachtoffer 1] heeft de bijrijder van de Yaris omschreven als een man met een donkere huid. Deze persoon had iets roods in zijn trui of

t-shirt (op de schouders) en verder droeg de bijrijder volgens [naam slachtoffer 1] gouden, vierkante oorbellen. [naam slachtoffer 1] verklaart ook dat de bijrijder kleding van de voetbalclub Paris Saint Germain droeg. Verbalisant [naam brigadier] heeft verklaard dat, toen hij de verdachte op 16 augustus 2017 bezocht, de verdachte vierkante oorbellen droeg. Voorts is gebleken dat de verdachte de beschikking had over diverse Paris Saint Germain kledingstukken.

[naam slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij de jongen met het Paris Saint Germain al kende, omdat hij meerdere keren in Rotterdam is geweest en hij de verdachte bij die eerdere gelegenheden had ontmoet. De verdachte is degene geweest met wie hij de afspraak heeft gemaakt om te worden opgehaald in de Zwart Janstraat. Als [naam slachtoffer 2] tijdens een verhoor van 9 oktober 2017 een foto van de verdachte wordt getoond, zegt hij hem voor 1000% te herkennen als zijnde de bijrijder. Volgens [naam slachtoffer 2] is de man op de foto degene die heeft gezegd “schieten, schieten!”.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ook op dit punt de verklaringen van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] , alsmede de herkenning door [naam slachtoffer 2] van de verdachte op

9 oktober 2017 wel betrouwbaar zijn en dat deze voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Aanwezigheid en rol bij schietincident

Op basis van het voorafgaande heeft de rechtbank vastgesteld dat het de verdachte is geweest die op 16 augustus 2017 de afspraak met [naam slachtoffer 2] heeft gemaakt, dat de verdachte en zijn mededader samen met [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] van Rotterdam Noord (Zwart Janstraat) naar Rotterdam Zuid ( [plaats delict] ) zijn gereden om aan [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] verdovende middelen ter verkopen. Uit de verklaring van [naam slachtoffer 2] blijkt voorts dat eenmaal aangekomen in het portiek van de [plaats delict] door de verdachte en de medeverdachten gevraagd werd naar geld, waarvan men wist dat [naam slachtoffer 1] dat bij zich had om de verdovende middelen te kunnen betalen. Toen [naam slachtoffer 1] dit geld niet direct overhandigde pakte de verdachte hem volgens [naam slachtoffer 2] van achteren vast, riep “schieten, schieten” en heeft de medeverdachte vervolgens geschoten op [naam slachtoffer 1] , waarbij hij is geraakt.

[naam slachtoffer 1] heeft ter zitting verklaard een groot deel van het geldbedrag dat hij bij zich droeg

(te weten het bedrag van € 8.000,-) te zijn kwijt geraakt. De verklaring van [naam slachtoffer 2] acht de rechtbank ook op dit punt betrouwbaar, nu hetgeen hij verklaart te hebben waargenomen past bij de waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten die ter plaatse komen en [naam slachtoffer 1] gewond in het portiek aantreffen. Daar komt bij dat [naam slachtoffer 2] al in zijn allereerste contact met de verbalisanten aangeeft dat sprake is geweest van een ripdeal.

4.2.5.

Conclusie

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in samenhang met de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen, is de conclusie van de rechtbank dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan: het medeplegen van een poging doodslag (feit 1), afpersing in vereniging (feit 2) en het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie (feit 3).

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 16 augustus 2017 te Rotterdam tezamen en in verenging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] van het leven te beroven, met een vuurwapen kogel(s) heeft afgevuurd in het lichaam van die [naam slachtoffer 1] en/of een of meer kogel(s) heeft afgevuurd naar/in de richting van die [naam slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 16 augustus 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, geheel of ten dele toebehorende aan die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tonen en/of voorhouden van een vuurwapen en

- op dreigende toon toevoegen van de woorden: "Ga zitten, ga zitten" en

"Geld, geld", althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking

- die [naam slachtoffer 1] (met kracht) vastpakken bij de nek, het lichaam van die [naam slachtoffer 1] en

- met dat vuurwapen meermalen, althans eenmaal schieten op die [naam slachtoffer 1] ;

3.

hij op 16 augustus 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, een

wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° en/of Categorie II onder 2° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3° van die wet in de vorm van een pistool en munitie van categorie II en/of III, te weten één of meer kogelpatro(o)n(en), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de bewezenverklaring van het eerste feit merkt de rechtbank nog op dat de rechtbank weliswaar niet beschikt over medische stukken die betrekking hebben op het letsel van het slachtoffer [naam slachtoffer 1] , maar dat op grond van hetgeen hiervoor onder 4.2.2 is overwogen zij tot het oordeel komt dat bij het slachtoffer sprake moet zijn geweest van potentieel levensbedreigend letsel.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van poging tot doodslag

2.

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

3.

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door in een portiek midden in een woonwijk, met een vuurwapen te schieten op het slachtoffer. Het betrof een zogenaamde ripdeal. Na het slachtoffer te hebben geïntimideerd en gedwongen tot afgifte van geld is hij neergeschoten. Als gevolg van dit incident heeft het slachtoffer ernstig letsel opgelopen. Voorts leert de ervaring dat de slachtoffers van dergelijke delicten nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hen is overkomen. Dit blijkt ook uit de verklaring van het slachtoffer.

Dergelijk gewelddadig optreden, midden in een woonwijk, is niet alleen levensbedreigend en angstaanjagend voor de slachtoffers, maar ook schokkend voor omwonenden en getuigen van het incident. Op het moment waarop de feiten gepleegd zijn, rond 18.00 uur op een zomeravond, was het nog licht en er waren dus veel mensen op straat, onder wie ook kinderen. Uit het dossier blijk ook dat een aantal kinderen getuige is geweest van dit incident. Dit handelen brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de samenleving met zich en versterkt het gevoel van onveiligheid.

Gelet op het voornoemde heeft de verdachte zich bovendien schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Ook het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en het gebruik daarvan zorgt voor gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving.

Het zeer gewelddadige karakter van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten laat zien dat hij er niet voor terugschrikt om al dan niet samen met anderen zwaar geweld tegen andere mensen te gebruiken. De verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om de gevolgen voor het slachtoffer en heeft alleen oog gehad voor zijn eigen geldelijke gewin.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 juni 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd

12 januari 2018. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Volgens de reclassering liep de verdachte ten tijde van de delictplegingen sinds drie maanden in een Penitentiair Programma met alle denkbare beschermende maatregelen.

De reclassering rapporteert dat het plegen van strafbare feiten is gestart vanaf zijn 18de levensjaar nadat de verdachte zijn voetbalcarrière niet heeft doorgezet. De reclassering vermeldt dat er toen al zorgen bestonden om het gewelddadige karakter van zijn delictplegingen, de ontkennende houding van de verdachte en de preoccupatie met een professionele voetbalcarrière. De verdachte hield zich echter wel aan alle afspraken van het Penitentiair Programma en maakte bovendien carrière in de voetbalwereld. Daarnaast werd hij intensief ondersteund door zijn vrienden en familie.

Volgens de reclassering is de aanhouding van de verdachte in het kader van onderhavige feiten gekomen als een donderslag bij heldere hemel. Mede gelet op het feit dat vanuit het netwerk berichten kwamen dat de verdachte zo veranderd was. Ook een behandeling bij de Waag leek aanvankelijk niet meer nodig.

De reclassering werpt de vraag op in hoeverre de verdachte bij machte is geweest om voldoende afstand te houden van het milieu waarbinnen de strafbare feiten hebben plaatsgevonden. Met betrekking tot het recidive risico merkt de reclassering op dat zij een zorgwekkend patroon signaleren voor wat betreft het plegen van feiten, (kort) nadat hij in vrijheid is gesteld.

De reclassering adviseert om bij een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte al meerdere malen is veroordeeld voor soortgelijke ernstige, zeer gewelddadige feiten en dat de feiten relatief kort nadat hij voorwaardelijk in vrijheid is gesteld, zijn gepleegd. De verdachte trekt zich kennelijk niets aan van eerdere veroordelingen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.500.000,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien deze op geen enkele wijze is onderbouwd.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de vordering af te wijzen in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair is verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien een redelijke onderbouwing ontbreekt.

8.3.

Beoordeling

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.4.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

9 Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

9.1.

Beslissing waarvan herroeping wordt gevorderd

Bij arrest van 24 december 2013 van het Gerechtshof Den Haag is de verdachte veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 7 jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdachte is op 8 oktober 2016 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de hierbij gestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De proeftijd is ingegaan op 8 oktober 2016 en bedraagt 852 dagen.

9.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie vordert volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 852 dagen. Ondanks meerdere veroordelingen is de verdachte wederom voor een zelfde soort feit aangehouden. Volgens de officier van justitie bestaan er geen bijzondere omstandigheden die zouden maken dat slechts gedeeltelijke herroeping zou moeten plaatsvinden.

9.3

Standpunt verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering dient te worden afgewezen.

9.4

Beoordeling

Door het plegen van de bewezenverklaarde feiten heeft de verdachte de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden algemene voorwaarde niet nageleefd.

Daarom zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toewijzen en gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel, te weten 852 dagen, moet worden ondergaan.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 45, 47, 57, 289, 317 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


verklaart de benadeelde partij, [naam benadeelde] , niet-ontvankelijk in de vordering;

wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;

gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, groot 852 dagen, alsnog moet worden ondergaan.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.H.J. Stemker Köster, voorzitter,

en mrs. C. Laukens en W.L. van der Bijl-de Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Herwijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 16 augustus 2017 te Rotterdam tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogel(s) heeft afgevuurd in de arm, althans het lichaam van die [naam slachtoffer 1] en/of een of meer kogel(s) heeft afgevuurd naar/in de richting van die [naam slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 16 augustus 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 2] en/of die [naam slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

hij op of omstreeks 16 augustus 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het - tonen en/of voorhouden van een vuurwapen en/of - op dreigende toon toevoegen van de woorden: "Ga zitten, ga zitten" en/of

"Geld, geld", althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking - die [naam slachtoffer 1] (met kracht) vastpakken/grijpen bij de nek/keel, althans van het lichaam van die [naam slachtoffer 1] en/of - voelen over de kleding van die [naam slachtoffer 1] en/of die [naam slachtoffer 2] en/of - met dat vuurwapen meermalen, althans eenmaal schieten op die [naam slachtoffer 1] ;

3.

hij op of omstreeks 16 augustus 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (of meer) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° en/of Categorie II onder 2° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3° van die wet in de vorm van een pistool en/of munitie van categorie II en/of III, te weten één of meer kogelpatro(o)n(en), voorhanden heeft gehad; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;