Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7487

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
06-09-2018
Zaaknummer
10/217757-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van de Opiumwet in verband met betrokkenheid bij drugslaboratorium bij op vakantiepark. Partiële vrijspraak voor het voorhanden hebben van een wapen. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/217757-17

Datum uitspraak: 13 juli 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

ten tijde van het onderzoek preventief gedetineerd in PI Ter Apel,

raadsman mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 juni 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H. van Wijk heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Inleiding (vaststaande feiten)

Op 30 oktober 2017 heeft de politie – naar aanleiding van een melding van de parkbeheerder over de mogelijke aanwezigheid van een drugslaboratorium – een onderzoek ingesteld in een huisje aan de [adres delict] op het vakantiepark [naam vakantiepark] te Oostvoorne. Bij dit onderzoek is een inwerking zijnd drugslaboratorium (naar later blijkt gaat het om een zogenaamde cocaïnewasserij) aangetroffen. Dit vakantiehuisje is in gebruik bij de medeverdachte [naam medeverdachte 1] . In het vakantiehuisje is bij de doorzoeking een groot aantal tonnen, vaten en jerrycans alsmede overige materialen, zoals een pers, liters chemicaliën, versnijdingsmiddelen en verdovende middelen aangetroffen. In en rondom het vakantiehuisje hing een penetrante chemische lucht.

De verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 2] bevonden zich op het moment dat de politie arriveerde binnen in het vakantiehuisje. De medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] bevonden zich buiten, in de nabijheid van het vakantiehuisje, op het moment dat ze werden aangehouden.

4.2.2

Standpunt verdediging

De verdachte heeft bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting - kort gezegd - verklaard dat hij naar het vakantiehuisje is gebracht om wat bij te verdienen. Nadat hij daar was aangekomen, is degene die hem heeft afgezet volgens de verdachte niet meer teruggekomen en was hij volgens eigen zeggen verder in afwachting van de terugkeer van deze persoon. Als doel van zijn reis naar Nederland heeft de verdachte op de zitting verklaard dat hij hier als zakenman inspiratie kwam op doen. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat [voornaam medeverdachte 2] (de medeverdachte [naam medeverdachte 2] ) hem op de luchthaven heeft opgehaald bij aankomst in Nederland. Voorts heeft de verdachte ter zitting verklaard dat hij één nacht in het vakantiehuisje verbleven heeft en dat hij ook Nederlanders in het huisje heeft gezien, maar dat hij hier verder geen contact mee heeft gehad. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij er op de laatste dag achter gekomen is dat er cocaïne in het vakantiehuisje gemaakt werd. Ter zitting heeft de verdachte ontkend dit gezegd dit hebben en wijt hij de volgens hem foutieve weergave van deze verklaring bij de politie aan een misverstand met de tolk.

De verdediging heeft (gedeeltelijke) vrijspraak van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten bepleit. Volgens de verdediging dient de verdachte te worden vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde hoeveelheid omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld welk materiaal waar precies is gevonden. Bovendien lijkt een deel van de verdovende middelen zowel door het NFI als door het LFO te zijn getest. Tot slot ontbreekt een deskundigenrapport van het NFI met betrekking tot het chemisch proces dat zou hebben plaatsgevonden. De LFO-rapportage is niet opgesteld door een deskundige en kan daarom niet voor het bewijs worden gebezigd.

4.3.1

Beoordeling

Zoals hiervoor reeds is overwogen, bevond zich op 30 oktober 2017 in een vakantiehuisje aan de [adres delict] op het [naam vakantiepark] , een in werking zijnd drugslaboratorium.

Er is naar de aangetroffen materialen onderzoek gedaan door het LFO en door het NFI. De door de politie aangetroffen middelen ten aanzien waarvan het vermoeden bestond dat dit verdovende middelen betrof, zijn bemonsterd en naar het NFI gestuurd. De kennisgevingen van inbeslagname zijn ter zitting door de officier van justitie overgelegd. De rest van de materialen zijn bij de ontmanteling van het laboratorium door het LFO onderzocht.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze door de officier van justitie ter zitting toegelichte gang van zaken te twijfelen. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding het onderzoek van het LFO van het bewijs uit te sluiten. Dit betreft immers een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van een verbalisant en kan als zodanig voor het bewijs worden gebezigd. Nergens wordt gesteld of gepretendeerd dat de opsteller van dit proces-verbaal een deskundige, ingeschreven in het deskundigenregister, is of dat het door hem opgemaakte proces-verbaal heeft te gelden als een deskundigenrapport.

Uit onderzoeken van het NFI en het LFO is komen vast te staan dat de aangetroffen chemicaliën, afvalstoffen, producten en apparatuur zijn terug te voeren tot een proces van terugwinnen van cocaïne uit dragermateriaal en het verwerken van de aldus verkregen cocaïne en het persen daarvan in blokken. Uit de onderzoeken van het NFI en het LFO is voorts gebleken dat diverse genomen monsters cocaïne bevatten. Dat er sprake is geweest van een in werking zijnde zogenaamde cocaïnewasserij staat volgens de rechtbank, gelet op alle overige aangetroffen goederen, buiten iedere twijfel vast.

Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen wordt vastgesteld dat de verdachte zich op de dag van zijn aanhouding in het vakantiehuisje bevond, waar een in werking zijnd drugslaboratorium was ingericht.

De verklaring van de verdachte ter zitting dat hij slechts in het vakantiehuisje aanwezig was om te gaan werken (hij noemt verhuiswerkzaamheden), dat hij niet wist wat er gaande was en dat hij daar in afwachting was van een niet nader genoemd persoon, wordt door de rechtbank als ongeloofwaardig beoordeeld. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Als gezegd heeft de verdachte bij de politie verklaard op te hoogte te zijn geweest van het feit dat er drugs werden bewerkt in het vakantiehuisje. Dit kan ook nauwelijks anders gelet op de inrichting van het kleine huisje en de geur die daar hing. De rechtbank hecht dan ook geen geloof aan zijn verklaring ter terechtzitting dat hij hier niet van af wist en dat zijn verklaring mogelijk als gevolg van een misverstand met de tolk foutief in het verhoor bij de politie is weergegeven.

Dat de verdachte in het vakantiehuisje aanwezig was en daar wel degelijk handelingen verrichtte die op de verwerking van cocaïne waren gericht wordt bovendien bevestigd door de medeverdachte [naam medeverdachte 2] . Hij heeft bij de politie verklaard dat er naast twee Nederlandse mannen een Spaanssprekende man in het vakantiehuisje aanwezig is geweest. [naam medeverdachte 2] verklaart dat de Spaanse persoon aan het mengen was en dat deze persoon zou hebben begrepen wat de Nederlandse mannen tegen elkaar zeiden. Gelet op deze verklaring staat het volgens de rechtbank vast dat de Spaanssprekende man waarover [naam medeverdachte 2] spreekt, de verdachte betreft.

Dit past ook bij de bevindingen naar aanleiding van het sporenonderzoek. Hieruit blijkt dat op weggegooide plastic handschoenen DNA sporen van de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 2] zijn aangetroffen en dat op de plastic zak die over de drukpers zat, dactyloscopische sporen van de verdachte zijn aangetroffen. Ook deze sporen passen bij betrokkenheid van de verdachte bij het proces dat gaande was in het vakantiehuisje.

De rechtbank overweegt met betrekking tot haar overtuiging tot slot nog als volgt. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in het vakantiehuisje op het moment van de politie inval ongeveer 10 kilo cocaïne aanwezig was. Een dergelijke hoeveelheid cocaïne heeft een waarde van tussen een kwart en een half miljoen euro. Het is niet voorstelbaar dat een persoon of een organisatie verdovende middelen met een dergelijke waarde ongericht op transport zet zonder dat ten minste is nagedacht waar, bij wie en door wie de cocaïne uit het dragermateriaal wordt teruggewonnen. De rechtbank acht het volstrekt onwaarschijnlijk dat de verdachte door een hem onbekende naar deze plek zou worden gebracht, zonder wetenschap van en betrokkenheid bij hetgeen daar gaande was.

4.3.2

Conclusie

Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte actief betrokken is geweest bij de aangetroffen cocaïnewasserij en nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt en derhalve zal de verdachte worden veroordeeld ter zake van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 01 oktober 2017 tot en met 30 oktober 2017 te Oostvoorne, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op 30 oktober 2017 te Oostvoorne, tezamen en in

vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk, bereiden, bewerken, verwerken, van een of meer (grote) hoeveelheden cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen 1277,1 gram Levamisol en/of 278,6 gram Calcium, althans een of meer (grote) hoeveelheden versnijdingsmiddelen en/of chemicaliën, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van die feit(en).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

3.

medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft samen met zijn mededaders in een huisje op een vakantiepark een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne bewerkt. De verdachte heeft door zijn betrokkenheid bij deze cocaïnewasserij een rol gehad in het voorbereiden van de verspreiding van verdovende middelen. Het is algemeen bekend dat deze verdovende middelen, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. Daarnaast is het gebruik ervan, onder andere door de daarmee gepaard gaande criminaliteit, bezwarend voor de samenleving. Bovendien hebben meerdere personen een zeer groot gevaar gelopen, omdat de cocaïnewasserij zich in een vakantiehuisje op een vakantiepark bevond en er een grote hoeveelheid zeer brandbare chemicaliën aanwezig was. De verdachte heeft zich kennelijk slechts laten leiden door geldelijk gewin, lijkt uitsluitend naar Nederland te zijn gekomen om hier een graantje van mee te pikken, en is daarbij voorbijgegaan aan alle gevaren die met deze praktijken gepaard gaan. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 juni 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Met name de gevaarzetting voor de omgeving weegt hierbij zwaar mee. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om een onderscheid te maken in de verschillende rollen die de verdachte en zijn mededaders gehad hebben en zal alle verdachten een gelijke straf opleggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C. Laukens, voorzitter,

en mrs. W.H.J. Stemker Köster en W.L. van der Bijl-de Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Herwijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2017 tot en met 30 oktober 2017 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 12,268 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (art. 2 B/C/D jo 10 Opiumwet)

2.

hij op of omstreeks 30 oktober 2017 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk/type: Zastava 99, kaliber: 9 mm), en/of (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III, te weten 12 kogelpatronen (kaliber: 9 mm), voorhanden heeft gehad; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3

hij op of omstreeks 30 oktober 2017 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van een of meer (grote) hoeveelheden cocaine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen 1277,1 gram Levamisol en/of 278,6 gram Calcium, althans een of meer (grote) hoeveelheden versnijdingsmiddelen en/of chemicalieen, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).