Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7469

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
13-12-2018
Zaaknummer
ROT 18/1660
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2021:1105, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ingebrekestelling prematuur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 18/1660

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2018 in de zaak tussen

[Naam eiseres] , te Hellevoetsluis, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis, verweerder,

gemachtigde: mr. S. Yavuzyiǧitoǧlu.

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de ingebrekestelling van 13 oktober 2017 afgewezen.

Bij besluit van 6 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2018. Eiseres is met kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 30 mei 2017 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor vergoeding van griffierechten ten bedrage van € 510,00. Bij besluit van 17 juli 2017, verzonden op 18 juli 2017, heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiseres heeft op 22 augustus 2017 per e-mail bezwaar gemaakt (dit stuk bevindt zich niet in het dossier van de rechtbank). Op diezelfde datum heeft haar toenmalige gemachtigde, mr. P. Hoogenraad, een voorlopig bezwaarschrift ingediend en daarbij verzocht om toezending van de stukken en om een termijn voor aanvulling van de gronden. Bij brieven van 30 augustus 2017 heeft de secretaris van de commissie voor de bezwaarschriften (de secretaris) de ontvangst van de bezwaarschriften aan de gemachtigde en aan eiseres bevestigd. Bij brief van 19 september 2017 heeft de secretaris de stukken aan de gemachtigde doen toekomen en hem een termijn van vier weken verleend voor aanvulling van de gronden. Bij brief van 13 oktober 2017 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld. De gemachtigde heeft per fax van 17 oktober 2017 de gronden aangevuld. Bij brief van 24 oktober 2017 heeft de secretaris de ontvangst van de gronden bevestigd en de gemachtigde meegedeeld dat de behandeling van het bezwaarschrift wordt overgedragen aan de commissie voor de bezwaarschriften. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen.

2. Verweerder heeft bij besluit van 19 januari 2018 het besluit van 17 juli 2017 herzien en aan eiseres alsnog de door haar gevraagde bijzondere bijstand toegekend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 17 juli 2017 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Verweerder heeft het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard, omdat de ingebrekestelling prematuur was.

3. Eiseres voert aan dat de bezwaartermijn eindigde op 12 oktober 2017. Zij mocht er op basis van het aanwijzingsbesluit vanuit gaan dat de ambtelijke commissie op het bezwaar zou beslissen en dat er geen sprake was van een commissie als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook was er volgens eiseres geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres verwezen naar de uitspraak met het zaaknummer 17/501.

4.1

Op grond van artikel 4:17 van de Awb verbeurt het bestuursorgaan indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

4.2

Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld - binnen twaalf weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

Op grond van het tweede lid wordt de termijn opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Op grond van het vijfde lid doet het bestuursorgaan schriftelijk mededeling aan de belanghebbende indien toepassing is gegeven aan het tweede lid.

Op grond van artikel 7:13, tweede lid, van de Awb deelt het bestuursorgaan, indien een commissie over het bezwaar zal adviseren, dit zo spoedig mogelijk aan de indiener van het bezwaarschrift mede.

4.3

Op grond van artikel 3 van de Bijlage bij het Aanwijzingsbesluit categorieën van bezwaarschriften waarbij ambtelijk kan worden gehoord, Hellevoetsluis 2015 (aanwijzingsbesluit), behoren bezwaarschriften in het kader van de Bijzondere Bijstand tot de categorie bezwaarschriften waarbij ambtelijk kan worden gehoord.

4.4

Het primaire besluit van 17 juli 2017 is op 18 juli 2017 verzonden, zodat de bezwaartermijn op 29 augustus 2017 is geëindigd en de beslistermijn op 30 augustus 2017 een aanvang heeft genomen.

4.5

Verweerder heeft eiseres niet zo spoedig mogelijk meegedeeld dat een adviescommissie zou worden ingeschakeld om over het bezwaar te adviseren. Dat de ontvangstbevestiging van 30 augustus 2017 en de brief van 19 september 2017 door de secretaris zijn verstuurd, betekent niet dat sprake was van een mededeling in de zin van artikel 7:13, tweede lid, van de Awb. Eerst bij brief van 24 oktober 2017 is expliciet

meegedeeld dat de behandeling van het bezwaarschrift wordt overgedragen aan de bezwaarschriftencommissie. Deze mededeling is echter niet zo spoedig mogelijk na ontvangst van het bezwaarschrift gedaan. Eiseres mocht er daarom, mede gelet op het aanwijzingsbesluit, vanuit gaan dat de beslistermijn zes weken bedroeg.

4.6

Anders dan in de het beroep in zaaknummer ROT 17/501, waarnaar eiseres verwijst, bevatte het voorlopig bezwaarschrift van 22 augustus 2017 niet de gronden van het bezwaar. Er is dus niet voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Verweerder heeft daarom met toepassing van artikel 7:10, tweede lid, van de Awb de beslistermijn mogen opschorten.

4.7

Bij brief van 19 september 2017 is de beslistermijn opgeschort tot de ontvangst van de aanvullende gronden of totdat een termijn van vier weken is verstreken, dus tot 17 oktober 2017. De aanvullende gronden zijn op 17 oktober 2017 ontvangen. De beslistermijn is daarom met vier weken verlengd tot 11 november 2017. Deze was dan ook op 13 oktober 2017 nog niet verstreken.

4.8

Uit het voorgaande volgt dat de ingebrekestelling prematuur was. Verweerder heeft dus geen dwangsom verbeurd.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.P. Meijer, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 6 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.