Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7347

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
13-12-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2009
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pw. Maatregel 100% één maand, einde arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 18/2009

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2018 in de zaak tussen

[Naam eiseres] , te Schiedam, eiseres,

gemachtigde: mr. J.F. Cheung,

en

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, verweerder,

gemachtigde: mr. W.A. de Vreij

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 november 2017 een maatregel opgelegd ter hoogte van 100% gedurende één maand.

Bij besluit van 14 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiseres ontvangt sinds 6 maart 2013 aanvullende bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op 15 mei 2017 is eisers in dienst getreden bij YooTeam B.V.
(YooTeam) in de functie van ‘Helpende’ op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van negen maanden. YooTeam is een uitzendbureau in onder meer particuliere beveiliging, interieurreiniging en schoonmaakdiensten. Eiseres is vanuit YooTeam gedetacheerd bij [stichting] ( [stichting] ) om de verzorging van en de huishoudelijke werkzaamheden voor cliënten te verrichten.

1.2

Op 26 juli 2017 heeft YooTeam een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. Ter zitting van 19 september 2017 bij de kantonrechter hebben YooTeam en eiseres een regeling getroffen, waarbij onder meer is afgesproken dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd per 7 juli 2017.

1.3

Bij brief van 3 augustus 2017 heeft verweerder kenbaar gemaakt voornemens te zijn eiseres een maatregel op te leggen en heeft hij eiseres in de gelegenheid gesteld haar zienswijze naar voren te brengen.

Op 28 augustus 2017 heeft in dit kader een gesprek met eiseres plaatsgevonden.

Bij het primaire besluit heeft verweerder eiseres met ingang van 1 november 2017 een maatregel opgelegd ter hoogte van 100% gedurende één maand.

2. Met het bestreden besluit handhaaft verweerder het primaire besluit. Aan de maatregel legt verweerder ten grondslag dat eiseres door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden.

3. Eiseres stel zich op het standpunt dat zij de verplichting algemeen geaccepteerde arbeid te behouden niet heeft geschonden. Eiseres heeft nooit de intentie gehad de arbeidsovereenkomst te laten eindigen, het was YooTeam die de arbeidsovereenkomst niet langer wenste voort te zetten en de kantonrechter verzocht heeft de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Deze beroepsgrond faalt.

4.1

Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw, voor zover hier van belang, is de belanghebbende verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden.

Artikel 18, vierde lid, aanhef en onder a, van de Pw, bepaalt dat het college in ieder geval de bijstand verlaagt overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichting tot het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.

Artikel 18, vijfde lid van de Pw bepaalt voor zover hier van belang, dat het college de bijstand met 100% verlaagt voor een bij de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, vastgestelde periode van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vierde lid niet nakomt.

Artikel 18, tiende lid, van de Pw, bepaalt dat het college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemt op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.

Op grond van artikel 9 van de Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Schiedam (de Maatregelenverordening) bedraagt de maatregel 100 procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw niet of onvoldoende nakomt.

4.2

Uit het dossier blijkt dat eiseres een tweetal e-mails heeft gestuurd naar [stichting] . Op 6 juli 2017 heeft zij [stichting] aangegeven: “Ik kan jullie telefonisch niet bereiken, op mijn mail reageren jullie niet. Dus zo wil ik niet voor jullie werken….” Eiseres sluit het bericht af met de opmerking dat [stichting] haar contract niet hoeft te verlengen.

Bij e-mailbericht van 7 juli 2017 is door [stichting] aan eiseres bevestigd dat eiseres telefonisch haar ontslag per heden, 7 juli 2017, heeft doorgegeven en dat [stichting] daarmee akkoord is en eiseres heeft gevraagd geen contact meer op te nemen met de cliënten.

Bij e-mailbericht van 14 juli 2017 heeft eiseres aan [stichting] bevestigd dat tijdens een telefoongesprek op 7 juli 2017 onderling is besproken dat zij haar dienstverband niet zal voortzetten bij [stichting] . Eiseres geeft verder aan dat zij momenteel nog in haar proeftijd zit en graag haar dienstverband wil afsluiten (rb: beëindigen).

Uit het dossier blijkt voorts dat YooTeam bij e-mailbericht van 20 juli 2017 aan eiseres heeft bevestigd - als reactie op een eerder bericht van eiseres - akkoord te gaan met de opzegging van eiseres van haar arbeidsovereenkomst met YooTeam. In hetzelfde bericht wijst YooTeam eiseres op de nog in acht te nemen opzegtermijn van één maand en heeft YooTeam eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 21 juli 2017.

YooTeam heeft vervolgens op 21 juli 2017 aan eiseres een e-mailbericht gestuurd waarin zij - onder meer - aangeeft dat eiseres niet is verschenen op de afspraak en dat eiseres wegens het overtreden van in de arbeidsovereenkomst neergelegde afspraken (schending van artikel 10 geheimhoudingsplicht en artikel 13 nevenwerkzaamheden) tot op dat moment reeds boetes ten bedrage van in totaal € 5.250,- verschuldigd is en dat dit bedrag zal wijzigen zolang de overtredingen voortduren.

4.3

Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden.

[stichting] heeft de verklaring van eiseres op 7 juli 2017 als opzegging mogen opvatten, nu eiseres haar verklaring van 7 juli 2017 op 14 juli 2017 nogmaals heeft bevestigd door aan te geven haar arbeidsovereenkomst niet te willen laten voortduren. De bevestigingen die [stichting] op beide berichten heeft verstuurd, heeft eiseres niet weersproken.

Evenmin heeft eiseres weersproken dat ook YooTeam, als reactie op een eerdere mededeling van eiseres, op 20 juli 2017 heeft bevestigd akkoord te gaan met de opzegging van eiseres van haar arbeidsovereenkomst met YooTeam. Aan eiseres kan voorts verweten worden dat zij niet is verschenen is op het gesprek op 21 juli 2017 en dat zij niet gereageerd heeft op YooTeams e-mailbericht van 20 juli 2017.
Het vorenstaande betekent dat eiseres in ieder geval tot driemaal toe heeft aangegeven haar arbeidsovereenkomst met YooTeam te willen beëindigen Aldus heeft eiseres door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden. Dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst uiteindelijk door YooTeam is ingediend bij de rechtbank, sector Kanton, en dat de arbeidsovereenkomst vervolgens is beëindigd met wederzijds goedvinden met ingang van 7 juli 2017 leidt niet tot een ander oordeel. De wijze waarop een dienstverband in juridische zin eindigt is niet leidend voor het antwoord op de vraag of een bijstandsgerechtigde de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a van de Pw neergelegde verplichting heeft geschonden.

5. Gelet op het voorgaande en gelezen het bepaalde in artikel 18, vierde en vijfde lid van de Pw, was verweerder gehouden eiseres minimaal een maatregel van 100% gedurende één maand op te leggen. Het verwijt aan eiseres dat zij door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden betekent dat sprake is van het volledig niet nakomen van een geüniformeerde verplichting. Ook al zou de Maatregelverordening een bepaling hebben die (deels) verbindende kracht mist, dan nog dient verweerder, als er een van de verplichtingen in artikel 18 lid 4 van de Pw is geschonden, de bijstand overeenkomstig dat artikel af te stemmen. Dit brengt met zich dat de rechtbank niet meer toekomt aan bespreking van het standpunt van eiseres dat de gemeenteraad haar verordenende bevoegdheid te buiten is gegaan door te bepalen dat ook bij het onvoldoende nakomen van de verplichting genoemd in artikel 18, aanhef, vierde lid en onder a van de Pw, de op te leggen maatregel 100% gedurende één maand bedraagt.

6. Eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van dringende redenen die een matiging van de opgelegde maatregel rechtvaardigen. Anders dan in algemene zin op te merken dat zij financiële problemen heeft gekregen en dat zij de zorg draagt voor haar veertienjarige dochter heeft eiseres haar standpunt niet nader onderbouwd. Eiseres heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank het bestaan van bijzondere omstandigheden niet aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.C. Correa, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 6 september 2018.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.