Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7320

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
10/810646-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak moord, bewezenverklaring doodslag. De rechtbank acht de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging. Ondanks het advies van de deskundigen om de verdachte, een Turkse man zonder geldige verblijfsstatus in Nederland, te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis, legt de rechtbank de TBS-maatregel met voorwaarden op, nu deze maatregel naar het oordeel van de rechtbank een betere bescherming biedt van de maatschappij dan de geadviseerde maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. De voorgestelde behandeling van plaatsing in een psychiatrische kliniek zal in het kader van de TBS met voorwaarden plaatsvinden. (Gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0717
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/810646-16

Datum uitspraak: 5 september 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Forensisch Psychiatrische Kliniek Inforsa te Amsterdam,

raadsman mr. J.C. Spigt, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 16 mei, 11 juli en 22 augustus 2018.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Boender heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van de primair ten laste gelegde moord;

  • -

    bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde doodslag;

  • -

    op de zitting van 16 mei 2018: plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van (maximaal) één jaar;

  • -

    op de zitting van 22 augustus 2018, na heropening van het onderzoek: ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege.

Waardering van het bewijs

Beoordeling

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de primair ten laste gelegde moord niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

De subsidiair ten laste gelegde doodslag is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 15 december 2016 te Vlaardingen opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, die [naam slachtoffer] met een mes, links in de borst gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

doodslag

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Standpunt officier van justitie en verdediging

Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat het feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend en dat hij daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Rapportages

Kennis is genomen van de volgende rapportages:

  • -

    het Pro Justitia rapport van R. Bout (GZ-psycholoog) van 21 maart 2017;

  • -

    het Pro Justitia rapport van drs. K.H. Stolk, kinder- en jeugdpsychiater

(supervisant), en drs. G.J. Gunnewijk, kinder- en jeugdpsychiater (supervisor) van

28 maart 2017;

- het Pro Justitia rapport na observatie in het PBC van J. Vreugdenhil (psychiater) en

F.M. van Dorp (GZ-psycholoog) van 6 april 2018.

Alle gedragsdeskundigen concluderen dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van

de geestvermogens in de zin van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere

psychotische stoornis. Gezien het ontwrichtende effect dat de tablet(ten) met MDMA

had(den), was er tevens sprake van een ongespecificeerde hallucinogeen gerelateerde

stoornis. Ook was er sprake van een ernstige stoornis in cannabisgebruik. De deskundigen

concluderen dat hiervan tevens sprake was ten tijde van het ten laste gelegde. De verdachte

zou hebben gehandeld vanuit de psychotische overtuiging dat het slachtoffer hem wilde

doden. De verdachte dient volgens alle deskundigen als volledig ontoerekeningsvatbaar te

worden beschouwd.

Beoordeling

Nu de conclusies van de psychiaters en psychologen gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, worden deze conclusies overgenomen. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van waaruit hij heeft gehandeld. De verdachte wordt daarom volledig ontoerekeningsvatbaar geacht.

Conclusie

De verdachte is, gegeven de volledige ontoerekeningsvatbaarheid, niet strafbaar en zal ontslagen worden van alle rechtsvervolging.

Motivering van de maatregel

Inleiding

De verdachte heeft de 28-jarige [naam slachtoffer] van het leven beroofd door hem met een mes in de borst te steken. Nu dit feit de verdachte niet wordt toegerekend, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld welke afdoening in de zin van een maatregel passend en geboden is en het meest recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte.

Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 juli 2018 en uit een brief van de Turkse autoriteiten van 22 februari 2018 blijkt dat de verdachte in Nederland, noch in Turkije eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Op de zitting van 22 augustus 2018 heeft de officier van justitie medegedeeld dat het de bedoeling is om de verdachte zo spoedig mogelijk te repatriëren naar Turkije.

Rapportages

In het tussenvonnis van 30 mei 2018 is het volgende overwogen.

De deskundigen Vreugdenhil en Van Dorp achten het risico op een recidief psychotische decompensatie (en daarmee in het geval van de verdachte ook het risico op een recidief geweldsdelict) hoog, omdat de verdachte ondanks langdurige behandeling binnen een prikkelarme en gestructureerde, hem niet overvragende setting met hoge doseringen passende medicatie zonder middelengebruik nog steeds psychotisch kwetsbaar is en al bij vrij geringe spanning weer psychotische verschijnselen laat zien. De verdachte zal langdurig (en mogelijk levenslang) medicatie moeten blijven gebruiken en abstinent moeten blijven van cannabis om een terugval in een psychose te voorkomen. Wat voor de verdachte spreekt is zijn ziektebesef, zijn medicatietrouw en het sociale netwerk dat hij (in Turkije) heeft dat hem kan opvangen.

Alle deskundigen adviseren plaatsing van de verdachte in een psychiatrische kliniek voor de

duur van één jaar en wel in een (Forensisch) Psychiatrische Kliniek. Volgens Vreugdenhil en

Van Dorp zijn er geen aanwijzingen voor een complicerende persoonlijkheidsstoornis die

een langer durende behandeling middels een TBS met dwangverpleging noodzakelijk zou

maken. De reclassering heeft in haar rapportage te kennen gegeven in te stemmen met het

advies van de gedragsdeskundigen.

Uit de Pro Justitia rapportages blijkt evenwel dat medicatiegebruik en abstinent blijven van

cannabis door de verdachte van wezenlijk belang is om de (hoge) recidivekans te

verminderen. Uit de rapportages kan ook worden opgemaakt dat de verdachte op enig

moment in de psychiatrische kliniek waar hij verbleef ook toegang had tot cannabis, deze

gebruikte, en vervolgens een (psychotische) terugval had. Daar komt bij dat de verdachte

een Turkse onderdaan is en dat de gedragsdeskundigen aangeven dat het van belang is om in

de tijd dat de verdachte nog in Nederland behandeld wordt toe te werken naar het

overdragen van de behandeling aan een passende instelling in (de buurt van) zijn

woonplaats [woonplaats verdachte] in Turkije. Gedragsdeskundige Stolk komt tot de conclusie dat TBS

niet geïndiceerd is, omdat de verdachte in zijn eigen omgeving, in Turkije, beter zal kunnen

resocialiseren met behulp van zijn familie en ambulante (psychiatrische) begeleiding.

Alle eerder genoemde deskundigen adviseren plaatsing van de verdachte in een psychiatrische kliniek in het kader van een maatregel als bedoeld in artikel 37 van het wetboek van Strafrecht. De officier van justitie en de verdediging kwamen op de zitting van 16 mei 2018 tot dezelfde conclusie.

In het tussenvonnis is - kort samengevat - verder overwogen dat psychotische decompensatie van de verdachte zeer grote risico’s met zich brengt waarbij dodelijke slachtoffers niet zijn uit te sluiten en dat een maatregel van TBS met voorwaarden mogelijk een betere bescherming biedt voor de Nederlandse (en Turkse) maatschappij. Om die reden is in het tussenvonnis de opdracht gegeven om door de reclassering nader te worden ingelicht omtrent een mogelijke invulling van een maatregel van TBS met voorwaarden.

De reclassering heeft in een rapportage van 1 augustus 2018 negatief geadviseerd over oplegging van TBS met voorwaarden en daarmee niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank om onderzoeken welke voorwaarden in dit hele specifieke geval bij een TBS met voorwaarden zouden kunnen worden opgesteld. Op nader verzoek van de rechtbank zijn bij e-mail van de officier van justitie van 20 augustus 2018 van de reclassering voorwaarden ontvangen. Daarbij is steeds aangegeven dat deze (zeer) lastig zijn uit te voeren. Dit betrof evenwel (grotendeels) andere voorwaarden dan door de rechtbank voorgesteld in het tussenvonnis van 30 mei 2018.

Standpunt officier van justitie en verdediging

Op de zitting van 22 augustus 2018 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot het opleggen van de maatregel van TBS met dwangverpleging. Dit is volgens haar bij nader inzien de enige maatregel die alle twijfels wegneemt omtrent de mogelijke risico’s die kleven aan de overgang van de verdachte van de psychiatrische kliniek naar het traject van zijn repatriëring naar Turkije. Door de maatregel van TBS met dwangverpleging op te leggen komt de verdachte (voorafgaande aan zijn repatriëring) niet onbegeleid en/of ongecontroleerd op vrije voeten en worden de eventuele risico’s ingeperkt.

De verdediging heeft op de zitting 22 augustus 2018 primair bepleit dat de verdachte zonder oplegging van een maatregel in vrijheid moet worden gesteld. De verdachte zal dan in vreemdelingenbewaring terecht komen en worden uitgewezen naar Turkije. Subsidiair heeft de verdediging plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis bepleit.

Beoordeling

Aan de verdachte zal een TBS met voorwaarden worden opgelegd. Deze maatregel biedt

een betere bescherming van de maatschappij dan de geadviseerde maatregel van plaatsing in

een psychiatrisch ziekenhuis, omdat daaraan de voorwaarde kan worden verbonden dat de

verdachte zich gedurende de tijd dat hij op vrije voeten is en (nog) in Nederland verblijft zal

laten controleren op zijn middelengebruik en medicatietrouw. Hiermee geeft de maatregel

de nodige veiligheidsgaranties bij de risico’s die kleven aan de overgang van de

verdachte van de psychiatrische kliniek naar het traject van zijn repatriëring naar Turkije.

Voor de - uiteindelijk - door de officier van justitie geëiste TBS met bevel tot verpleging

van overheidswege is daarom ook geen noodzaak. Daarbij moet worden benadrukt dat dit

door geen enkele deskundige is geadviseerd.

De door de deskundigen voorgestelde behandeling van de verdachte in een psychiatrische

kliniek kan ook in het kader van de TBS met voorwaarden plaatsvinden.

Op de zitting van 22 augustus 2018 heeft de verdachte zich niet negatief uitgelaten over de voorwaarden die aan de TBS zullen worden gekoppeld. Mevrouw [naam reclasseringsmedewerkster] van de reclassering heeft deze voorwaarden op diezelfde zitting niet als onmogelijk of onuitvoerbaar bestempeld. Ook heeft zij verklaard dat de verdachte in de kliniek waar hij nu zit niet kan worden behandeld, omdat daar geen Turks sprekende deskundigen zijn. In het Centrum voor Transculturele Psychiatrie (CTP) Veldzicht zijn er wel Turks sprekende deskundigen. Daarnaast is de kans groter dat de verdachte vanuit CTP Veldzicht direct kan worden gerepatrieerd naar Turkije dan vanuit een andere kliniek. Naar het oordeel van de rechtbank is het daarom in het belang van de verdachte dat hij in het kader van de voorwaarden zal worden geplaatst in CTP Veldzicht, of een soortgelijke kliniek.

Ten slotte wordt nog opgemerkt dat aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan. Het bewezen verklaarde feit betreft immers een misdrijf als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1, Sr. Daarnaast eist de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen de terbeschikkingstelling van de verdachte. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van het bewezen verklaarde feit en het gevaar voor herhaling, zoals hiervoor uiteengezet. Daarbij wordt aangesloten bij de conclusies van de genoemde deskundigen.

Alles afwegend acht de rechtbank de maatregel van TBS met de hierna te noemen voorwaarden passend en geboden.

Vorderingen benadeelde partijen/schadevergoedingsmaatregelen

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd:

  • -

    [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] (ouders van het slachtoffer)

  • -

    [naam benadeelde 3] (zwager van het slachtoffer)

  • -

    [naam benadeelde 4] (de vriendin van het slachtoffer)

Beoordeling

[naam benadeelde 1] , [naam benadeelde 2] en [naam benadeelde 3]

De door [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] gevorderde kosten ad € 1.215,98 bestaan uit kosten voor de grafsteen van het slachtoffer. De overgelegde factuur voor de grafsteen is op naam van [naam benadeelde 1] .

De door [naam benadeelde 3] gevorderde kosten ad € 7.650,-- bestaan uit kosten voor de begrafenis van het slachtoffer in Turkije (€ 3.700,--) en kosten voor vliegtickets van Nederland naar Turkije voor nabestaanden om aanwezig te kunnen zijn bij die begrafenis (€ 3.950,--). Uit de overgelegde stukken volgt dat [naam benadeelde 3] deze kosten heeft gedragen.

Deze vorderingen zijn door de verdediging niet betwist.

Deze kosten worden aangemerkt als kosten van lijkbezorging, in de zin van artikel 6:108 BW, en komen voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 51f, lid 2, Sv. Het betreffen kosten die - gelet op de Turkse achtergrond van het slachtoffer - naar hun aard als gebruikelijk zijn te beschouwen en in rechtstreeks verband staan met de begrafenis van het slachtoffer.

De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze zal worden toegewezen met ingang van de datum waarop de schade is ontstaan. Gelet op de overgelegde facturen is dat 15 augustus 2017 voor de vordering van [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] , en 19 december 2016 voor de vordering van [naam benadeelde 3] .

Naast de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partijen zal tevens de maatregel als bedoeld in artikel 36 Sr worden opgelegd.

Ten aanzien van de vordering van [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] merkt de rechtbank nog op dat deze schade is gevorderd als voorschot op de totale schade. Het is evenwel een misverstand dat de strafrechter de schadevergoeding als voorschot kan toewijzen. Slechts de voorzieningenrechter wijst bedragen bij wijze van voorschot toe.

[naam benadeelde 4]

De door [naam benadeelde 4] gevorderde schade betreft:

  1. Reiskosten € 159,64

  2. Verlies aan arbeidsvermogen € 1.251,60

  3. Behoefte aan huishoudelijke hulp € 3.640,00

  4. Smartengeld (shockschade) € 30.000,00

De door [naam benadeelde 4] gevorderde reiskosten zijn voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Deze zullen daarom worden toegewezen.

[naam benadeelde 4] zal niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover haar vordering betrekking heeft op de gevorderde schadeposten ‘verlies aan arbeidsvermogen’ en ‘huishoudelijke hulp’. Deze schade staat in een te ver verwijderd verband staat tot het strafbare feit, nu [naam benadeelde 4] daarvan zelf niet het directe slachtoffer was. Er is daarom geen sprake van rechtstreekse schade als gevolg van het strafbare feit, in de zin van artikel 51f, lid 1, Sv.

Ook ten aanzien het van het deel van de vordering dat betrekking heeft op shockschade zal [naam benadeelde 4] niet-ontvankelijk worden verklaard. [naam benadeelde 4] was geen getuige van de doodslag, maar is (uit eigen beweging) naar de plaats van het ongeval toegegaan en heeft daar bloed gezien op de deur van de winkel waar het slachtoffer binnen lag. Onder andere kan niet eenvoudig worden vastgesteld of dit voldoende is om te spreken van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het strafbare feit (ECLI:NL:HR:2016:2201) en een nadere beoordeling van dit deel van de vordering vormt een onevenredige belasting van het strafproces. [naam benadeelde 4] kan zich daartoe tot de civiele rechter wenden.

Gelet op het voorgaande zal de door [naam benadeelde 4] gevorderde schade worden toegewezen voor een bedrag van € 159,64. De daarover gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen per de datum van dit vonnis, 5 september 2018, nu niet van alle afzonderlijke reiskosten kan worden vastgesteld wanneer deze zijn gemaakt.

Naast de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij zal tevens de maatregel als bedoeld in artikel 36 Sr worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 38, 38a en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de primair ten laste gelegde moord heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de subsidiair ten laste gelegde doodslag, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

stelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde:

  1. de ter beschikking gestelde verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of biedt een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan;

  2. de ter beschikking gestelde onthoudt zich van het gebruik van verdovende middelen;

  3. de ter beschikking gestelde zal meewerken aan de plaatsing in een psychiatrische kliniek, te weten het Centrum voor Transculturele Psychiatrie (CTP) Veldzicht, of een soortgelijke intramurale instelling, voor de duur van maximaal één jaar, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de behandeling aldaar door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

  4. de ter beschikking gestelde zal aansluitend aan zijn plaatsing in een psychiatrische kliniek meewerken aan ambulante behandeling om zijn middelengebruik en medicatietrouw te controleren zolang dat nodig wordt geacht door de behandelend arts en dit voor de duur van de periode dat de verdachte (nog) niet gerepatrieerd is naar Turkije;

  5. de ter beschikking gestelde zal zich, nadat hij naar Turkije is gerepatrieerd, bij een terugkeer naar Nederland, direct melden bij de daartoe aangewezen autoriteiten teneinde (opnieuw) invulling te geven aan de voorwaarden bij de TBS, die op dat moment zullen herleven;

geeft aan GGZ Reclassering Inforsa opdracht de terbeschikkinggestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 1.215,98 (zegge: twaalfhonderd en vijftien euro en negenentachtig cent), te vermeerderen met wettelijke rente hierover vanaf 15 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, en wijst af het meer of anders gevorderde;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting om aan de staat ten behoeve van de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] te betalen € 1.215,98 (zegge: twaalfhonderd en vijftien euro en negenentachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van dit bedrag een vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 22 (tweeëntwintig) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] , te betalen een bedrag van € 7.650,00 (zegge: zevenduizend zeshonderd en vijftig euro), te vermeerderen met wettelijke hierover vanaf 19 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting om aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen € 7.650,00 (zegge: zevenduizend zeshonderd en vijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van dit bedrag een vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 73 (drieënzeventig) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 4] , te betalen een bedrag van € 159,64 (zegge: honderd negenenvijftig euro en vierenzestig euro), te vermeerderen met wettelijke hierover vanaf 5 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet- ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting om aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] te betalen € 159,64 (zegge: honderd negenenvijftig euro en vierenzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van dit bedrag een vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 (drie) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. L. Daum en W.L. van der Bijl-de Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. D.W.A. Sonneveld-de Raad en F.M.H. van Mullekom, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 september 2018.

De griffiers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 15 december 2016 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s), al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, in ieder

geval opzettelijk, die [naam slachtoffer] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, (links) in de borst gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.