Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7291

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
03-09-2018
Zaaknummer
10/750368-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling schuldheling en schuldwitwassen.

Gezien de substantiële bedragen die de verdachte van haar moeder ontving en de financiële situatie waarin haar moeder zich bevond, had de verdachte zich moeten realiseren dat deze vermoedelijk geen legale herkomst hadden. De verdachte heeft geen nader onderzoek gedaan naar de herkomst en daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. Dit wordt niet anders door het feit dat de verdachte en haar broer sinds jongs af aan werden verwend door hun moeder.

Straf: 3 maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, dit vanwege de gevolgen die het strafbare feit en de vervolging voor de verdachte hebben gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0178
NJFS 2019/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/750368-17

Datum uitspraak: 30 augustus 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. F.A. Dudok van Heel, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 augustus 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. Th. H. Slieker heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen en schuldheling en heeft daartoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd. De moeder van de verdachte heeft in de jaren 2012 tot en met 2016 grote sommen geld verduisterd bij Stichting [naam stichting] . Daarvan zijn substantiële bedragen ten goede gekomen aan de verdachte. De verdachte was weliswaar niet bekend met de criminele herkomst van dit geld, maar had dit wel redelijkerwijs moeten vermoeden. Zij wist dat zij substantiële bedragen ontving van haar moeder, in de vorm van overboekingen, contante stortingen, contante bedragen en dure cadeaus. De inkomsten van de moeder waren onvoldoende om deze uitgaven te doen, zeker als rekening wordt gehouden met de kosten van haar eigen levensonderhoud en die van haar man (die sinds 2007 geen of nauwelijks inkomsten had). Onder deze omstandigheden hadden er alarmbellen af moeten gaan en rustte op de verdachte een onderzoeksplicht waarbij zij zich af moest vragen hoe het mogelijk was dat haar moeder dit alles kon betalen.

4.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat zij niet redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de geldbedragen en/of de voorwerpen die zij ontving uit enig misdrijf afkomstig waren. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte ervan uitging dat haar moeder een goed betaalde directiefunctie had bij Stichting [naam stichting] , dat zij bij haar vorige werkgever [naam bank] regelmatig bonussen had gehad en daar is vertrokken met een substantiële vertrekpremie en dat haar moeder in het verleden een erfenis had gehad en zij financieel bijzonder goed onderlegd was. Om al deze redenen heeft de verdachte nooit getwijfeld aan het feit dat zij door haar moeder in financieel opzicht werd gesteund. De verdachte en haar broer werden van jongs af aan verwend door hun moeder en dat was niet anders voor en na 2012. De verdachte heeft zich nooit beziggehouden met haar bankzaken, haar moeder had een machtiging voor de rekeningen en regelde de bankzaken. Er was geen enkele reden om wantrouwen te hebben en de gang van haar moeder te controleren. Ook anderen dan de verdachte hebben nooit enige argwaan gehad. Het door het openbaar ministerie vermeende redelijke vermoeden van de verdachte en haar broer lijkt te zijn gebaseerd op de aanname dat zij precies op de hoogte waren van de financiële positie van hun moeder. De stelling van het openbaar ministerie dat er alarmbellen moesten gaan rinkelen toen zij van hun moeder meer ontvingen dan op grond van haar inkomen en vermogen mogelijk was, is te eenzijdig en gesimplificeerd gesteld. Het doet geen recht aan de daadwerkelijke wetenschap van de verdachte van de herkomst van de geldbedragen en/of voorwerpen die zij ontving van haar moeder.

4.3.

Beoordeling 1

Er zijn er vier feiten en omstandigheden die bij de beoordeling als uitgangspunt kunnen worden genomen. Over deze feiten en omstandigheden is geen discussie.

(1)

De moeder van de verdachte en van haar broer heeft in de jaren 2012 tot en met 2016 grote bedragen verduisterd bij haar toenmalige werkgever, de Stichting [naam stichting] .2 Op 11 juni 2018 is zij hiervoor veroordeeld door de rechtbank Den Haag. In de strafzaak tegen de moeder van de verdachte is het exacte ontvreemde bedrag niet vastgesteld, maar het gaat blijkens het vonnis van de rechtbank Den Haag om een totaal bedrag van meer dan 500.000 euro.3

(2)

Het eigen salaris van de verdachte bedroeg in de jaren 2012 tot en met 2016 gemiddeld circa € 24.000 netto.4 In die zelfde jaren heeft de verdachte substantiële bedragen ontvangen van haar moeder. De verdachte heeft op haar bankrekening in totaal € 135.951,- ontvangen, zijnde € 82.701,- aan overboekingen (214 transacties) en € 48.250,- aan contante stortingen (36 stortingen).5 Dit komt neer op een van moeder ontvangen bedrag van gemiddeld

€ 27.000,- per jaar. Daarnaast heeft zij goederen en contant geld van haar moeder ontvangen.6 De waarde daarvan laat zich niet goed vaststellen. Daar waar de moeder van de verdachte spreekt over bedragen aan cadeaus en contanten,7 spreekt zij – zo is wel duidelijk geworden – deels over gelden die feitelijk via één of meerdere bankrekeningen van de verdachte liep: de moeder maakte bedragen over op die bankrekening en de verdachte (of de moeder) nam het op en gaf het daarna uit.8 Het zonder meer optellen van door de moeder genoemde bedragen aan gegeven goederen en contante giften bij de bedragen op de bankrekening van de verdachte zou dus leiden tot dubbeltellingen. De rechtbank houdt het er daarom op dat de verdachte een bedrag van € 135.951,- heeft ontvangen, vermeerderd met een onbekend gebleven bedrag aan gegeven goederen en contanten.9

(3)

De broer van de verdachte ontving eveneens substantiële betalingen van hun moeder. Hij ontving in de jaren 2012 tot en met 2016 op zijn bankrekening € 133.050,- aan overboekingen en € 28.440,- aan contante stortingen, afkomstig van hun moeder.10 Ook hij ontving daarnaast goederen en contant geld11 waarvan de waarde zich niet goed laat vaststellen.

(4)

Het is niet in geschil dat de bedragen die de verdachte en haar broer van hun moeder in de jaren 2012 tot en met 2016 ontvingen, afkomstig zijn uit de verduistering door hun moeder.12 Dit geld is dus ‘van enig misdrijf’ afkomstig.

Het is tegen deze achtergrond dat beoordeeld moet worden of de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld dat zij van haar moeder ontving een criminele herkomst had.

Met de officier van justitie en de verdediging stelt de rechtbank vast dat er geen bewijs is dat de verdachte wist van de criminele herkomst. Net als de officier van justitie lijkt te doen, gaat de rechtbank er zonder meer vanuit dat de verdachte het inderdaad niet geweten heeft. Van opzet, zowel in de zin van zuivere opzet als in de zin van voorwaardelijk opzet, op het verkrijgen en witwassen van geld met een criminele herkomst is geen sprake.

De vraag is dan, of de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld een criminele herkomst had. Voor de beantwoording van die vraag komt het er op aan of de verdachte onder de gegeven omstandigheden, met enig nadenken over de haar bekende gegevens, had kunnen vermoeden dat de gelden die zij kreeg van haar moeder een criminele herkomst hadden en zij zonder nader onderzoek niet had mogen handelen. De maatstaf daarbij is wat een redelijk denkend mens onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs zou hebben vermoed en op basis daarvan zou hebben gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank had de verdachte met enig nadenken zich moeten realiseren dat de bedragen en goederen die haar moeder haar schonk, vermoedelijk geen legale herkomst hadden. Weliswaar is het duidelijk dat zij niet precies wist wat zij kreeg, maar het kan niet anders dan dat zij heeft geweten dat zij substantiële bedragen van haar moeder ontving. De moeder van de verdachte verdubbelde het eigen salaris van de verdachte (ruim). De ontvangst van dergelijke schenkingen kan een redelijk denkend mens niet ontgaan. Gegeven het feit dat zowel zij als haar broer van jongs af aan werden verwend door hun moeder,13 had zij zich kunnen realiseren dat ook haar broer soortgelijke bedragen ontving. De vraag die de verdachte zich had moeten stellen, maar niet gesteld heeft, is hoe het mogelijk was dat hun moeder dit allemaal kon betalen. De moeder had immers ook eigen vaste lasten voor zichzelf en haar man.14 De moeder had weliswaar een – naar verdachte meende – leidinggevende functie, maar het betrof een functie bij een lokale stichting die zich bezighoudt met bewindvoering. Met enig nadenken had zij zich – als redelijk denkend mens - moeten realiseren dat het salaris dat past bij een dergelijke functie niet toereikend kan zijn om zulke grote schenkingen aan de kinderen te doen. Het totaal aan giften aan de verdachte en haar broer bedroeg immers gemiddeld bijna 60.000 euro per jaar. De verdachte had de hoogte van haar eigen aandeel eenvoudig kunnen vaststellen door haar eigen bankrekening te bekijken.15

Evenmin heeft de verdachte kunnen aannemen dat de bedragen en goederen die zij en haar broer in de tenlastegelegde periode ontvingen, nog afkomstig waren uit de vertrekpremie en bonussen die de moeder bij [naam bank] had ontvangen. Daarvoor is het tijdsverloop tussen het vertrek bij [naam bank] (2002) en de periode waarop de tenlastelegging ziet (2012-2016), eenvoudigweg te groot. Hetzelfde geldt voor de erfenis die de moeder van de verdachte in 2000 had ontvangen.16 Er is niets concreets gesteld of gebleken waaruit de verdachte had kunnen afleiden dat dit geld 12 jaar later nog niet zou zijn uitgegeven. De verdachte zegt ook niet dat zij dacht dat het geld was belegd en ook haar moeder heeft dat niet verklaard.
Andere mogelijke bronnen zijn door de verdachte niet genoemd.

Kortom: de verdachte had redelijkerwijs moeten vermoeden dat de door haar ontvangen goederen en geld, dat niet op leek te kunnen,17 van enig misdrijf afkomstig waren. Door vervolgens geen nader onderzoek te doen naar de herkomst daarvan, heeft de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. Het voorgaande wordt niet anders door het feit dat de verdachte en haar broer van jongs af aan verwend werden door hun moeder. Het gaat in deze zaak, zoals de officier van justitie terecht aanvoert, om twee volwassenen met eigen huishoudens en inkomens die vijf jaar lang aanzienlijke bedragen en goederen hebben ontvangen en er daardoor een beduidend luxe leven op na hebben kunnen houden.18 Zij hebben daarbij geen vragen gesteld over de herkomst van het geld en dat kan hen onder de hiervoor geschetste omstandigheden worden verweten: een redelijk denkend mens had onder deze omstandigheden geen genoegen genomen met de opmerking van de moeder dat het allemaal wel kon.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen en aan schuldheling.

Het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de door de verdediging al gehoorde getuigen wordt afgewezen. De rechtbank gaat ervan uit dat de getuigen bij de rechter-commissaris zullen verklaren conform de verklaringen die zij op het kantoor van de verdediging hebben afgelegd en de rechtbank wil er ook wel van uitgaan dat de getuigen geloven wat zij in die verklaringen hebben gezegd. De rechtbank ziet dan ook geen noodzaak tot het horen van de getuigen en acht zich voldoende voorgelicht.

4.4.

Bewezenverklaring

Op grond van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

zij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van

1 januari 2012 tot en met 31 december 2016 (telkens), te Rotterdam en/of

Ridderkerk en/of (elders) in Nederland, voorwerpen, te weten meerdere (grote) geldbedragen tot een totaal van 82.701,10 euro aan girale overboekingen en diverse

spullen/cadeaus en meerdere (grote) contante betalingen, heeft verworven en voorhanden

heeft gehad en heeft omgezet, en van meerdere (grote) geldbedragen tot een totaal van 82.701,10 euro aan girale overboekingen en diverse spullen/cadeaus en meerdere (grote)

contante betalingen gebruik heeft gemaakt

immers heeft zij, verdachte, toen en daar (telkens) die geldbedragen en voorwerpen, onder zich genomen en/of gehouden en/of uitgegeven terwijl zij verdachte

redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovengenoemde (grote) geldbedragen

en voorwerpen telkens geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk -

afkomstig waren uit enig misdrijf/misdrijven,

en

zij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van

1 januari 2012 tot en met 31 december 2016 (telkens), te Rotterdam en/of

Ridderkerk en/of (elders) in Nederland

voorwerpen, te weten meerdere (grote) geldbedragen

tot een totaal van 82.701,10 euro aan girale overboekingen en diverse spullen/cadeaus en meerdere (grote) contante betalingen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad,

terwijl zij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormelde geldbedragen en/ voorwerpen (telkens) redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het

door misdrijf verkregen geldbedragen en goederen betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

schuldheling en schuldwitwassen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling en schuldwitwassen. Zij heeft gedurende vijf jaar (aanzienlijke) geldbedragen en dure cadeaus van haar moeder aangenomen, terwijl zij had moeten begrijpen dat haar moeder dergelijk grote giften nooit van het salaris dat zij verdiende bij een bewindvoerderskantoor had kunnen betalen. De verdachte heeft ten onrechte geen vraagtekens geplaatst bij de herkomst van de giften. Op deze wijze heeft ze er voordeel van gehad dat haar moeder gelden ontvreemdde aan mensen die onder bewind stonden dan wel wiens nalatenschap zij moest afwikkelen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 mei 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Ter zitting hebben de verdachte en haar raadsman naar voren gebracht dat de verdachte verbijsterd en geschokt was toen zij op de hoogte raakte van de verduisteringen en diefstallen die haar moeder had gepleegd. Zij had haar moeder tot dat moment altijd vertrouwd. De gebeurtenissen hebben het leven van de verdachte volledig op zijn kop gezet; zij is in een nachtmerrie beland en gaat emotioneel zwaar gebukt onder het feit dat zij door toedoen van haar moeder in deze situatie is beland. Daarnaast is er beslag gelegd op haar loon en dreigt haar man – om andere redenen – zijn baan te verliezen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Gelet op de door de verdachte – op overtuigende wijze – beschreven consequenties die zij inmiddels heeft ervaren van het handelen van haar moeder en haar eigen handelen, zal de rechtbank echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke (gevangenis)straf. In plaats daarvan zal aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] . De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 707.170,89 wegens verduisterde bedragen waarvoor de stichting door haar klanten is aangesproken, € 24.699,29 aan - kort gezegd - kosten van rechtsbijstand en onderzoek en een vergoeding van € 1.744,00 aan proceskosten.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er een te verwijderd verband tussen de vordering en de zaak tegen de verdachte bestaat.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de vordering af te wijzen vanwege het ontbreken van rechtstreekse schade in de zin van artikel 511f Wetboek van Strafvordering en subsidiair de vordering niet ontvankelijk te verklaren.

8.3.

Beoordeling

In het strafrecht kunnen vorderingen alleen worden ingesteld door degenen die rechtstreeks als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit schade hebben geleden en die vorderingen kunnen alleen betrekking hebben op de rechtstreeks als gevolg van dat feit geleden schade. Aan deze dubbele eis is niet voldaan. [naam benadeelde] vordert als hoofdbedrag de schade die zij lijdt doordat klanten van de stichting door de moeder van de verdachte zijn bestolen en die klanten (dan wel hun nabestaanden) de stichting daarvoor aansprakelijk hebben gesteld. Er zitten te veel tussenschakels tussen de schuldheling en het schuldwitwassen door de verdachte en de schade die [naam benadeelde] lijdt. [naam benadeelde] zal daarom in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij kan haar vordering desgewenst bij de civiele rechter aanhangig maken.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

8.4.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 417bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden,

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, zich aan een strafbaar feit schuldig maakt.

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. W.J.M. Diekman en J. Bergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.R. Moraal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 januari 2012 tot en met 31 december 2016 (telkens), te Rotterdam en/of

Ridderkerk en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens)

een of meerdere voorwerpen, te weten

een of meerdere (grote) geldbedrag(en) tot een totaal van 82.701,10 euro aan

girale overboekingen of daaromtrent en/of de inrichting van een babykamer

en/of kosten van één of meerdere vakanties en/of boodschappen en/of diverse

spullen/cadeaus (waaronder kleding en make-up) en/of meerdere (grote)

contante betalingen (in totaal ter waarde van ongeveer 92.000 euro aan

contante betalingen en/of voorwerpen), heeft/hebben verworven en/of voorhanden

heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet,

en/of van een of meerdere (grote) geldbedrag(en) tot een totaal van 82.701,10

euro aan girale overboekingen of daaromtrent en/of de inrichting van een

babykamer en/of kosten van één of meerdere vakanties en/of boodschappen en/of

diverse spullen/cadeaus (waaronder kleding en make-up) en/of meerdere (grote)

contante betalingen (in totaal ter waarde van ongeveer 92.000 euro aan

contante betalingen en/of voorwerpen) gebruik heeft/hebben gemaakt

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) toen en daar

(telkens) die/dat geldbedrag(en) en/of voorwerp(en), onder zich genomen en/of

gehouden en/of uitgegeven

terwijl zij verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovengenoemde (grote) geldbedrag(en)

en/of voorwerpen telkens geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit enig misdrijf/ misdrijven,

en/of

van het plegen van witwassen een gewoonte hebben/ heeft gemaakt;

en/of

zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 januari 2012 tot en met 31 december 2016 (telkens), te Rotterdam en/of

Ridderkerk en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, (telkens)

een of meerdere voorwerpen, te weten een of meerdere (grote) geldbedrag(en)

tot een totaal van 82.701,10 euro aan girale overboekingen of daaromtrent

en/of de inrichting van een babykamer en/of kosten van één of meerdere

vakanties en/of boodschappen en/of diverse spullen/cadeaus (waaronder kleding

en make-up) en/of meerdere (grote) contante betalingen (in totaal ter waarde

van ongeveer 92.000 euro aan contante betalingen en/of voorwerpen),

heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben

overgedragen,

terwijl zij en/of haar mededader(s) ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van voormeld(e) geldbedrag(en) en/of voorwerp(en)

(telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het

(een) door misdrijf verkregen geldbedrag(en) en/of goed(eren) betrof.

1 De door de rechtbank als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn steeds in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van de bijlagen bij het proces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 1] (Zaak VI) van de politie eenheid Rotterdam, tenzij anders aangegeven.

2 Zie het vonnis van de rechtbank Den Haag d.d. 11 juni 2018 in de zaak met parketnummer 09/819137-17. De moeder heeft de verduistering ook bekend, zie haar verklaring van 26 oktober 2017, p. 30 e.v. en haar verklaring op de zitting bij de rechtbank Den Haag zoals blijkend uit voornoemd vonnis.

3 Zie p. 8 van voornoemd vonnis van de rechtbank Den Haag.

4 Zie het proces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 1] op p. 71 e.v.

5 Zie het proces-verbaal van bevindingen [nummer proces-verbaal 1] op p. 71 en 72.

6 Zie de verklaring van de moeder op p. 26 e.v. en de verklaring van de verdachte op p. 61.

7 Zie de verklaring van de moeder op p. 26 e.v.

8 Dit is niet in geschil, ook de officier van justitie gaat hiervan uit.

9 Dat een beperkt deel van de girale betalingen (namelijk € 4.110,-) later is terugbetaald aan de moeder, doet er niet aan af dat de verdachte die betalingen had ontvangen en voorhanden heeft gehad. De rechtbank gaat dus uit van de bruto ontvangen betalingen op de bankrekening van de verdachte.

10 Zie het proces-verbaal van bevindingen [nummer proces-verbaal 2] , gevoegd als p. 73 en 74 bij het zaaksproces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 3] (Zaak V).

11 Zie de verklaring van de moeder op p. 26 e.v. en zie de verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte] op p. 61 bij het zaaksproces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 3] (Zaak V).

12 Zie de verklaring van de moeder op p. 24. Het is op zitting ook niet weersproken door de verdachte en de verdediging.

13 Zoals blijkt uit de eigen verklaring van de verdachte op de zitting, de verklaring van haar broer op p. 68 bij het zaaksproces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 3] (Zaak V) en uit de door de verdediging overgelegde getuigenverklaringen.

14 De man van de moeder van de verdachte, de stiefvader van de verdachte, had tot 2007 een eigen bedrijf, is daarmee vanwege ziekte gestopt, zie de verklaring van [naam] op p. 20.

15 Voor de goede orde: de moeder van de verdachte verdiende per jaar circa 37.000 euro netto bij de stichting, zie p. 3.

16 Dat betrof, naar nu bekend is, een bedrag van circa € 35.000,00 (zie de verklaring van de moeder op p. 22).

17 De moeder vulde met een groot aantal betalingen de tekorten op haar rekening aan, zie p. 26 en p. 61.

18 Dat luxe leven blijkt uit de verklaring van de moeder op p. 32.