Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7284

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-08-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
6864704 CV EXPL 18-16199
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurachterstand ingelopen. Ontbinding en ontruiming afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6864704 CV EXPL 18-16199

uitspraak: 31 augustus 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

STICHTING WOONSTAD ROTTERDAM,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 25 april 2018,

gemachtigde: GGN Mastering Credit N.V.,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaatsnaam],

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna nader aangeduid als “Woonstad” en “[gedaagde]”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    de dagvaarding van 25 april 2018;

  • -

    de aantekeningen van het mondelinge antwoord;

  • -

    de rolbeslissing van 8 juni 2018;

  • -

    de akte uitlaten aan de zijde van Woonstad, met producties.

1.2

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast.

2.1

Tussen Woonstad als verhuurster en [gedaagde] als huurder bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de huur van de woning staande en gelegen aan de [straat- en plaatsnaam] (hierna: het gehuurde).

2.2

De ten tijde van de dagvaarding bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs bedraagt

€ 588,99 per maand.

3 Het geschil

3.1

Woonstad heeft bij dagvaarding gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling aan Woonstad van de in de dagvaarding genoemde bedragen, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2

Naast de onder 2. weergegeven vaststaande feiten heeft Woonstad - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.

[gedaagde] is ondanks aanmaning en sommatie in gebreke gebleven met de tijdige betaling van de verschuldigde huurtermijnen. De tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.

3.3

[gedaagde] voert verweer en heeft - verkort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat hij met Woonstad een betalingsregeling heeft getroffen van € 200,00 per maand. Op 27 april 2018 heeft [gedaagde] naast de huur over de maand mei 2018 een bedrag van € 500,00 overgemaakt. [gedaagde] heeft inmiddels weer werk en zal de huur weer betalen zodat zijn salaris wordt gestort.

4 De beoordeling

4.1

Woonstad heeft naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] bij haar laatste akte een recente specificatie overgelegd van de huurachterstand. Uit deze specificatie blijkt dat de huurachterstand berekend tot en met de maand juli 2018 € 1.185,55 bedraagt.

Uit deze specificatie blijkt voorts dat Woonstad diverse betalingen, waaronder de betaling van 27 april 2018 van € 500,00 in mindering heeft laten strekken op de huurachterstand.

Woonstad heeft voorts aangevoerd dat zij geen betalingsregeling met [gedaagde] heeft getroffen, omdat zij niet akkoord is gegaan met het voorstel van [gedaagde] om een bedrag van € 100,00 per maand te betalen en omdat [gedaagde] het inkomsten- en uitgavenformulier niet heeft geretourneerd.

4.2

[gedaagde] heeft, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet meer gereageerd op de (nadere) stellingen van Woonstad, terwijl Woonstad het verweer van [gedaagde] deugdelijk heeft weerlegd. Evenmin heeft hij andere betalingsbewijzen in het geding gebracht waarmee Woonstad bij de berekening van de huurachterstand nog geen rekening heeft gehouden.

Als onvoldoende gemotiveerd weersproken zal dan ook in rechte worden uitgegaan van de juistheid van de specificatie en de hoogte van de huurachterstand. Een bedrag van

€ 1.185,55 aan huurachterstand berekend tot en met de maand juli 2018 is aldus toewijsbaar. Eventuele slechte financiële omstandigheden vallen in de risicosfeer van [gedaagde] en kunnen niet afdoen aan zijn betalingsverplichtingen jegens Woonstad.

4.3

Vervolgens komt de vraag aan de orde of de tekortkoming van [gedaagde] voldoende ernstig is om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen.
Ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortschietende partij aantoont dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beoordeling hiervan moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Het (op tijd) betalen van huur is een van de essentiële verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst voor de huurder.

Uit de door Woonstad overgelegde specificatie blijkt dat de huurachterstand bij dagvaarding berekend tot en met de maand april 2018 € 1.833,94 bedroeg, zijnde een achterstand van ruim drie maanden. In beginsel zou deze huurachterstand dus voldoende zijn voor ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming van het gehuurde. Uit de specificatie van Woonstad blijkt echter dat [gedaagde] na dagvaarding de huur over de maanden april, mei en juni 2018 heeft voldaan en dat hij, zoals reeds hiervoor is overwogen, diverse extra betalingen heeft gedaan. De huurachterstand is daarmee gedurende de procedure ingelopen en bedraagt thans nog twee maanden. Nu de hoogte van de huidige huurachterstand niet hoger is dan drie maanden en er lopende huurtermijnen zijn voldaan is de kantonrechter van oordeel dat een ontbinding van de huurovereenkomst en een veroordeling tot ontruiming thans niet gerechtvaardigd is.

4.4

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

de kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Woonstad tegen kwijting te betalen een bedrag van € 1.185,55 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand juli 2018;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Havensteder vastgesteld op € 575,91 aan verschotten en € 225,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

829