Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7276

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-08-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
ROT 18-4441
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Woningsluiting voor 6 maanden wegens aangetroffen drugs (1 kilo coke). Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat op 2 juni 2018, na een steekincident waarbij de partner van verzoekster was betrokken, in de woning 0,5 gram cocaïne en in de kelder 998,2 gram cocaïne is aangetroffen. Volgens verweerder rechtvaardigt dit een tijdelijke sluiting. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat, mede gelet op de ernst van het incident, met de beëindiging van de huurovereenkomst per 1 oktober 2018 de kans op herhaling niet is weggenomen, dat niet is gebleken dat verzoekster, haar partner en kinderen dermate afhankelijk van de woning zijn dat zij niet op een andere locatie kunnen verblijven en dat de woning is gelegen in de wijk Delfshaven, die op het gebied van veiligheid onder het stedelijk gemiddelde scoort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 4

zaaknummer: ROT 18/4441

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 september 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Naam] , te Rotterdam, verzoekster,

gemachtigde: mr. K.C. van de Wijngaart,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M.C. Rolle.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Stichting Woonbron, te Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekster en derde-partij een last onder bestuursdwang opgelegd op grond van artikel 13b van de Opiumwet in de vorm van sluiting van de woning aan [adres] te Rotterdam (de woning), voor een periode van zes maanden vanaf 23 augustus 2018.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2018. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en [Naam] (dochter). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en C. van der Feen.

Overwegingen

1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.

2. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat op 2 juni 2018, na een steekincident waarbij [Naam] (de partner van verzoekster) was betrokken, in de woning 0,5 gram cocaïne en in de kelder 998,2 gram cocaïne is aangetroffen. Volgens verweerder rechtvaardigt dit een tijdelijke sluiting. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat, mede gelet op de ernst van het incident, met de beëindiging van de huurovereenkomst per 1 oktober 2018 de kans op herhaling niet is weggenomen, dat niet is gebleken dat verzoekster, haar partner en kinderen dermate afhankelijk van de woning zijn dat zij niet op een andere locatie kunnen verblijven en dat de woning is gelegen in de wijk Delfshaven, die op het gebied van veiligheid onder het stedelijk gemiddelde scoort.

3. Verzoekster, die huurster is van de woning, heeft aangevoerd dat verweerder had moeten volstaan met een waarschuwing. Zij wijst in dit verband ook op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 17 februari 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:1089). In overleg met derde-partij heeft zij tot 28 september 2018 de tijd gekregen om een nieuwe woning te zoeken. Daarmee is het risico op herhaling voldoende ingeperkt. Het belang van haar minderjarige zoon en haar dochter, die beiden in de buurt van de woning naar school gaan, dient te prevaleren. Verzoekster heeft in Nederland geen familie en ook geen vangnet waar zij en haar kinderen tijdelijk onderdak kunnen verkrijgen. Opvang via Centraal Onthaal is geen optie voor een gezin met een minderjarige zoon die suikerziekte heeft. Verzoekster en haar kinderen hadden geen weet van de aanwezigheid van verdovende middelen in de kelderbox. De woning stond ook niet bekend wegens drugs of overlast.

4.1.

Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, voor zover van belang, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

4.2.

Op grond van verweerders Beleidsregel artikel 13b Opiumwet inzake een woning of lokaal 2011 (de Beleidsregel) wordt na het voor de eerste maal aantreffen van drugs in een woning in beginsel besloten tot sluiting voor de duur van zes maanden, maar zal nadrukkelijk worden bezien of gelet op de feiten en omstandigheden van het specifieke geval met een waarschuwing kan worden volstaan. Afhankelijk van de ernst en de aard van de feiten en omstandigheden kan de sluiting worden bevolen voor een periode van maximaal twaalf maanden of worden beperkt tot een periode van drie maanden. De Beleidsregel bevat de volgende niet-limitatieve opsomming van indicatoren die relevant zijn bij de zorgvuldige belangenafweging of sluiting noodzakelijk wordt geacht voor het herstel van de gewenste situatie van het woon- en leefklimaat en het weren en terugdringen van drugshandel gerelateerd aan de desbetreffende woning, dan wel wordt volstaan met een waarschuwing.

- De hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of II van de Opiumwet. Hierbij kan gedacht worden aan de aangetroffen middelen, in hoeverre is sprake van handelshoeveelheden van verschillende middelen, combinatie van hard- en softdrugs, maar ook aan de hoeveelheid. Het aantreffen van een handelshoeveelheid op zichzelf is al voldoende om handel aan te nemen en daadwerkelijke verkoop, afleveren of verstrekken hoeft niet aangetoond te worden. Echter, een minieme overschrijding van wat als handelshoeveelheid wordt aangemerkt kan een andere afweging rechtvaardigen.

- De mate waarin de woning betrokken is bij, dan wel bekend staat als pand waar drugshandel of drugsbezit aanwezig is. Hierbij kan gedacht wordt aan (waarnemingen van) aanloop van personen die met drugshandel en/of -gebruik in verband kunnen worden gebracht, of het aantreffen van attributen die op handel in verdovende middelen wijzen zoals weegschalen, grote hoeveelheden cash geld, versnijdingsmaterialen, verpakkingsmaterialen, et cetera, in de woning.

- Strafbare feiten, geweldsdelicten, wapenbezit als bedoeld in de Wet wapens en munitie of andere openbare orde-delicten gerelateerd aan de woning. Hierbij kan gedacht worden aan gerelateerde feiten in de zin dat in de woning personen worden aangetroffen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit gedurende de afgelopen drie jaar, of zich ten aanzien van dergelijke feiten recidivist hebben getoond. Ook kan aantoonbare (drugs)overlast met betrekking tot het pand of andere panden van de eigenaar een rol spelen.

- Vermoedens van verwijtbaar gedrag van bewoner(s)/betrokkene(n) of betrokkenheid bij personen met antecedenten. Hierbij kan gedacht worden aan aantoonbare relaties van bewoner(s)/betrokkene(n) met personen die bij de politie bekend staan als drugshandelaren, al dan niet in georganiseerd verband, of die bekend staan in verband met georganiseerde criminaliteit.

- De mate van gevaar of risico voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en/of omwonende(n). Hierbij kan gedacht worden aan een buurt waarin de woning zich bevindt (staat de omgeving van de woning al langer onder druk in verband met drugsoverlast bijvoorbeeld blijkend uit een negatieve score op de veiligheidsindex, dan kan worden overwogen dat een drugsvondst sneller het toch al broze woon- en leefklimaat in gevaar brengt) of de drugsoverlast die in de directe omgeving wordt ondervonden.

- De eigen getroffen maatregelen door de eigenaar om de openbare orde in en rond de woning in voldoende mate te herstellen.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft dit beleid niet onredelijk geacht (uitspraak van 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3941) en de voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hierover nu anders te oordelen.

5. Uit de rechtspraak van de Afdeling (onder meer de genoemde uitspraak van 5 november 2014) volgt dat de burgemeester, gelet op de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, bij de uitoefening van de daarin neergelegde bevoegdheid over beleidsvrijheid beschikt, waaruit voortvloeit dat de rechter de invulling van die bevoegdheid door de burgemeester met enige terughoudendheid moet toetsen. Uit deze rechtspraak volgt tevens, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van genoemde bepaling, dat bij een eerste overtreding een waarschuwing of soortgelijke maatregel uitgangspunt dient te zijn, waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken. Hieruit volgt dat de burgemeester bij de uitoefening van zijn bevoegdheid een kenbare en zorgvuldige afweging moet maken van alle relevante feiten en omstandigheden om te beoordelen of de situatie dermate ernstig is dat sluiting moet volgen, dan wel dat met een waarschuwing of een andere, minder ingrijpende, maatregel kan worden volstaan. In dit verband dient hij bij de vraag of zich omstandigheden voordoen die nopen tot afwijking van zijn beleid, alle omstandigheden van het geval in zijn beoordeling te betrekken en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840).

6.1.

Niet in geschil is dat de in de kelder van de woning aangetroffen hoeveelheid harddrugs de door het openbaar ministerie als voor eigen gebruik aangemerkte hoeveelheid van maximaal 0,5 gram overschrijdt, zodat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat sprake is van een handelshoeveelheid die bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden (uitspraken van de Afdeling van 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4412, en 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738).

6.2.

De aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs maakt dat verweerder ook bij een eerste constatering hiervan bevoegd was tot sluiting van de woning over te gaan (uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1676). Dat volgens verzoekster de woning niet bekend staat als drugspand, dat er geen overlast vanuit de woning plaatsvindt en dat zij geen wetenschap had van de aanwezigheid van drugs, doet – wat er van die stellingen ook zij – aan verweerders bevoegdheid als zodanig niet af (uitspraken van de Afdeling van 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2388, 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1193, en 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2526).

6.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder alle relevante feiten en omstandigheden voldoende in kaart gebracht en heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet kon worden volstaan met een waarschuwing of een andere, minder ingrijpende, maatregel en dat een sluiting noodzakelijk is. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat verweerder heeft meegewogen dat sprake is van een zeer grote handelshoeveelheid harddrugs en dat de wijk waarin de woning gelegen is (Delfshaven) negatief scoort op de veiligheidsindex. De wijk kampt met een grote uitdaging op het gebied van de handel in verdovende middelen. De bovengemiddelde aanwezigheid van diverse opvangvoorzieningen zorgt voor veel loop op straat van verslaafden en van regelmatige meldingen van straathandel. Daarbij komt dat het vermoeden van de politie is dat het steekincident, waarbij de partner van verzoekster betrokken was, het gevolg was van een mislukte drugsdeal. De voorzieningenrechter begrijpt dat verweerder zich genoodzaakt ziet om op te treden en begrijpt ook dat hij – na het verstoren van de openbare orde door het steekincident en de vondst van de grote hoeveelheid harddrugs – voor rust en veiligheid in de wijk wil zorgen door het treffen van deze maatregel.

6.4.

Gelet op het voorgaande hoefde verweerder geen doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de omstandigheden dat het voor verzoekster moeilijk zal zijn om nieuwe woonruimte te vinden of dat de kinderen in de buurt van de woning een opleiding volgen. De voorzieningenrechter begrijpt dat een sluiting van de woning ingrijpend is voor het gezinsleven van verzoekster, maar verzoekster dient ook al als gevolg van de opzegging van de huurovereenkomst op zeer korte termijn een nieuwe woning te vinden en niet is gebleken dat als gevolg van de sluiting de kinderen hun opleiding niet kunnen vervolgen. Ook heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat haar gezondheid, die van haar partner en zoon zodanig zijn dat zij uitsluitend zijn aangewezen op verblijf in de woning. Dat verzoekster de huur van de woning heeft opgezegd en de woning op 28 september 2018 dient te verlaten, maakt evenmin dat verweerder de belangenafweging in haar voordeel had moeten laten uitvallen, nu de kans op een herhaalde verstoring van de openbare orde en bedreiging van het woon- en leefklimaat hiermee tot 28 september 2018 niet geheel is weggenomen.

6.5.

Het beroep van verzoekster op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 17 februari 2014 leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak is aannemelijk geacht dat het om een bewoner ging, die door een incidenteel bij haar verblijvend familielid betrokken was geraakt bij de drugsvondst. Dat is in deze zaak niet aan de orde.

7. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting in stand kan blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J. Bijleveld, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 3 september 2018.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.