Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7265

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
15-09-2018
Zaaknummer
6989355
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding, belangenafweging valt uit in voordeel werknemer, gedeeltelijke schorsing concurrentiebeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6989355 \ VV EXPL 18-265

uitspraak: 30 augustus 2018

vonnis in kort geding van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

woonplaats: [plaatsnaam],

eiser,

gemachtigde: mr. C.C. Oberman,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Verwater Industrial Services Noord West B.V.,

gevestigd te Hoogvliet Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.A. Hobma.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” en “Verwater”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 5 juli 2018 met producties;

  • -

    de door Verwater toegezonden producties 1 tot en met 9;

  • -

    de pleitnota van [eiser], en

  • -

    de pleitnota van Verwater.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 16 augustus 2018. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3

De datum voor de uitspraak van dit vonnis is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Verwater is een wereldwijde aannemer voor industriële en petrochemische installaties, en is gespecialiseerd in tankonderhoud en tankbouw. Bij Verwater zijn wereldwijd ongeveer 1000 werknemers werkzaam. In Nederland heeft Verwater vier (neven)vestigingen.

2.2

[eiser] is per 9 september 2015 bij Verwater in dienst getreden als Monteur. Op

1 januari 2017 is [eiser] gepromoveerd tot Eerste Monteur en is tussen partijen een hernieuwde arbeidsovereenkomst, inclusief concurrentie- en relatiebeding, overeengekomen. Het huidige salaris van [eiser] bedraagt € 2.619,06 bruto exclusief emolumenten.

In artikel 12 van de arbeidsovereenkomst is een geheimhoudingsbeding overeengekomen dat als volgt luidt:

’12.1 Werknemer erkent dat hem strikte geheimhouding is opgelegd, zowel tijdens als na beëindiging van deze arbeidsovereenkomst, ter zake van alle informatie die betrekking heeft op Werkgever en/of Gelieerde Ondernemingen en/of Klanten/opdrachtgevers en/of Werknemers-A, in het bijzonder die informatie die mogelijk in kwalitatief, commercieel of financieel opzicht gevoelig is of kan worden (bijvoorbeeld, doch niet beperkt tot: bedrijfsstrategieën, verkoopstrategieën, businessplannen, calculaties, prijsinstellingen, aanbiedingen, offertes, financiële positie, Klanten/opdrachtgevers, kwaliteitsrapportages, opdrachten, marketingstrategieën, technieken, contracten, intellectuele eigendom, mogelijkheden voor nieuwe opdrachten, tenders, gegevens van Werknemers-A (zoals salarisgegevens, etc.).

1.2

Het is Werknemer niet toegestaan op welke wijze dan ook software, gegevensdragers, documenten, correspondentie of kopieën hiervan, welke hij in verband met zijn werkzaamheden onder zich heeft verkregen, in eigen bezit te hebben of te houden of te kopiëren, uitgezonderd indien en voor zover en zolang dit voor de uitoefening van zijn werkzaamheden is vereist. In ieder geval is Werknemer verplicht vorenbedoelde software, gegevensdragers, documenten en correspondentie of kopieën hiervan op eerste verzoek van Werkgever, en bij gebreke van een dergelijk verzoek uiterlijk op de dag dat deze arbeidsovereenkomst eindigt dan wel Werknemer wordt geschorst c.q. op non actief gesteld, ongeacht de reden die daaraan ten grondslag ligt, onverwijld aan Werkgever ter beschikking te stellen.’

In artikel 14 van de arbeidsovereenkomst is een concurrentie- en relatiebeding opgenomen dat als volgt luidt:

‘Behoudens schriftelijke toestemming van Werkgever, is het Werknemer verboden om tijdens dan wel gedurende een periode van twaalf (12) maanden na beëindiging van deze arbeidsovereenkomst - direct of indirect -

  1. op basis van een arbeidsovereenkomst of anderszins werkzaam te zijn (ongeacht het feit of hij daarvoor een vergoeding ontvangt) en/of (financiële) belangen dan wel een aandeel van welke aard dan ook te hebben in een instelling c.q. onderneming en/of in enigerlei vorm een instelling c.q. onderneming op te richten c.q. te vestigen, te drijven, mede te drijven of te doen drijven, die zich bezig houdt met activiteiten welke gelijk, vergelijkbaar, gelijksoortig en/of aanverwant zijn aan of in de ruimste zin van het woord concurrerend (kunnen) zijn met de activiteiten van Werkgever en/of met de activiteiten van Gelieerde Ondernemingen. Deze beperking geldt ook voor activiteiten op nieuwe gebieden die Werkgever en/of Gelieerde Ondernemingen na het aangaan van deze arbeidsovereenkomst hebben ontplooid. Mocht er voor Werknemer binnen twaalf (12) maanden na beëindiging van deze arbeidsovereenkomst de mogelijkheid bestaan een betrekking of bezigheid als vorenbedoeld te aanvaarden, dan moet hij zulks schriftelijk ter kennis van Werkgever brengen;

  2. Klanten/opdrachtgevers direct of indirect te benaderen en/of met hen - op welke wijze ook - zaken te doen en/of contacten te onderhouden;

  3. in dienst te treden bij dan wel - direct of indirect - werkzaamheden te verrichten voor Klanten/opdrachtgevers.’

2.3

Begin februari 2018 heeft [eiser] aan Verwater kenbaar gemaakt dat hij wenst over te stappen naar Bosma & Bronkhorst.

2.4

Verwater heeft in een gesprek op 9 februari 2018 aan [eiser] te kennen gegeven dat zij Bosma & Bronkhorst als een directe concurrent beschouwt en [eiser] aan het overeengekomen concurrentiebeding zal houden.

2.5

Verwater heeft [eiser] een voorstel gedaan voor een verbeterde arbeidsovereenkomst, onder voorwaarden. [eiser] heeft daarop aangegeven dat hij nog steeds wenst over te stappen naar Bosma & Bronkhorst, waar hij volgens hem onder betere arbeidsvoorwaarden in dienst zal kunnen treden.

2.6

In de periode tussen 9 februari en 6 april 2018 is er tussen partijen gecorrespondeerd.

3 De vordering

3.1

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening, te beslissen dat:

primair

het concurrentiebeding geheel wordt geschorst per 1 juli 2018, althans per een door de kantonrechter te bepalen datum;

subsidiair

het concurrentiebeding wordt beperkt in duur tot nihil, dan wel tot een door de kantonrechter te bepalen duur;

primair en subsidiair

Verwater wordt veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.

3.2

Aan zijn vordering legt [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat hij als ‘Service Technicus’ bij Bosma & Bronkhorst in dienst kan treden, hetgeen een forse promotie voor hem betekent, zowel qua inhoud van de functie als qua arbeidsvoorwaarden. [eiser] meent dat hij in verhouding tot het te beschermen belang van Verwater onbillijk wordt benadeeld door het concurrentiebeding.

4 Het verweer

Verwater concludeert tot afwijzing van de vordering. Er is geen spoedeisend belang. Reeds in februari 2018 wenste [eiser] over te stappen. Verwater vreest voor benadeling van haar concurrentiepositie vanwege het kunnen delen door [eiser] van bedrijfsinformatie, bedrijfsgeheimen en werkprocessen. Verder heeft [eiser] persoonlijk contact gehad met diverse klanten en relaties van Verwater en heeft Verwater geïnvesteerd in opleidingen en deskundigheid van [eiser]. Bovendien functioneert [eiser] uitstekend waardoor Verwater bij zijn vertrek onmiddellijk nadeel zal lijden.

5 De beoordeling

5.1

Bij een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening als de onderhavige dient te worden beoordeeld of [eiser] een zodanig spoedeisend belang heeft dat van hem niet mag worden verwacht dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Bij die beoordeling dienen in ieder geval te worden betrokken hoe aannemelijk het is dat de vordering van [eiser] in een bodemprocedure toegewezen zal worden, het belang van [eiser] bij het treffen van de voorziening en de gevolgen voor Verwater bij het ten onrechte treffen van een voorziening.

5.2

[eiser] vordert dat het concurrentiebeding wordt geschorst. Vooropgesteld wordt dat in het geval van toewijzing van een dergelijke vordering het volgende heeft te gelden. Wanneer een van partijen een bodemprocedure aanhangig maakt, is de bodemrechter niet aan het oordeel van de kortgedingrechter gebonden. In het geval de bodemrechter, na schorsing van het concurrentiebeding door de kortgedingrechter, de vordering van de werknemer alsnog afwijst, heeft dat tot gevolg dat de werknemer (met terugwerkende kracht) eventuele overeengekomen boetes verschuldigd is. Daar staat tegenover dat de werkgever verbeurde boetes in beginsel niet zal kunnen incasseren zonder daarvoor eerst een procedure te starten. Het belang van [eiser] kan dan ook slechts daarin bestaan dat hij een voorlopig oordeel krijgt op grond waarvan hij zijn positie beter kan inschatten. Een en ander geldt ook voor Verwater.

5.3

Voor ontvankelijkheid van [eiser] in deze kortgedingprocedure is vereist dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorziening. Verwater betwist dat dat belang in het onderhavige geval aanwezig is. Daartoe voert zij aan dat [eiser] al vanaf februari 2018 de wens heeft (uitgesproken) om over te stappen naar Bosma & Bronkhorst en dat gedurende de maanden april, mei en juni 2018 door [eiser] niet meer is gesproken over dit onderwerp en hij gewoon heeft doorgewerkt bij Verwater, aldus Verwater. [eiser] erkent dat er even sprake is geweest van een radiostilte, maar dat dat slechts een korte periode van een week of zes is geweest. [eiser] heeft in die periode naar eigen zeggen deze zaak op z’n beloop gelaten in de hoop dat Verwater alsnog bereidheid zou tonen om mee te werken aan een overstap van [eiser] naar Bosma & Bronkhorst. Daarom is [eiser] ook ‘gewoon’ door blijven werken, met het oog op een uiteindelijk positieve reactie op zijn verzoek om schriftelijke toestemming voor zijn beoogde overstap. Toen die toestemming, ook na enkele weken bedenktijd in alle rust, uitbleef, heeft [eiser] zijn advocaat gevraagd om juridische stappen te ondernemen. Het is algemeen bekend dat er vanaf dat moment nog enkele weken gemoeid zijn met het opstellen van het inleidend processtuk en de betekening daarvan. Onder deze omstandigheden en hetgeen onder 5.2 is overwogen in ogenschouw nemend, acht de kantonrechter ook nu nog, enkele maanden nadat [eiser] voor het eerst blijk heeft gegeven van zijn wens om over te stappen naar Bosma & Bronkhorst, spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening aanwezig. [eiser] is dan ook in zoverre ontvankelijk in zijn vordering.

5.4

Partijen hebben met ingang van 1 januari 2017 nieuwe afspraken gemaakt over arbeidsvoorwaarden, die zijn vastgelegd in een arbeidsovereenkomst. Op het daarin opgenomen concurrentiebeding is artikel 7:653 BW van toepassing zoals dat geldt sinds 1 juli 2015. Op grond van het derde lid van dat artikel kan de rechter een beding waarbij de werknemer wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn, geheel of gedeeltelijk vernietigen, indien in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door het beding onbillijk wordt benadeeld.

5.5

[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat de werkzaamheden van Verwater en Bosma & Bronkhorst elkaar gedeeltelijk overlappen. Daarmee staat vast dat de bedrijven elkaars concurrenten zijn, zodat bij een overstap van [eiser] van Verwater naar Bosma & Bronkhorst het concurrentiebeding in beginsel een rol speelt.

5.6

Naast het evidente belang van [eiser] bij een vrije keuze van arbeid, stelt hij dat zijn belang bij een overstap naar Bosma & Bronkhorst er voornamelijk in is gelegen dat hij weer uitdaging krijgt in zijn werk. [eiser] is een ambitieuze jonge man en heeft de wens uitgesproken om zich (nader) te bekwamen in inspectiewerk. In de door Bosma & Bronkhorst aan hem aangebonden functie zou hij die werkzaamheden ook (grotendeels) gaan verrichten. Bij Verwater zijn te weinig inspectiewerkzaamheden voorhanden om alle werknemers die voor die werkzaamheden in aanmerking komen daarvoor in te zetten. Dat heeft ertoe geleid dat [eiser] in het afgelopen jaar 0% van zijn werktijd aan inspecties heeft besteed, ongeveer 35 % aan keuringswerk en de overige 65% van zijn werktijd is teruggevallen op eenvoudig monteurswerk. Daarbij dient opgemerkt te worden dat [eiser] na de schriftelijke correspondentie tussen partijen aan Verwater te kennen heeft gegeven voorlopig ook niet in aanmerking te willen komen voor inspectiewerkzaamheden in verband met een - in zijn beleving - ophanden zijnde overstap. Dat laat onverlet dat [eiser] ook in de periode daarvoor geen inspectiewerkzaamheden heeft verricht. Verwater heeft tijdens de mondelinge behandeling ook beaamd dat die werkzaamheden bij Verwater schaars zijn en dat zij niet alle daarvoor in aanmerking komende werknemers kan voorzien van inspectiewerk. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [eiser] zich door omstandigheden die niet voor zijn rekening en risico komen genoodzaakt heeft gezien om verder te kijken of er andere bedrijven zijn waar hij wel inspectiewerkzaamheden kan verrichten. Of die werkzaamheden bij Bosma & Bronkhorst in de praktijk daadwerkelijk in voldoende mate aanwezig zijn, zal de toekomst moeten uitwijzen. Datzelfde geldt voor de door [eiser] aangevoerde vermindering van reistijd als hij bij Bosma & Bronkhorst in dienst zou treden. De vestigingsplaats of de locatie van beide bedrijven is in deze procedure niet relevant. Bij beide bedrijven zal [eiser] overwegend op locatie werken. Zijn reistijd is dus afhankelijk van de klanten en projecten waar hij door zijn werkgever op wordt ingezet. Bij Verwater is zijn reistijd aanzienlijk; hij reist regelmatig van zijn woonplaats [plaatsnaam] naar Almere (51 kilometer) en met enige regelmaat naar Rotterdam (88 kilometer). Bosma & Bronkhorst heeft aan [eiser] aangegeven dat zijn reistijd ten opzichte hiervan aanzienlijk zal verminderen. Hoewel dat geen vaststaand feit is, is het niet onaannemelijk dat dat het geval zal zijn, gelet op de behoorlijke afstanden die [eiser] thans aflegt om op zijn werklocatie te komen.

5.7

Verwater heeft aan [eiser], naar aanleiding van het uitspreken van diens wens om over te stappen naar Bosma & Bronkhorst, verbeterde arbeidsvoorwaarden voorgesteld. Dat is zeker zoals het een goed werkgever betaamt en in die zin valt Verwater dan ook niets te verwijten. Echter, in dat voorstel, dat qua financiële voorwaarden dicht in de buurt komt van het voorstel van Bosma & Bronkhorst, staat wel dat als er geen inspectiewerkzaamheden voorhanden zijn, [eiser] dan wordt geacht andere werkzaamheden uit te voeren. En juist daar wringt de schoen. [eiser] wil zichzelf ontwikkelen. Natuurlijk zijn goede financiële arbeidsvoorwaarden en een bepaalde functiebenaming daarbij een prettige bijkomstigheid, of wellicht zelfs onmisbaar, maar alleen een goed salaris en functie op papier zonder de mogelijkheid om jezelf te ontwikkelen zijn op de lange termijn toch niet zaligmakend. Niet alleen gelet op doorgroeimogelijkheden in de toekomst, maar ook in verband met het werkplezier. Dat is een groot goed voor een werknemer en ontbreekt bij [eiser] momenteel in zijn huidige werkomgeving.

5.8

Tegenover deze belangen beroept Verwater zich op de onder 4 genoemde belangen aan haar zijde. Dat [eiser] over specifieke bedrijfsgegevens behorend bij het door Verwater te beschermen bedrijfsdebiet beschikt, is de voorzieningenrechter in onvoldoende mate gebleken. Verwater geeft in aan dat zij er jaren over heeft gedaan om haar (werk)processen te ontwikkelen tot het niveau waarop zij nu zijn. Dat geldt in algemene zin natuurlijk voor ieder bedrijf. Niet valt in te zien welke bijzondere processen Verwater hanteert die bijzondere bescherming behoeven door middel van een concurrentiebeding. Ten aanzien van de wijze waarop inspecties en keuringen worden uitgevoerd heeft daarenboven te gelden dat [eiser] de laatste periode vrijwel geen inspecties heeft uitgevoerd en slecht een beperkt percentage van zijn werkzaamheden bestond uit keuringswerkzaamheden. Daarbij is verder van belang dat Verwater een concurrentiebeding kennelijk voor een ‘gewone’ Monteur niet nodig acht, terwijl [eiser] door gebrek aan uitdagender werk nu nog steeds overwegend werkzaamheden behorend bij die functie feitelijk uitvoert. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat [eiser] op enige wijze betrokken is geweest bij de totstandkoming, implementering of uitwerking van bepaalde (werk)processen of daar op andere wijze zo intensief mee in aanraking is geweest dat hij over voldoende kennis zou beschikken om die processen bij een ander bedrijf te kunnen gebruiken om een gehele nieuwe afdeling op te zetten, zoals door Verwater gevreesd wordt.

5.9

Ten aanzien van mogelijke kennis die [eiser] zou kunnen hebben van herstelwerkzaamheden die bij bedrijven uitgevoerd moeten worden in het komende jaar heeft te gelden dat de vertrouwelijkheid van die informatie wordt geacht te worden beschermd door het geheimhoudingsbeding, en overigens door de gebruikelijke fatsoensnormen, waarvan noch door Verwater is aangegeven en noch door de kantonrechter wordt betwijfeld dat [eiser] zich daaraan zal houden. Verder speelt de enkele stelling dat [eiser] ‘klantcontacten’ heeft gehad zonder nadere toelichting, die ontbreekt, en mede gelet op de functie van [eiser], in het kader van de onderhavige belangenafweging geen rol van betekenis.

5.10

De kantonrechter acht het niet aannemelijk dat [eiser] zichzelf of Bosma & Bronkhorst door een overstap naar die laatste een positie verschaft waarbij sprake is van ongerechtvaardigd voordeel in de concurrentiestrijd met Verwater. Het enkele feit dat Verwater door zo’n overstap een goede werknemer verliest, en Bosma & Bronkhorst een goede werknemer rijker wordt, is onvoldoende om tot een dergelijke conclusie te kunnen komen. Volgens bestendige jurisprudentie mag een concurrentiebeding niet worden gebruikt om goed personeel vast te houden. Dat geldt temeer nu niet is gebleken dat [eiser] zijn vaardigheden in aanzienlijke mate in dienst van Verwater heeft opgedaan. In dat verband verdient opmerking dat veiligheidscertificaten die nodig zijn om op bepaalde werkterreinen te worden toegelaten in het kader van deze belangenafweging niet worden aangemerkt als investering van de werkgever in de kennis en kunde van de werknemer in het kader van zijn functie.

5.11

Verwater geeft aan dat er volop kansen zijn voor [eiser] als hij niet langer bij Verwater zou willen werken. Gelet op het ruim geformuleerde concurrentie- en relatiebeding ligt dat naar het oordeel van de kantonrechter echter juist niet in de lijn der verwachtingen. Althans, niet met inachtneming van het in dat beding opgenomen verbod. Daar maken immers ook alle activiteiten van de aan Verwater gelieerde ondernemingen deel van uit.

5.12

Alles overziend en tevens rekening houdend met het feit dat [eiser] onverkort gebonden is aan een relatie- én geheimhoudingsbeding ten gunste van Verwater, acht de kantonrechter voorshands aannemelijk dat de afweging van de wederzijdse belangen van partijen in een bodemprocedure in het voordeel van [eiser] zal uitvallen en dat de bodemrechter het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk zal vernietigen omdat [eiser] door dit beding onbillijk wordt benadeeld. Dit geldt te meer nu het beding erg ruim geformuleerd is, in die zin dat het geografisch onbeperkt is en mede betrekking heeft op alle aan Verwater gelieerde ondernemingen. De kantonrechter zal daarom met inachtneming van het door [eiser] gestelde belang het concurrentiebeding met onmiddellijke ingang gedeeltelijk schorsen, namelijk voor zover dit ziet op de indiensttreding van [eiser] bij Bosma & Bronkhorst.

5.13

Verwater wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

6 De beslissing

De kantonrechter:

rechtdoende in kort geding,

schorst het concurrentiebeding dat is opgenomen in artikel 14 aanhef en onder a van de arbeidsovereenkomst tussen partijen met onmiddellijke ingang, in die zin dat het werknemer is toegestaan in dienst te treden bij Bosma & Bronkhorst;

veroordeelt Verwater in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 79,00 aan griffierecht, € 98,01 aan dagvaardingskosten en

€ 800,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E. van Schouten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

703