Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7225

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
10/660012-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor doodslag, het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen, mishandeling en bedreiging. Weigering verdachte mee te werken aan gedragskundig onderzoek. PBC-opname. De rechtbank legt 8 jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0694
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/660012-17

Parketnummer vordering TUL VV: 10/730488-14

Datum uitspraak: 30 mei 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht,

raadsvrouw mr. S. Epema, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 september 2017 en 17 mei 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Boender heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar, met aftrek van het voorarrest;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/730488-14.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering feit 1

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord, nu er gelet op het korte tijdsbestek van de gebeurtenis nauwelijks sprake kan zijn van kalm beraad en rustig overleg. De onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag kan bewezen worden. De verdachte heeft opzettelijk het slachtoffer van het leven beroofd door meermalen op hem te schieten.

4.1.2.

Standpunt verdediging

De verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord, omdat de voorbedachte rade niet bewezen kan worden. De verdediging heeft zich ten aanzien van de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.1.3.

Beoordeling

Op de avond van 3 januari 2017 bevond de verdachte zich op de [adres delict] in Capelle aan den IJssel . Hij had een geladen wapen bij zich. Rond 21.00 uur reed [naam slachtoffer 1] langs de verdachte en probeerde zijn auto in te parkeren. Hij reed de verdachte eerst voorbij en reed vervolgens terug om nogmaals in te parkeren. De verdachte liep vanaf de lantaarnpaal aan de overzijde van de straat af op de auto. Korte tijd later trok de verdachte zijn vuurwapen uit zijn tas en vuurde acht kogels af in de richting van [naam slachtoffer 1] . Vijf kogels raakten [naam slachtoffer 1] , die als gevolg hiervan is overleden.

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij sinds december 2016 voor zijn eigen veiligheid een vuurwapen bij zich droeg in bepaalde gebieden. In oktober 2016 was hij beschoten en hij vreesde voor zijn leven. Hij heeft verklaard dat hij het idee kreeg dat de bestuurder van de auto het op hem gemunt had. Daarop is hij naar de bestuurder toe gelopen. [naam slachtoffer 1] zou het raam en de deur open hebben gezet en zij hebben kort met elkaar gesproken. [naam slachtoffer 1] had volgens de verdachte hem aan zijn sjaal naar zich toe getrokken en reikte naar het dashboard, waardoor de verdachte in paniek raakte. Daarop heeft hij zijn vuurwapen uit zijn tas gehaald en op [naam slachtoffer 1] geschoten. De verdachte heeft verklaard dat zijn arm niet helemaal gestrekt was en dat hij het wapen een kwartslag gedraaid had.

Opzet

Op grond van het onderzoek ter zitting en de inhoud van het dossier stelt de rechtbank vast dat de verdachte welbewust op de automobilist [naam slachtoffer 1] is afgestapt en dat zijn vuurwapen heeft gepakt en heeft geschoten. Deze handelingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geïnterpreteerd dan dat verdachte daarmee beoogde [naam slachtoffer 1] te doden. De verklaring van de verdachte - volgens de raadsvrouw uitdrukkelijk niet als (putatief) noodweer(exces)verweer naar voren gebracht - dat hij zo heeft gehandeld omdat [naam slachtoffer 1] hem bij zijn sjaal vastpakte en naar het dashboard reikte, acht de rechtbank ongeloofwaardig, omdat dit is strijd is met de overige bevindingen in het dossier. De getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat hij gezien heeft dat de verdachte met gestrekte armen naast de auto stond. Uit het onderzoek van de Forensische Opsporing blijkt uit de gereconstrueerde schotkanalen dat het vuurwapen tijdens het schieten zich direct naast de auto en boven de linkerbuitenspiegel bevond.

Moord of doodslag

Voor bewezenverklaring van moord is vereist dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Hiervoor moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verdachte dient de gelegenheid te hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich

daarvan rekenschap te geven. Het komt daarbij aan op een weging en waardering van de omstandigheden van het geval.

De verdachte bevond zich enkele meters verwijderd van de auto van [naam slachtoffer 1] . Het lopen naar de auto duurde enkele seconden. Tussen het moment dat de verdachte op de auto van [naam slachtoffer 1] afliep en het moment dat hij zijn vuurwapen heeft getrokken en heeft geschoten is, afgaande op de informatie in het dossier, slechts korte tijd verstreken. Het dossier bevat onvoldoende bewijs waaruit kan blijken dat er sprake is geweest van een gelegenheid waarop de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen besluit. De rechtbank acht, zoals hiervoor overwogen, delen van de verklaring van de verdachte, met name zijn beschrijving van het handelen van het slachtoffer na het parkeren, ongeloofwaardig gelet op de gegevens bij forensisch onderzoek. Wel houdt de rechtbank elementen uit de verklaring van de verdachte omtrent zijn gemoedsgesteldheid in die nacht – verdachte heeft gesproken over zijn angst voor de dreiging vanuit een groep personen in de maanden ervoor – voor mogelijk. In samenhang met zijn onbekendheid met het slachtoffer, zijn er dan ook eerder aanwijzingen dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling dan met voorbedachte raad. De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder 1 impliciet ten laste gelegde moord.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande de verdachte schuldig aan het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag.

4.2.

Bewijswaardering feiten 3 en 4

4.2.1.

Standpunt verdediging

Bepleit is de verdachte vrij te spreken van de onder 3 ten laste gelegde mishandeling met het mes. Daartoe is aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte het opzet had op het toebrengen van pijn of letsel aan aangever [naam slachtoffer 2] . Ten aanzien van de onder 4 ten laste gelegde bedreiging heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat de verdachte stekende of snijdende bewegingen heeft gemaakt met het mes richting aangever [naam slachtoffer 2] . Voor de beoordeling van de bedreiging door het tonen van het mes, heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.2.2.

Beoordeling

Op 28 februari 2016 kwamen de verdachte en de aangever [naam slachtoffer 2] elkaar tegen in een winkelstraat te Rotterdam. De verdachte was daar samen met zijn vriendin en kinderen. Nadat [naam slachtoffer 2] uit de tram was gestapt, is de vriendin van de verdachte naar hem toe gelopen en ontstond er tussen hen een woordenwisseling. Hierop pakte de verdachte een mes uit de kinderwagen en toonde dit aan [naam slachtoffer 2] . [naam slachtoffer 2] voelde zich hierdoor bedreigd en pakte het mes met beide handen vast aan het lemmet. De verdachte zag dat [naam slachtoffer 2] het mes vast had. De verdachte trok vervolgens zijn hand met daarin het mes terug.

Van dit voorval waren meerdere omstanders getuige, waaronder [naam getuige 2] . Hij heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte met het mes steekbewegingen maakte richting [naam slachtoffer 2] . Zijn verklaring komt overeen met de verklaring van [naam slachtoffer 2] , dat de verdachte na het terugtrekken van het mes opnieuw stekende bewegingen in de richting van [naam slachtoffer 2] maakte.

Het gedrag van de verdachte, te weten het terugtrekken van een mes terwijl een ander het lemmet vast heeft, is naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht op het toebrengen van pijn dan wel letsel bij die ander. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte, door het mes terug te trekken op het moment dat [naam slachtoffer 2] het mes vasthield, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit gevolg in zal treden en hiermee het voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van pijn dan wel letsel bij die [naam slachtoffer 2] . Het verweer ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde wordt verworpen.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd door het tonen van het mes en door het maken van stekende bewegingen richting [naam slachtoffer 2] . In tegenstelling tot de verdediging, acht de rechtbank op grond van de aangifte en de getuigenverklaring van [naam getuige 2] wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ook stekende bewegingen heeft gemaakt. Het verweer ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde wordt verworpen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 03 januari 2017 te Capelle aan den IJssel opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met een vuurwapen kogels afgevuurd op het lichaam van die [naam slachtoffer 1] , waarbij die [naam slachtoffer 1] meermalen in de borst/romp is geraakt, ten gevolge waarvan die [naam slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij in de periode van 03 januari 2017 tot en met 06 januari 2017 te Capelle aan den IJssel en/of Rotterdam, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de

vorm van een (semi-automatisch werkend) pistool van het merk FN, type 1910/22, kaliber 7,65 mm voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen (aan [naam betrokkene] );

3.

hij op 23 februari 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door te snijden met een mes in de hand van die [naam slachtoffer 2] en dat mes terug te trekken terwijl die [naam slachtoffer 2] het lemmet van dat mes vasthield;

4.

hij op 23 februari 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- een mes aan die [naam slachtoffer 2] voorgehouden en

- met voornoemd mes stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [naam slachtoffer 2] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 doodslag;

2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,

en

handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet Wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

3. mishandeling;

4. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf en maatregel

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft op 3 januari 2017 zonder duidelijke aanleiding een semi-automatisch werkend vuurwapen op het slachtoffer [naam slachtoffer 1] leeggeschoten, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Het slachtoffer kwam nietsvermoedend uit zijn werk en parkeerde zijn auto voor de woning van zijn vriendin, waarbij hij totaal onverwacht werd benaderd door de verdachte die hem direct beschoot. De verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Daarnaast heeft de verdachte met zijn handelen de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed aangedaan. Dit is ook naar voren gekomen in de namens de nabestaanden voorgelezen slachtofferverklaring, waaruit onder meer is gebleken dat de kinderen voor hun levensonderhoud afhankelijk waren van het slachtoffer. Misdrijven als dit schokken bovendien de rechtsorde zeer en dragen in hoge mate bij aan gevoelens van onveiligheid en angst bij de burgers in het algemeen en met name bij hen die van het vuurwapengeweld getuige zijn geweest.

De verdachte heeft zich in de periode van 3 januari 2017 tot en met 6 januari 2017 schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een semi-automatisch werkend vuurwapen en het overdragen daarvan. De verdachte droeg naar eigen zeggen dit vuurwapen, dat was doorgeladen, meerdere keren in het openbaar, nadat hij dit in december 2016 had aangeschaft. Het voorhanden hebben van een doorgeladen vuurwapen met bijbehorende munitie kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen. Het bezit van wapens leidt vaak tot het gebruik daarvan. Daarnaast heeft de verdachte, in een poging het wapen weg te maken nadat hij daarmee [naam slachtoffer 1] had beschoten, dit overgedragen aan een ander met de opmerking om het weg te maken.

Daarnaast heeft de verdachte op 28 februari 2016 aangever [naam slachtoffer 2] na een woordenwisseling bedreigd met een mes. De verdachte was daarbij de agressor. Het slachtoffer gaf daartoe geen aanleiding. Deze kwam uit de tram toen hij werd benaderd door de vriendin van de verdachte, waarop de verdachte hem met het mes te lijf ging. Dit vond overdag plaats in een drukke winkelstraat. Ook heeft hij de aangever [naam slachtoffer 2] mishandeld door het mes terug te trekken op het moment dat die [naam slachtoffer 2] het lemmet van het mes vast had in een poging te voorkomen dat hij door het mes werd geraakt. De verwondingen van [naam slachtoffer 2] waren dusdanig dat zich over zijn gehele handpalm een snijwond bevond, die met 25 hechtingen is gehecht. Door aldus te handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijk en geestelijke integriteit van de aangever [naam slachtoffer 2] en blijk gegeven van een gewelddadige manier van handelen. Daar komt bij dat de verdachte met zijn handelen willekeurige omstanders, waaronder zijn jonge kinderen, heeft geconfronteerd met een geweldsmisdrijf en de gevolgen ervan.

Verdachte heeft zich met deze feiten schuldig gemaakt aan buitensporig geweld, waarbij hij steeds de initiator is en de gevolgen voor de slachtoffers zeer ernstig en in één geval zelfs fataal zijn gebleken.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 april 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Psychiater dr. D.J. Vinkers, heeft op 3 mei 2017 een rapport over de verdachte opgemaakt. De psychiater rapporteert dat de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, namelijk een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis en een beperking van de cognitieve vermogens tot ongeveer zwakbegaafdheid. Zijn persoonlijkheid heeft antisociale kenmerken, maar de diagnose moet uitgesteld worden omdat de verdachte zich bij vragen naar zijn levensloop op de vlakte houdt. Er zijn wel aanwijzingen voor antisociale persoonlijkheidsproblematiek, bijvoorbeeld impulsiviteit, een onverantwoordelijke en roekeloze levensstijl en snelle irritatie. Doordat de verdachte weigert te verklaren over de feiten, is het niet mogelijk om een uitspraak te doen over een eventuele relatie met een (mogelijke) stoornis, aldus de psychiater.

Psycholoog drs. J.J. van der Weele heeft op 4 mei 2017 een rapport over de verdachte opgemaakt. Ook bij de psycholoog heeft de verdachte niet verklaard over de ten laste gelegde feiten. De psycholoog rapporteert dat er bij de verdachte sprake is van een intellectueel functioneren op de grens van zwakbegaafdheid, van antisociale kenmerken in de persoonlijkheid en van een stoornis in het gebruik van alcohol en cannabis. Dit gold ook ten tijde van het ten laste gelegde. Er lijkt sprake te zijn van periodiek overmatig alcoholgebruik, alsmede van dagelijks gebruik van softdrugs. De psycholoog kan, nu de verdachte geen inzicht geeft in de achtergronden van het onder 1 ten laste gelegde feit, geen inschatting maken van het recidiverisico. Herhaling van de feiten ligt volgens de psycholoog wel voor de hand.

De verdachte is ter observatie overgebracht naar het Pieter Baan Centrum te Utrecht (hierna: PBC). De psychiater D.I. Kuijpers en psycholoog A.T. Spangenberg, beiden verbonden aan het PBC, hebben gezamenlijk een rapport opgemaakt op 7 maart 2018. Vanwege de weigering van de verdachte om mee te werken en het nagenoeg ontbreken van milieugegevens, was het niet mogelijk om een volledig rapport op te stellen. De verdachte functioneert volgens de deskundigen op een benedengemiddeld niveau en er zijn forse aanwijzingen voor middelenproblematiek, waarbij het opvalt dat de verdachte agressief wordt na alcoholgebruik. De deskundigen merken op dat er een discrepantie is tussen de over de verdachte beschikbare omschrijvingen en zijn presentatie in het PBC die doorgaans correct en vriendelijk is. Er zijn voorts aanwijzingen voor het bestaan van een cluster B-persoonlijkheidsproblematiek. Gezien de problemen op het gebied van criminaliteit en agressie, wordt vooral gedacht aan een schreefgroei in antisociale richting. Geconcludeerd wordt dat er bij de verdachte sprake is van een stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol. Deze stoornis was ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

De rechtbank heeft met de opname in het PBC getracht een totaalbeeld van de geestvermogens van de verdachte te verkrijgen en of de verdachte op grond van die geestvermogens een gevaar vormt voor de maatschappij. De verdachte heeft echter zeer beperkt zijn medewerking verleend aan het onderzoek.

Niettemin komt de rechtbank tot oplegging van de TBS-maatregel. Daarvoor dient de rechtbank in de eerste plaats vast te kunnen stellen dat de verdachte ten tijde van het begaan van de feiten leed aan een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Op grond van de voorgaande deskundigenrapportages kan vastgesteld worden dat er bij de verdachte in elk geval sprake is van een stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol. Deze stoornis was ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Zo heeft de verdachte op de zitting van 20 september 2017 verklaard dat hij op de dag dat hij de onder 1 bewezen verklaarde doodslag heeft gepleegd, bekers whiskey had gedronken en cannabis had gebruikt. Uit de deskundigenrapporten blijkt dat er bovendien aanwijzingen zijn voor het bestaan van cluster B-persoonlijkheidsproblematiek. Daarnaast functioneert de verdachte op een benedengemiddeld niveau.

De rechtbank stelt voorts vast dat het onder 1 en 4 bewezen verklaarde feiten misdrijven betreffen zoals bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1, Wetboek van Strafrecht.

Verder stelt de rechtbank, gelet op het strafblad van de verdachte, vast dat de verdachte reeds meermalen onherroepelijk is veroordeeld, ook voor geweldsmisdrijven, en dat de strafbare feiten met het verstrijken van de tijd steeds ernstiger worden. De thans bewezen verklaarde feiten kunnen niet anders dan als zeer ernstig worden beschouwd, waarbij eruit springt dat de verdachte zonder duidelijke aanleiding zijn magazijn met acht kogels heeft leeggeschoten op een hem onbekend in een auto zittend slachtoffer.

Ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten liep de verdachte nog in een proeftijd van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf. De eerder aan de verdachte opgelegde straffen en interventies, waaronder ambulante behandeling, hebben klaarblijkelijk geen invloed gehad op het ernstige delictgedrag van de verdachte. Uit het proces-verbaal van verbalisant [naam verbalisant] van 20 februari 2017, inhoudende mutaties die betrekking hebben op de verdachte, komt bovendien het beeld naar voren dat de verdachte vaker (zeer) gewelddadig gedrag vertoont, zonder kennelijke aanleiding. De rechtbank wijst voorts op het gedrag van de verdachte in de metro na het schietincident: volgens de getuige [naam getuige 3]1 in diens verklaring naar aanleiding van het vertonen van beelden uit de metro, zegt de verdachte daar tegen hem dat een andere reiziger in de metro een van de jongens is met wie hij problemen heeft en vraagt aan de getuige - nadat hij een pistool aan de getuige heeft laten zien - “moet ik hem wel schieten of niet schieten”, waarna de getuige de verdachte wees op de in de metro aanwezige camera’s. Dit gedrag, zo kort nadat hij het slachtoffer van het leven heeft beroofd, versterkt het beeld van de verdachte - in ieder geval onder invloed van middelen en/of alcohol - als een ongeleid projectiel. Dat de verdachte naar zijn eigen zeggen op dat moment onder druk dan wel dreiging van een groep stond, maakt hemzelf onder dergelijke omstandigheden niet minder gevaarlijk voor anderen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat gevaar voor herhaling aanwezig is en dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege eisen.

De rechtbank zal daarom aan de verdachte de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gelasten. De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan een periode van 4 jaar te boven gaan, nu vastgesteld wordt dat de onder 1 en 4 bewezen verklaarde strafbare feiten gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, gezien de ernst van de feiten, ook de oplegging van een gevangenisstraf thans passend en geboden is. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De rechtbank ziet in de oplegging van de TBS-maatregel echter aanleiding om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van aanzienlijk kortere duur dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank ziet, in verband met de aan de verdachte op te leggen TBS-maatregel, aanleiding om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 8 jaar.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

Het in beslag genomen vuurwapen dient te worden bewaard, ten behoeve van eventueel nader onderzoek in een mogelijke procedure in hoger beroep.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Beoordeling

Het vuurwapen behoort aan de verdachte toe. Het in beslag genomen vuurwapen zal worden verbeurd verklaard, nu de bewezen verklaarde feiten 1 en 2 met betrekking tot dit voorwerp dan wel met behulp van dit voorwerp zijn begaan. De rechtbank zal het vuurwapen niet in bewaring stellen met het oog op een mogelijke behandeling in hoger beroep, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, omdat hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat.

9 Vordering benadeelde partij [naam benadeelde 1] / schadevergoedingsmaatregel (feit 1)

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde 1] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 3.782,25 aan materiële schade en een vergoeding van € 86.251,- (door de rechtbank gemakshalve omgerekend van Zloty’s) aan immateriële schade.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De materiële schadevergoeding dient te worden toegewezen en hierbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde immateriële schadevergoeding dient volgens de officier te worden afgewezen, omdat er geen wettelijke grondslag is voor de gevorderde affectieschade.

9.2.

Standpunt verdediging

Bepleit is de gevorderde materiële schadevergoeding toe te wijzen, met uitzondering van het gevorderde leenbedrag in verband met de begrafeniskosten. Daarnaast is bepleit de gevorderde immateriële schadevergoeding af te wijzen, omdat naar het huidige recht hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat.

9.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde materiële schade bestaat uit vier posten: een geldlening gemaakt voor de begrafeniskosten, betaling van de kerkhofplaats en de bijbehorende kosten, gemaakte kosten in verband met de begrafenis en gemaakte kosten in verband met het opstellen van documenten.

Het deel van de vordering dat betrekking heeft op de betaling van de kerkhofplaats en de bijbehorende kosten, de gemaakte kosten in verband met de begrafenis en de gemaakte kosten in verband met het opstellen van documenten zijn genoegzaam onderbouwd en zullen worden toegewezen.

Het is onduidelijk gebleven of het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de geldlening gemaakt voor de begrafeniskosten op hetzelfde ziet als de post met de gemaakte kosten van de begrafenis. Een nader onderzoek naar deze schade

levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal in zoverre voor dit deel niet-ontvankelijk worden verklaard.

De gevorderde immateriële schadevergoeding bestaat uit affectieschade voor de moeder, de broers en de kinderen van het slachtoffer. De rechtbank realiseert zich dat het overlijden van een naaste bij de nabestaanden veel pijn en verdriet veroorzaakt en dat de toewijzing van een vordering ter vergoeding van affectieschade dit leed in beperkte mate kan verzachten. Echter, er dient voor de toewijzing van een dergelijke vordering van affectieschade een wettelijke grondslag te zijn. Naar het huidige recht in Nederland ontbreekt deze wettelijke grondslag. De rechtbank kan dus niet anders dan de verzochte vergoeding afwijzen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

10 Vordering benadeelde partij [naam benadeelde 2] / schadevergoedingsmaatregel (feit 3)

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde 2] ter zake van de onder 3 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.169,24 aan materiële schade en een vergoeding van € 2.500,- aan immateriële schade.

10.1.

Standpunt officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen tot een bedrag van

€ 2.893,24, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2.

Standpunt verdediging

Primair is bepleit de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 3 ten laste gelegde feit. De verdediging bepleit subsidiair de gevorderde kosten voor wat betreft de kledingstukken af te wijzen, nu deze post onvoldoende is onderbouwd, en de vordering voor wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren.

10.3.

Beoordeling

De gevorderde vergoeding aan materiële schade bestaat uit beschadigde kledingstukken, gemaakte niet vergoede medische kosten, het eigen risico van de zorgverzekering en de gemaakte reiskosten. De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezen verklaarde feit rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en zal de vordering voor wat betreft de medische kosten, het eigen risico en de gemaakte reiskosten toewijzen. De vordering die ziet op de beschadigde kledingstukken is onvoldoende onderbouwd en is door de verdediging betwist. Dit deel van de vordering wordt afgewezen.

Verder is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 750,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien nader onderzoek naar de gegrondheid van de omvang van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 23 februari 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

11 Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 12 mei 2016 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van het voorhanden hebben van een vuurwapen en mishandeling veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan een gedeelte, groot 103 dagen, voorwaardelijk, met een proeftijd twee jaar.

De proeftijd is ingegaan op 27 mei 2016.

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen verklaarde feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 57, 285, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 31 en 55 van de Wet Wapens en munitie.

13 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

14 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (zegge: acht) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

beslist ten aanzien van het voorwerp, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor de feiten 1 en 2 het in beslag genomen vuurwapen, kleur zilver, met SIN-nummer AAKY1623NL.

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 1.974,32 (zegge: duizendnegenhonderdvierenzeventig euro en tweeëndertig cent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 januari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering bestaande uit materiële schade;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst af het deel van de vordering betreffende de immateriële schade;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.974,32 (hoofdsom, zegge: duizendnegenhonderdvierenzeventig euro en tweeëndertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.974,32 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 29 dagen;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 1.143,24 (zegge: duizendhonderddrieënveertig euro en vierentwintig cent), bestaande uit € 393,24 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 februari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering betreffende de immateriële schade;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst af het resterende deel van de vordering betreffende de materiële schade;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.143,24 (zegge: duizendhonderddrieënveertig euro en vierentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.143,24 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 21 dagen;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 103 (honderddrie) dagen, van de bij vonnis van 12 mei 2016 met parketnummer 10/730488-14 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. J. van Dort en D. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Salah-Hashim, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 mei 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 03 januari 2017 te Capelle aan den IJssel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met een vuurwapen acht, althans een of meer kogels afgevuurd op het lichaam van die [naam slachtoffer 1] , waarbij die [naam slachtoffer 1] vijf maal, althans een of meermalen in de borst/romp is geraakt, ten gevolge waarvan die [naam slachtoffer 1] is overleden;

artikel 289/287 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 03 januari 2017 tot en met 06 januari 2017 te Capelle aan den IJssel en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de

vorm van een (semi-automatisch werkend) pistool van het merk FN, type 1910/22, kaliber 7,65 mm voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen (aan [naam betrokkene] );

artikel 26/31 jo 55 Wet wapens en munitie

3.

(parketnummer 10/741291-16)

hij op of omstreeks 23 februari 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door te steken/snijden met een mes in de hand(en) van die [naam slachtoffer 2] en/of dat mes terug te trekken terwijl die [naam slachtoffer 2] het lemmet van dat mes vasthield;

art 300 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 23 februari 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, aan die [naam slachtoffer 2] getoond/voorgehouden en/of

- met voornoemd mes stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [naam slachtoffer 2] .

artikel 285 Wetboek van Strafrecht

1 Proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 januari 2017, doorgenummerde p. 279.