Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:719

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
96/062844-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte is aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet. Hem is vervolgens meegedeeld dat hij recht heeft op consultatie- en verhoorbijstand, voor eigen rekening. De verdachte doet afstand van die rechten en legt vervolgens een bekennende verklaring af. Anders dan de verdediging aanvoert, is die mededeling correct. Dat betekent dat geen sprake is van een (onherstelbaar) vormverzuim. Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 96/062844-17

Datum uitspraak: 1 februari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ,

[woonplaats verdachte] ,

gemachtigd raadsman mr. M.G. van Wijk, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 juli 2017 – zulks op de voet van artikel 377, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) – en van 18 januari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A. Damen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Vaststaande feiten

Op 2 april 2017 omstreeks 02:25 u zien verbalisanten de verdachte een auto besturen op de rijksweg A16 te Dordrecht. Ter controle op de juiste naleving van de bij- of krachtens de Wegenverkeerswet gegeven voorschriften geven de verbalisanten de verdachte een stopteken en stellen zij een onderzoek in. Tijdens dit onderzoek blijkt dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard. De verdachte wordt om 02:40 u aangehouden en hem wordt medegedeeld dat hij recht heeft op consultatie- en verhoorbijstand voor eigen rekening. De verdachte doet afstand van die rechten en legt vervolgens een bekennende verklaring – namelijk dat hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard – af.

4.1.2.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verklaring die de verdachte na zijn aanhouding heeft afgelegd van het bewijs moet worden uitgesloten, omdat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Het onherstelbare verzuim zou er uit bestaan dat de verdachte bij zijn aanhouding niet is gewezen op zijn recht op kosteloze rechtsbijstand, wat in strijd is met artikel 3 lid 1 van de richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (pbEU L 142). De raadsman wijst voorts op het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:968), waarin volgens hem in een vergelijkbare casus is geoordeeld dat sprake was van een onherstelbaar vormverzuim. Gelet op het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, dient bewijsuitsluiting te volgen. Gevolg hiervan is dat de verdachte moet worden vrijgesproken.

4.1.3.

Beoordeling

In artikel 27c, leden 1 en 2 Sv wordt met ingang van 1 januari 2015 voorgeschreven dat aan verdachten mededeling gedaan wordt van “het recht op rechtsbijstand”. Sinds 1 maart 2017 is in artikel 28b Sv geregeld in welke situaties – voor aangehouden verdachten – de rechtsbijstand door de overheid wordt ingeschakeld en dus ook van overheidswege wordt betaald. Allereest gebeurt dat als sprake is van kwetsbare verdachten, ongeacht aard en ernst van het strafbare feit. Dan wordt namelijk via de raad voor rechtsbijstand een raadsman ingeschakeld (art. 28b lid 1 Sv). Als geen sprake is van een kwetsbare verdachte – overigens is gesteld noch gebleken dat de verdachte onder deze categorie valt – wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën strafbare feiten, zoals dat ook het geval was in de situatie vóór 1 maart 2017 onder de werking van de Aanwijzing rechtsbijstand.

Als sprake is van aanhouding op verdenking van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van 12 jaar of meer is gesteld, wordt melding gemaakt aan de raad voor de rechtsbijstand die dan een raadsman aanwijst (lid 1), en als sprake is van verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten wordt die melding gedaan als de verdachte desgevraagd rechtsbijstand wenst (lid 2). In die gevallen is sprake van kosteloze rechtsbijstand, uiteraard tenzij de verdachte de voorkeur geeft aan een door hem gekozen raadsman.

In het derde lid van art 28b Sv wordt bepaald dat, als de verdachte is aangehouden voor een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten en hij desgevraagd rechtsbijstand wenst, hij in de gelegenheid wordt gesteld contact op te nemen met een door hem gekozen raadsman.

Een gekozen raadsman is voor eigen rekening. In de memorie van Toelichting wordt uitdrukkelijk aangegeven dat bij aanhouding voor feiten waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten de verleende rechtsbijstand voor rekening van de verdachte is en dat Richtlijn nr. 2013/48/EU betrekking heeft op het recht op toegang tot een raadsman en nadrukkelijk niet gaat over het recht op gefinancierde rechtsbijstand1.

De verdachte is aangehouden voor een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten. Dat betekent dat hij volgens de geldende (nationale) wetgeving geen recht had op kosteloze rechtsbijstand.

Het door de verdediging aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2017 maakt dat niet anders. In die zaak was – anders dan in de onderhavige zaak – naast een verdenking van overtreding van artikel 9 lid 2 (en 8) van de Wegenverkeerswet ook sprake van verdenking van overtreding van artikel 2 van de Opiumwet. Aangezien artikel 2 van de Opiumwet een feit betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, was op grond van de destijds geldende Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor sprake van een situatie waar kosteloze rechtsbijstand de norm was en was de mededeling dat rechtsbijstand voor eigen rekening was onjuist.

Ter zitting heeft de raadsman nog aangevoerd dat op basis van artikel 3, eerste lid, onder a en b van Richtlijn nr. 2012/13/EU iedere (en dus ook deze) verdachte het recht heeft op kosteloze rechtsbijstand. Omdat die bepaling onjuist is geïmplementeerd, kan de verdachte een direct beroep daarop doen, aldus de raadsman.

Hiermee geeft de raadsman een verkeerde lezing van artikel 3, eerste lid, van die richtlijn. Daarin staat immers slechts dat lidstaten er op toe zien dat verdachten onverwijld informatie krijgen verstrekt over de procedurele rechten, zoals deze van toepassing zijn op grond van het nationale recht, over onder andere: a) het recht op toegang tot een advocaat en b) het recht op kosteloze rechtsbijstand en de voorwaarden waaronder deze bijstand kan worden verkregen. Deze bepaling roept geen zelfstandig recht op kosteloze rechtsbijstand in het leven.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank, net als de officier van justitie, tot de conclusie dat de verdachte geen recht had op kosteloze rechtsbijstand. Dat betekent dat de hem gedane mededeling - dat hij recht heeft op consultatie- en verhoorbijstand, maar wel voor eigen rekening - correct was en er dus geen sprake is van een vormverzuim. Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting wordt dan ook verworpen.

4.1.4.

Conclusie

Het feit is wettig en overtuigend bewezen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 2 april 2017 te Dordrecht terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten de categorie B en T, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Rijksweg A16, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Overtreding van artikel 9 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft het openbaar gezag ondermijnd door als bestuurder met een personenauto op de openbare weg te rijden, terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit is een ernstig feit, waarmee de verdachte de verkeersveiligheid, ter bescherming waarvan de regels inzake rijbewijzen zijn gegeven, in gevaar heeft gebracht.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 december 2017, betreffende de verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld, ook voor feiten betreffende de Wegenverkeerswet.

De Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting voor het besturen van een motorrijtuig in geval van een ongeldig verklaard rijbewijs gaan uit van 2 (twee) weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank acht, alles afwegende een gevangenisstraf van twee weken waarvan één week voorwaardelijk passend en geboden. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 (één) week niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. E.G. Fels en A. van Luijck, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 2 april 2017 te Dordrecht terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten de cetegorie B en T, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Rijksweg A16, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

(art 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994 )

1 Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2014-2015, 34157, nr. 3, paragraaf 3.3.1