Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:715

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
10-02-2018
Zaaknummer
6532654 VZ VERZ 17-29475
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Intrekking verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 sub h BW. Verweerster verzoekt proceskostenveroordeling. Compensatie proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6532654 VZ VERZ 17-29475

uitspraak: 31 januari 2018

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

de stichting

DE STICHTING ASVZ,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Sliedrecht,

verzoekster,

gemachtigde: mr. A. van der Harst, werkzaam bij Carante Groep,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verweerster,

gemachtigde: mr. W.H.J.W. de Brouwer.

Partijen worden hierna nader aangeduid als respectievelijk “ASVZ” en “ [verweerster] ”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het verzoekschrift, binnengekomen op 14 december 2017, met bijlagen;

  • -

    het verweerschrift, binnengekomen op 15 januari 2017, met bijlagen;

  • -

    de nader overgelegde productie 5 aan de zijde van [verweerster] , binnengekomen

op 22 januari 2017;

 de brief van de gemachtigde van ASVZ van 23 januari 2018 houdende een

verzoek tot intrekking;

  • -

    de faxbrief van de gemachtigde van [verweerster] van 23 januari 2018;

  • -

    de schriftelijke reactie van de gemachtigde van ASVZ van 23 januari 2018;

  • -

    de schriftelijke reactie van de gemachtigde van [verweerster] van 24 januari 2018.

1.2

De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

In deze procedure zal - voor zover van belang - worden uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

2.1

ASVZ is een organisatie voor zorg- en dienstverlening aan mensen met een verstandelijke beperking. ASVZ valt als zorginstelling onder de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

2.2

[verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1986, is op 14 april 2008 in dienst getreden bij ASVZ in de functie van Activiteitenbegeleider, laatstelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2.3

[verweerster] is werkzaam op de [naam locatie] Rotterdam. De cliënten op deze locatie hebben meervoudige beperkingen en ontvangen met een indicatie zorg en begeleiding op grond van de Wet langdurige zorg.

2.4

In de arbeidsovereenkomst van 27 maart 2008 is onder artikel 11 (Verklaring omtrent het gedrag) het volgende opgenomen:

“De arbeidsovereenkomst wordt gesloten onder de ontbindende voorwaarden van een verklaring omtrent het gedrag, welke binnen 2 maanden na indiensttreding in het bezit van de werkgever dient te zijn”.

2.5

In artikel 3.1 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz is het volgende opgenomen:

“De zorgaanbieder die een instelling is die Wlz-zorg verleent, is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag voor de zorgverleners die zorg verlenen aan zijn cliënten en voor andere personen dan zorgverleners die beroepsmatig met zijn cliënten in contact kunnen komen, welke niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de zorgaanbieder ging werken”.

2.6

[verweerster] is op 22 augustus 2017 (onherroepelijk) veroordeeld wegens mishandeling van haar minderjarige dochter (in medio mei 2017) onder strafverzwarende omstandigheden (artikel 300 lid 1 juncto artikel 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) tot 60 uur taakstraf, subsidiair tot 30 dagen hechtenis waarvan 30 uren taakstraf, subsidiair tot 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde zich te gedragen naar de aanwijzingen van de hulpverlenende instantie. De proeftijd is van kracht tot 5 september 2019. De minderjarige dochter van [verweerster] is (tijdelijk) uit huis geplaatst.

2.7

[verweerster] heeft op 14 september 2017 bij de Justitiële uitvoeringsdienst Toetsing, Integriteit en Screening (hierna: Dienst Justis) een Verklaring Omtrent het Gedrag

(hierna: VOG) voor haar functie als activiteitenbegeleider bij ASVZ aangevraagd.

De Dienst Justis heeft bij besluit van 3 november 2017 de aanvraag van [verweerster] afgewezen.

2.8

ASVZ heeft [verweerster] vanaf 15 november 2017 vrijgesteld van haar werkzaamheden.

2.9

[verweerster] heeft tegen het besluit van 3 november 2017 op 7 december 2017 een bezwaarschrift ingediend. De Dienst Justis heeft op 18 januari 2018 het bezwaar van [verweerster] gegrond verklaard. In de uitspraak van 18 januari 2018 is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

(…) “Naar aanleiding van de inhoud van uw bezwaarschrift en hetgeen mij in de bezwaarprocedure overigens bekend is geworden, ben ik thans tot een andere beslissing gekomen en zie ik aanleiding om de afwijzing van uw aanvraag te herroepen en u alsnog in het bezit te stellen van de door u gevraagde VOG.

De reden waarom ik thans na heroverweging tot een andere beslissing kom, houdt onder meer verband met feiten en/of omstandigheden die pas in de bezwaarfase bekend zijn geworden en die niet eerder bekend konden zijn.

Hierbij heb ik de door u tijdens de hoorzitting en in het bezwaarschrift gegeven nadere toelichting, met betrekking tot de specifieke omstandigheden waaronder het delict is gepleegd, in ogenschouw genomen. In uw geval heb ik hier waarde aan gehecht gezien uit de door u gevoegde documentatie blijkt dat u reeds sinds 2008 werkzaam bent bij ASVZ te Sliedrecht en dat uw teamleider aangeeft u te beschouwen als een evenwichtig persoon die goed is in haar werk en zich voor de volle honderd procent inzet. Voorts is door uw teamleider aangegeven dat zij op de hoogte is van uw thuissituatie en dat deze thuissituatie geen negatief effect heeft gehad op uw functioneren. Gezien er ook geen andere soortgelijke strafbare feiten zijn aangetroffen wil ik in onderhavige aanvraag dan ook meer gewicht toekennen aan het grote belang dat u heeft bij afgifte van de VOG.

Hoewel het strafbaar feit op zichzelf op gespannen voet staat met het doel waarvoor de VOG is aangevraagd, ben ik gezien bovenstaande van mening dat het belang dat u heeft bij verkrijging van de gevraagde VOG, zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen de vastgestelde risico’s”. (…)

3 Het geschil

3.1

Het initiële verzoek van ASVZ strekte tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [verweerster] op grond van artikel 7:669 lid sub h, uiterlijk op 1 maart 2018 en onder toekenning van een transitievergoeding van € 5.038,00 bruto, met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure.

3.2

ASVZ heeft - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd.

ASVZ is als een instelling die Wlz-zorg verleend, verplicht op grond van de wet van werknemers die met cliënten in aanraking kunnen komen te beschikken over een VOG. Wanneer ASVZ niet over een VOG beschikt, mag zij de betreffende werknemer geen werkzaamheden laten verrichten waarbij deze in aanraking kan komen met cliënten.

Een VOG is niet alleen verplicht bij aanvang van het dienstverband en van een werknemer kan gevraagd worden gedurende het dienstverband een nieuwe VOG over te leggen.

ASVZ hanteert daarbij een strikt beleid. Nadat ASVZ er kennis van heeft genomen dat de VOG aan [verweerster] is geweigerd heeft ASVZ [verweerster] per direct vrijgesteld van haar werkzaamheden. ASVZ kon niet anders dan overgaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. ASVZ handelt anders in strijd met (de ratio van) artikel 3 lid 2 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz en laat anders een onaanvaardbaar risico voor haar (kwetsbare) cliënten bestaan.

3.3

Het verweer van [verweerster] strekte tot afwijzing van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, met veroordeling van ASVZ in de kosten van het geding.

[verweerster] heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat artikel 3.1 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz uitsluitend ziet op het begin van het dienstverband. Het standpunt van ASVZ ten aanzien haar eigen strikte beleid is niet onderbouwd en uit niets is gebleken dat werknemers na hun aanstelling alsnog een VOG dienen te overleggen. ASVZ was bovendien reeds in mei 2017 van het incident op de hoogte en heeft er voor gekozen om daarop niet meteen te reageren. In de arbeidsovereenkomst is geen bepaling opgenomen waarin de werknemers wordt gewezen op het feit dat te allen tijde een VOG gevraagd kan worden. Ook is in de arbeidsovereenkomst geen ontbindende voorwaarde opgenomen waaruit blijkt dat de werknemer verplicht is om onverwijld melding te maken van omstandigheden die er toe zouden kunnen leiden dat niet opnieuw een VOG kan worden overgelegd. Het incident heeft voorts in mei 2017 plaatsgevonden, waarna [verweerster] vervolgens tot en met 15 november 2017 naar volle tevredenheid werkzaamheden heeft verricht voor ASVZ, zonder dat er onregelmatigheden zijn geconstateerd. Een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de h-grond is dan ook niet aan de orde.

3.4

ASVZ heeft per faxbrief van 23 januari 2018 haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingetrokken. De op 24 januari 2018 geplande mondelinge behandeling heeft daarmee geen doorgang gevonden. [verweerster] heeft zich laten bijstaan door een gemachtigde die bij verweerschrift reeds om een proceskostenveroordeling heeft verzocht. Bij faxbrief van 23 januari 2018 heeft (de gemachtigde van) [verweerster] het verzoek om een proceskostenveroordeling ook bij intrekking van het verzoek gehandhaafd.

3.5

[verweerster] stelt zich op het standpunt dat er geen reden was voor ASVZ om een verzoekschrift in te dienen, omdat er geen verplichting bestond om in het bezit te zijn van een VOG voor medewerkers die al langere tijd in dienst zijn. ASVZ heeft [verweerster] gedurende langere tijd werkzaamheden laten verrichten terwijl zij al op de hoogte was van het incident dat in mei 2017 heeft plaatsgevonden. [verweerster] meent dan ook dat ASVZ de bezwaarperiode had kunnen afwachten. [verweerster] heeft ook diverse keren aan ASVZ gevraagd om te wachten met indiening van het ontbindingsverzoek. Ten aanzien van het intrekkingsverzoek is ASVZ onvoldoende voortvarend te werk gegaan. De gemachtigde van [verweerster] heeft hierdoor alle noodzakelijke voorbereidingswerkzaamheden verricht waardoor er kosten zijn gemaakt aan de zijde [verweerster] .

3.6

ASVZ heeft verzocht het verzoek om een proceskostenveroordeling af te wijzen en zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het redelijk is dat beide partijen hun eigen kosten dragen. ASVZ acht het volstrekt onredelijk dat zij een bezwaarprocedure zou moeten afwachten, gelet op het mogelijk langdurige karakter van een dergelijke procedure.

ASVZ heeft bovendien kosten gemaakt ten aanzien van de onderhavige procedure en de doorbetaling van het loon van [verweerster] . [verweerster] heeft (de gemachtigde van) ASVZ op vrijdag 19 januari 2018 op de hoogte gebracht van de beslissing op bezwaar en op maandag 21 januari 2018 heeft ASVZ na intern overleg besloten om de procedure in te trekken. ASVZ heeft daarmee voortvarend gehandeld.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Op grond van het bepaalde in artikel 289 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een proceskostenveroordeling op verzoek of ambtshalve worden uitgesproken. Ingevolge het bepaalde in artikel 1.2.8. van het Procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken, kantonzaken kan een verzoek worden ingetrokken, zolang nog niet op het verzoekschrift is beslist. Wanneer bij het verweer om een kostenveroordeling wordt gevraagd en dit verweer na intrekking wordt gehandhaafd, zal de kantonrechter daarop beslissen.

4.2

Anders dan [verweerster] meent, is ASVZ niet alleen gerechtigd maar ook verplicht op grond van het Uitvoeringsbesluit dat is aangehaald in 2.5, van werknemers een VOG te verlangen, welke gedurende het dienstverband zijn geldigheid behoudt.

Dat ASVZ [verweerster] schorste vanaf het moment dat zij vernam dat aan [verweerster] geen voor haar organisatie geldige VOG meer werd verstrekt, is conform de verplichtingen welke op haar als organisatie rusten.

Dat ASVZ wellicht al eerder van de gebeurtenis in mei 2017 en de veroordeling afwist,

doet aan het voorgaande niet af. ASVZ kent [verweerster] als een goede werkneemster en was klaarblijkelijk niet van plan afscheid van haar te nemen vanwege de gebeurtenis in de privésfeer. Toen echter bleek dat [verweerster] niet meer over een geldig VOG kon beschikken, heeft zij [verweerster] terecht vrijgesteld van werkzaamheden.

4.3

Dat ASVZ vervolgens stappen onderneemt om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te komen, is begrijpelijk. Het is lang niet zeker dat bezwaar tegen het besluit en indien nodig beroep daartegen zou slagen. In ieder geval kan van ASVZ niet verwacht worden, gedurende die tijd het dienstverband te laten voortduren.

4.4

Nadat [verweerster] , nota bene mede dankzij de positieve berichtgeving van ASVZ, in bezwaar alsnog een VOG verstrekt kreeg, heeft ASVZ voortvarend genoeg gehandeld en heeft zij voor de mondelinge behandeling van het verzoekschrift het verzoek ingetrokken, klaarblijkelijk met de intentie het dienstverband continueren.

4.5

De kantonrechter meent dat gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden er alle reden voor is om te oordelen dat ieder van partijen de eigen kosten zal dienen te dragen.

4.6

Nu ASVZ haar ontbindingsverzoek heeft ingetrokken hoeft daar niet meer over beslist te worden.

5 De beslissing

de kantonrechter:

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

513/829