Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7100

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
C/10/547511 / HA ZA 18-330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident. Proceskostenzekerheid. Art. 224 Rv. Geschil over wijze van zekerheidsstelling. Art. 6:51 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2019/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/547511 / HA ZA 18-330

Vonnis in incident van 29 augustus 2018

in de zaak van

1. de vennootschap naar buitenlands recht

IFL INTERNATIONAL FREIGHT LINES LTD,

gevestigd te Hong Kong,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

IFB INTERNATIONAL FREIGHTBRIDGE (SHANGHAI) LTD,

gevestigd te Shanghai, China

3. de vennootschap naar buitenlands recht

IFB INTERNATIONAL FREIGHTBRIDGE(SHANGHAI)LTD TIAJI,

gevestigd te Tianjin, China,

4. de vennootschap naar buitenlands recht

IFB INTERNATIONAL FREIGHTBRIDGE PTE LTD,

gevestigd te Shanghai, China,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het vrijwaringsincident,

verweersters in het incident tot het stellen van proceskostenzekerheid,

advocaat mr. W.E. Boonk te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RAPID LOGISTICS B.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer,

gedaagde,

eiseres in het vrijwaringsincident,

eiseres in het incident tot het stellen van proceskostenzekerheid,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

E-BIKE NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Heumen,

gedaagde,

advocaat mr. S. Rötscheid te Almere.

Eiseressen zullen hierna IFL/IFB genoemd worden, gedaagde sub 1 Rapid en gedaagde sub 2 E-Bike.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingsexploten van 19 en 20 maart 2018, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie van Rapid houdende vordering tot het stellen van zekerheid voor proceskosten tevens incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring;

  • -

    de conclusie van IFL/IFB tot referte in het vrijwaringsincident tevens conclusie van antwoord in het zekerheidsincident;

  • -

    de akte van Rapid in het incident tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten;

  • -

    de antwoordakte van IFL/IFB in het zekerheidsincident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2 De vordering in de hoofdzaak

2.1.

IFL/IFB vorderen dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. voor recht verklaart (a) dat Rapid toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen jegens IFL/IFB, althans jegens IFL/IFB onrechtmatig heeft gehandeld, door de lading vervoerd onder de huiscognossementen met nummers TJAPLU719015009 en TJAPLU719015053 zonder presentatie van de originele cognossementen af te geven aan E-Bike en (b) dat Rapid op grond daarvan jegens IFL/IFB aansprakelijk is voor de door hen geleden schade;

  2. voor recht verklaart (a) dat IFL/IFB door aflevering van de lading vervoerd onder de huiscognossementen met nummers TJAPLU719015009 en TJAPLU719015053 aan E-Bike zonder dat deze de originele cognossementen heeft gepresenteerd onverschuldigd aan E-Bike hebben betaald, (b) dat E-Bike ter zake van de uit deze onverschuldigde betaling voortvloeiende ongedaanmakingsverbintenissen in verzuim is en (c) dat E-Bike op grond daarvan jegens IFL/IFB aansprakelijk is voor de door hen geleden schade;

  3. Rapid en E-Bike hoofdelijk, althans ieder voor de schade die haar aangaat, veroordeelt tot vergoeding van de door IFL/IFB geleden schade, nader op te maken bij staat;

  4. Raped en E-Bike hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding ter hoogte van USD 1.043.280,--;

  5. Rapid en E-Bike veroordeelt in de ten aanzien van haar gemaakte beslagkosten;

  6. E-Bike veroordeelt in de ten aanzien van haar gemaakte beslagkosten;

  7. Rapid en E-Bike hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.

3 Het geschil in het vrijwaringsincident

3.1.

Rapid vordert dat de rechtbank haar toestaat E-Bike Nederland B.V., statutair gevestigd te Heumen (hierna ook: E-Bike), tegen een door de rechtbank te bepalen roldatum in vrijwaring te doen dagvaarden teneinde op de eis in vrijwaring te antwoorden en voort te procederen, kosten rechtens.

3.2.

IFL/IFB refereren zich aan het oordeel van de rechtbank.

4 Het geschil in het incident tot het stellen van proceskostenzekerheid

4.1.

Rapid vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis IFL/IFB, althans een van hen, hoofdelijk veroordeelt tot het stellen van zekerheid binnen een termijn van vier weken na het wijzen het incidentele vonnis, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, voor een totaal bedrag van € 16.473,-- door middel van een bankgarantie op Rotterdams garantieformulier, laatste versie, door een eerste klas Nederlands bank, met hoofdelijke veroordeling van IFL/IFB, althans van meer of een van hen, in de kosten van dit geding.

4.2.

IFL/IFB concluderen uiteindelijk tot toewijzing van deze incidentele vordering, met dien verstande dat de zekerheid wordt gesteld door storting op de derdengeldrekening van de advocaat van IFL/IFB, met bevestiging dat het bedrag wordt gehouden ten behoeve van Rapid voor het geval in de hoofdzaak een proceskostenveroordeling ten gunste van Rapid wordt uitgesproken en ten behoeve van IFL/IFB voor het geval die proceskostenveroordeling achterwege zou blijven, een en ander met veroordeling bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis van Rapid in de kosten van dit incident.

4.3.

Op de stellingen van partij wordt hierna bij de beoordeling ingegaan, voor zover zij daarvoor van belang zijn.

5 De beoordeling in het vrijwaringsincident

5.1.

Ingevolge artikel 210 lid 1 Rv kan gedaagde iemand in vrijwaring oproepen indien hij meent hiertoe gronden te hebben. Voldoende is dat de gedaagde in de hoofdzaak genoegzaam stelt dat tussen hem en de derde een rechtsverhouding bestaat krachtens welke de derde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen.

5.2.

Gelet op de onweersproken stellingen van Rapid is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat er sprake is van een rechtsverhouding tussen Rapid en E-Bike die voor laatstgenoemde een verplichting tot vrijwaring meebrengt.

5.3.

De incidentele vordering zal derhalve worden toegewezen op de wijze als in het dictum van dit vonnis is bepaald.

5.4.

De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van dit incident aanhouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.

6 De beoordeling in het incident tot het stellen van proceskostenzekerheid

6.1.

Krachtens artikel 224 lid 1 van het Wetboek voor Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) – weergegeven voor zover hier van belang – zijn allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen, op vordering van de wederpartij verplicht tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. In lid 2 van dit artikel zijn onder a-d de vier gevallen opgesomd waarin geen verplichting tot het stellen van proceskostenzekerheid bestaat. Gesteld noch gebleken is dat een of meer van deze vier uitzonderingsgevallen zich in deze zaak voordoe(t)(n). Zo zijn de vier eiseressen in de hoofdzaak alle gevestigd in een land waarmee Nederland geen verdrag heeft gesloten dat voorziet in een vrijstelling van de proceskostenzekerheidsverplichting (zie sub 1 van lid 2 van artikel 224 Rv) en heeft Nederland met deze landen ook geen verdrag gesloten op grond waarvan een proceskostenveroordeling in een Nederlandse civiele uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd in (een van) deze landen (zie sub 2 van lid 2 van artikel 224 Rv).

6.2.

IFL/IFB zullen derhalve proceskostenzekerheid dienen te stellen.

6.3.

Wat betreft het bedrag aan proceskosten waarvoor IFL/IFB zekerheid dienen te stellen, hebben zij zich uiteindelijk gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Gelet op de onweersproken stellingen van Rapid op dit punt is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 16.473,-- een redelijk bedrag is. IFL/IFB zullen derhalve proceskostenzekerheid dienen te stellen ter hoogte van dit bedrag.

6.4.

Het geschil in dit incident tussen IFL/IFB en Rapid beperkt zich uiteindelijk tot de wijze waarop IFL/IFB zekerheid dienen te stellen. Rapid menen dat IFL/IFB zekerheid dienen te stellen door middel van het Rotterdams Garantieformulier, terwijl IFL/IFB van mening zijn dat zij aan deze verplichting hebben voldaan indien er een bedrag is gestort op de derdengeldenrekening van hun advocaat als hiervoor onder 4.2 nader uiteen is gezet. In dat verband overweegt de rechtbank het volgende.

6.5.

Voor de wijze waarop zekerheidsstelling op basis van artikel 224 Rv dient te geschieden, moet aansluiting worden gezocht bij het bepaalde in artikel 6:51 BW. In ieder geval is van belang dat gedaagde, Rapid, zonder moeite verhaal zal kunnen nemen op de aangeboden zekerheid. Het ligt in de rede dat de advocaten van partijen hierover met elkaar in overleg treden en afspraken maken over een adequate wijze van zekerheidsstelling waarbij wordt voorkomen dat (door een van partijen) nodeloze kosten dienen te worden gemaakt.

6.6.

IFL/IFB zullen worden veroordeeld tot het stellen van proceskostenzekerheid als na te melden.

6.7.

De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van dit incident aanhouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.

7 De beslissing

De rechtbank

in het vrijwaringsincident

7.1.

staat toe dat de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid E-Bike Nederland B.V., statutair gevestigd te Heumen (gedaagde sub 2) door Rapid (gedaagde sub 1) wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 24 oktober 2018;

7.2.

houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak,

in het incident tot het stellen van proceskostenzekerheid

7.3.

veroordeelt IFL/IFB hoofdelijk tot zekerheidsstelling voor een bedrag van
€ 16.473,-- ter zake van de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld kunnen worden, ten behoeve van Rapid;

7.4.

bepaalt dat de zekerheid, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, uiterlijk 26 september 2018 moet zijn gesteld;

7.5.

beveelt IFL/IFB binnen één week na het stellen van zekerheid de rechtbank en de advocaat van Rapid hiervan schriftelijk in kennis te stellen onder vermelding van de vorm waarin de zekerheid is gesteld;

7.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.7.

houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak,

in de hoofdzaak

7.8.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 10 oktober 2018 voor akte uitlating door Rapid over de vraag of zekerheid is gesteld door IFL/IFB met inachtneming van r.o. 6.5.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2018.

901/1729