Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7059

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
10/681015-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens diefstal met bedreiging. Gevangenisstraf voor de duur van negen maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/681015-18

Datum uitspraak: 12 juli 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd

in de PI Rotterdam locatie De Schie,

raadsvrouw mr. E.J. van Pelt, advocaat te Zwijndrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 juni 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.A. van Wijk heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4 Waardering van het bewijs

Feit 2

4.1.

Vrijspraak

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

Er kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank acht op grond van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de inbraak bij aangever [naam slachtoffer 2] heeft gepleegd of dat hij daarbij enige voor medeplegen relevante rol heeft gespeeld.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 2 tenlastegelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Feit 1

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

Er kan niet worden geconcludeerd dat het de verdachte was die aangever [naam slachtoffer 1] heeft beroofd van zijn portemonnee, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Het signalement van de verdachte wordt nergens juist genoemd en het zo herkenbare, geheel rode trainingspak dat de verdachte die avond droeg, wordt door de aangever juist niet benoemd. Daarnaast heeft de verdachte de auto bestuurd en is hij dus niet aan de passagierszijde uitgestapt, zoals door de aangever is verklaard.

4.2.2.

Beoordeling

In de nacht van 7 op 8 april 2018 fietst aangever [naam slachtoffer 1] vlakbij zijn huis wanneer hij een persoon met een breekijzer of koevoet in zijn hand de dijk op ziet lopen, komende vanaf het huis van zijn buurman. In eerste instantie fietst hij door, maar al snel is hij kennelijk van mening dat hij toch iets moet doen en spreekt hij de persoon aan. De lopende man stopt ter hoogte van de kerk, waar een goud- en zwartkleurige auto staat geparkeerd. Uit deze auto stappen twee anderen mannen die zich bij deze man voegen. Aangever heeft verklaard dat de man die aan de passagierszijde uit de auto stapte, een roodkleurig trainingsjack droeg. Alle drie de mannen hebben volgens de aangever een donkere huidskleur. De man met het breekijzer houdt dit dreigend tegen de knie van aangever, de man met het rode trainingsjack begint aangever te betasten en pakt diens portemonnee uit diens kontzak. Wanneer de buit binnen is, mag aangever vertrekken.

De verdachte heeft vanaf het moment van zijn aanhouding ontkend betrokken te zijn geweest bij deze straatroof. In eerste instantie verklaart hij wel in de zwart- en goudkleurige auto te hebben gereden, maar op de [adres delict] is hij niet geweest.

Pas bij zijn laatste verhoor en op de terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij die nacht als bestuurder in de zwart- en goudkleurige auto heeft gereden en op de [adres delict] in de auto is blijven wachten op zijn passagier die daar is uitgestapt, maar dat hij geen weet had van wat er buiten de auto gebeurde. Hij heeft, zo volgt uit zijn verklaring, twintig minuten voor zich uit gestaard, zonder enig bewustzijn van wat er om hem heen plaatsvond. Ook de mannen die daar bij hem in de auto stapten weet hij niet te omschrijven, buiten het blonde haar van één van hen. Een rood trainingsjack droeg hij wel, maar daarnaast droeg hij ook een rode broek en een rode pet.

De verdachte heeft bij de politie steeds wisselende en inconsistente verklaringen afgelegd, waarbij hij zijn verhaal steeds heeft aangepast op het moment dat hij geconfronteerd werd met bewijs dat zijn verhaal tegensprak. De uiteindelijke verklaring van de verdachte wordt niet ondersteund door ander bewijsmateriaal. De rechtbank acht de uiteindelijke verklaring van de verdachte dat hij enkel lange tijd als bestuurder in de auto op de [adres delict] zat en niet aan de passagierskant is uitgestapt dan ook niet geloofwaardig. Dat de aangever niet heeft verklaard dat degene die de portemonnee van hem afpakte een geheel rood trainingspak aanhad in plaats van alleen een rood trainingsjack, acht de rechtbank geen doorslaggevende factor, nu alleszins voorstelbaar is dat iemand die beroofd wordt niet alle details van de dader kan omschrijven en de verdachte bovendien niet heeft verklaard dat een ander dan hij op dat moment ook een rood trainingsjack aanhad en dit evenmin uit de bewijsmiddelen volgt.

De rechtbank acht bewezen dat het de verdachte is geweest die samen met twee anderen aangever [naam slachtoffer 1] heeft bestolen, waarbij de verdachte als persoon met het rode trainingsjack diens portemonnee heeft gepakt.

4.2.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 08 april 2018 te Papendrecht,

op de openbare weg, de [adres delict] , tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een portemonnee (met daarin één of meer bankpassen en een tankpas en een

rijbewijs en een verzekeringspas), geheel toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , ,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld bestond uit het

- dreigend tonen van een breekijzer, althans een daarop gelijkend voorwerp aan die [naam slachtoffer 1] en

- houden van dat breekijzer / voorwerp tegen een knie van die [naam slachtoffer 1] en

- betasten van die [naam slachtoffer 1] en voelen in en doorzoeken van de zakken van die [naam slachtoffer 1] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een straatroof op de openbare weg. Het slachtoffer sprak, midden in de nacht, één van de verdachten aan op een situatie die hij verdacht vond, waarna twee anderen zich bij de man voegden en het slachtoffer werd omsingeld door de drie personen. De verdachte en zijn medeverdachten hebben het slachtoffer bedreigd met geweld door een stuk ijzer tegen diens knie te houden, waarna zijn portemonnee is weggenomen.

De rechtbank rekent het de verdachte en zijn medeverdachten zwaar aan dat zij een persoon die zijn burgerplicht deed, hebben beroofd. Met hun handelen hebben de verdachte en de medeverdachten op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft verklaard langere tijd last te hebben gehad van wat hem is overkomen. Dergelijke straatroven zijn niet alleen beangstigend voor de slachtoffers, maar zij brengen ook bij de rest van de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid teweeg, zeker wanneer berovingen worden gepleegd op de openbare weg en gedurende de nacht. De verdachte heeft zich hiervan kennelijk geen rekenschap gegeven.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 juni 2018, waaruit blijkt dat de verdachte in het recente verleden vaker is veroordeeld voor vermogensdelicten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een vroeghulprapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 11 april 2018. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Omdat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte hulp nodig heeft bij het zinvol invullen van de toekomst zoals hij deze op de terechtzitting heeft geschetst, zal een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk worden opgelegd, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

Nu nog altijd sprake is van ernstige bezwaren en de recidive grond zich nog steeds voordoet, zal het verzoek van de verdediging tot opheffing van de voorlopige hechtenis worden afgewezen.

8 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1860,00 aan materiële schade, waartoe de rechtbank ook de loonderving rekent, en € 575,00 voor de gemaakte proceskosten.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft voorgesteld de door de benadeelde partij opgevoerde posten ‘portemonnee, tankpas, rijbewijs, contanten en vaarbewijs’ met een totaalbedrag van € 260,00 toe te wijzen. Daarnaast heeft zij gevorderd de post betreffende de gederfde inkomsten toe te wijzen tot een geschat bedrag van € 500,00 en de benadeelde partij voor het overige deel van deze post niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de proceskosten heeft de officier van justitie gevorderd de benadeelde partij hierin niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de opgevoerde posten geen kosten zijn die binnen de regeling van deze vergoeding vallen.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij in het geheel af te wijzen of niet-ontvankelijk te verklaren, vanwege het ontbreken van een afdoende onderbouwing.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

- De post ‘rijbewijs’ met een bedrag van € 75,00 zal worden toegewezen. In de aangifte wordt door de benadeelde partij geen melding gemaakt van het wegnemen van het vaarbewijs en de contanten en de waarde van de tankpas en de portemonnee kan – anders dan het (spoed)rijbewijs – door de rechtbank niet worden vastgesteld zonder een onderbouwing. Om die reden zullen deze posten niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht;

- De post betreffende de gederfde inkomsten wordt door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd en nader onderzoek naar de omvang van dit deel van de vordering een uitgebreide nadere behandeling zou vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. Dit deel van de vordering kan om die reden slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht;

- De proceskosten worden toegewezen, waarbij deze evenwel tot op heden worden begroot op nihil, omdat de posten zoals deze op dit moment zijn aangevoerd (loonderving van de benadeelde partij en zijn vader om naar de zitting te komen) geen proceskosten zijn die op de voet van artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering voor vergoeding in aanmerking komen.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag wordt vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 april 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt tot op heden, zoals overwogen, begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 75,00, vermeerderd met de wettelijke rente en de kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden algemene voorwaarden overtreedt dan wel tijdens die proeftijd na te melden bijzondere voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarde:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 75,00 (zegge: vijfenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] te betalen € 75,00 (hoofdsom, zegge: vijfenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 75,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 dag; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.W.M. Laurijssens, voorzitter,

en mrs. K. Bakker en F. van Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.R. Moraal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 08 april 2018 te Papendrecht,

op de openbare weg, de [adres delict] , althans op een openbare weg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen

een portemonnee (met daarin één of meer bankpassen en/of een tankpas en/of een

rijbewijs en/of een verzekeringspas), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van

voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

bestond(en) uit het

- dreigend tonen van een breekijzer, althans een daarop gelijkend voorwerp aan die [naam slachtoffer 1] en/of

- houden van dat breekijzer / voorwerp tegen of bij een knie van die [naam slachtoffer 1] en/of

- betasten van die [naam slachtoffer 1] en/of en/of voelen in en/of doorzoeken van de zakken van die [naam slachtoffer 1] .

2.

hij op of omstreeks 08 april 2018 te Papendrecht

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening in/uit een woning gelegen aan

de [adres delict] heeft weggenomen een horloge en/of een I-pad en/of

(een) sleutel(s) van een electrische fiets, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of

zijn mededader(s), die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik had(den)

gebracht door middel van braak en/of verbreking.