Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7041

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-08-2018
Datum publicatie
30-10-2020
Zaaknummer
17/2154
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Wet politiegegevens. Verweerder heeft de geconstateerde gebreken voldoende hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 17/2154

einduitspraak van de meervoudige kamer van 24 augustus 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de korpschef van politie, verweerder,

gemachtigde: mr. P.H.J.J. Schunselaar,

met als derde partij: de Officier van Justitie, van het arrondissementsparket Oost-Nederland.

Procesverloop

Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 19 januari 2018 verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak, ECLI:NL:RBROT:2018:349.

In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 12 april 2017 (het bestreden besluit) in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onzorgvuldig tot stand is gekomen en in strijd met artikel 3:46 van de Awb ondeugdelijk is gemotiveerd en heeft zij verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.

Bij besluit van 12 maart 2018 (het herstelbesluit) heeft verweerder gebruik gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Bij brief van 9 april 2018 heeft eiser hierop gereageerd. Bij brief van 8 mei 2018 heeft verweerder gereageerd op deze brief van eiser.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Verweerder heeft in het herstelbesluit eiser alsnog de gelegenheid geboden tot inzage in de door de rechtbank in de tussenuitspraak genoemde documenten waarvan is geoordeeld dat geheimhouding (geheel of gedeeltelijk) niet is gerechtvaardigd.

2. Eiser stelt dat er nog steeds stukken ontbreken. Hij stelt dat er meer contactbladen van de familierechercheurs moeten zijn dan waaruit in het herstelbesluit wordt geciteerd. Eiser meent dat de machtigingen van de officier van justitie dan wel de rechter-commissaris die nodig zijn geweest voor het strafrechtelijk onderzoek ontbreken. Het herstelbesluit maakt naar de mening van eiser ten onrechte geen melding van audiovisuele opnames, laat staan van de mogelijkheid tot inzage hierin. Eiser acht het erg onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig dat er geen documenten zijn waarbij gegevens naar hem verwijzen gezien het feit dat beslag is gelegd op de nalatenschap. Verweerder heeft in dat kader ten onrechte volstaan met het doorzoeken van documenten op de tijdens de zitting genoemde termen “erfgenaam” en “oudste broer”. Eiser is van mening dat het herstelbesluit ten onrechte niet vermeldt aan welke andere personen of instanties dan politie, Koninklijke Marechaussee en de programmamakers van Peter R. de Vries de politiegegevens zijn verstrekt. Naar de mening van eiser heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 32, derde lid, van de Wet politiegegevens (Wpg) door documenten voortijdig te verwijderen. Eiser wijst erop dat het onthouden dan wel anonimiseren van verklaringen van derden/getuigen die hebben verklaard over zijn persoon zijn rechten kan schaden. Eiser meent ook dat verweerder niet kan volstaan met het ter inzage geven van de documenten, maar een afschrift daarvan aan hem dient toe te sturen.

3. De rechtbank overweegt dat op grond van de stukken, de brief van verweerder van 8 mei 2018 in het bijzonder, moet worden aangenomen dat verweerder niet beschikt over meer of andere documenten dan de in het herstelbesluit genoemde documenten waarin familierechercheurs de contactmomenten met de familie hebben verwerkt. De rechtbank heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten kunnen vinden om te oordelen dat het document “Contactbladen familierechercheurs” niet het enige document is waarin de contactmomenten met de familie zijn verwerkt. Er zijn evenmin aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het door verweerder uitgevoerde onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest.

4. De rechtbank overweegt verder dat op grond van de stukken, de brief van verweerder van 8 mei 2018 in het bijzonder, moet worden aangenomen dat verweerder niet beschikt over een machtiging van de rechter-commissaris dan wel officier van justitie. De rechtbank is overigens met verweerder van oordeel dat machtigingen van de rechter-commissaris of van de officier van justitie niet vallen onder het regime van de Wpg.

5. De rechtbank heeft reeds in de tussenuitspraak overwogen dat verweerder aan de informatieplicht heeft voldaan doordat eiser kennis mag nemen van de uitgeschreven tekst van het audiovisueel verhoor van eiser. Verweerder was derhalve niet gehouden hierop in het herstelbesluit nader in te gaan.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het herstelbesluit voldaan aan (rechtsoverweging 9.1 van) de tussenuitspraak door de documenten te doorzoeken op omschrijvingen als ‘oudste broer’ of ‘erfgenaam’.

7. De rechtbank stelt op grond van de stukken vast dat niet bekend is dat aan anderen dan de programmamakers van Peter R. de Vries gegevens zijn verstrekt. Nu de rechtbank in (rechtsoverweging 10.2 van) de tussenuitspraak heeft geoordeeld dat er geen gevolgen worden verbonden aan het ontbreken van de precieze gegevens die met derden - de programmamakers van Peter R. de Vries - zijn gedeeld, is er geen sprake van een gebrek dat verweerder in het herstelbesluit hoefde te herstellen.

8. Met betrekking tot de stelling van eiser dat verweerder in strijd met artikel 32, derde lid, van de Wpg heeft gehandeld door documenten voortijdig te verwijderen overweegt de rechtbank dat verweerder in de brief van 8 mei 2018 voldoende heeft gemotiveerd dat dit registraties en bijbehorende politiegegevens betreffen die ouder dan vijf jaar zijn na hun eerste verwerking en om deze reden op grond van artikel 8, zesde lid, van de Wpg zijn verwijderd.

9. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat het onthouden dan wel anonimiseren van verklaringen van derden/getuigen, die hebben verklaard over de persoon van eiser niet de rechten van eiser schaadt. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1040, blijkt namelijk dat het in artikel 28, eerste lid, van de Wpg neergelegde correctierecht is bedoeld om feitelijke onjuistheden in het politiedossier te laten wijzigen. Het correctierecht is niet bedoeld om verklaringen van derden waarin indrukken, meningen en conclusies zijn weergegeven waarmee een betrokkene zich niet kan verenigen of waarin gebeurtenissen zijn omschreven die zich mogelijk niet hebben voorgedaan, te laten corrigeren of wijzigen. De vraag of de verklaring op waarheid berust wordt op een later moment (door de strafrechter) beantwoord op basis van alle in het dossier beschikbare informatie.

10. Uit (onder meer) de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1852 volgt dat verweerder niet gehouden is eiser afschriften van de documenten te verstrekken. Verweerder heeft voldaan aan zijn verplichting door eiser de mogelijkheid te bieden de gegevens in te zien op een in overleg met eiser nader te bepalen plaats en tijdstip.

Conclusie rechtbank

11. Gelet op al hetgeen hierboven is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder met het besluit van 12 maart 2018 de in de tussenuitspraak ten aanzien van het besluit van 12 april 2017 geconstateerde gebreken in voldoende mate heeft hersteld.

12. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Nu verweerder met het herstelbesluit de gebreken heeft hersteld en daardoor de rechtsgevolgen heeft gewijzigd, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit, zoals aangepast met het herstelbesluit, in stand laten.

13. Met inachtneming van rechtsoverweging 3 van de tussenuitspraak zal de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk verklaren. Overeenkomstig rechtsoverweging 4 van de tussenuitspraak zal de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zoals opgedragen door de rechtbank bij de uitspraak van 17 november 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:8749), niet-ontvankelijk verklaren.

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal verweerder worden opgedragen aan eiser het betaalde griffierecht te vergoeden.

15. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het OM niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit, zoals dat is aangepast met het herstelbesluit, in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 168,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, voorzitter, en mr. A.S. Flikweert en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. J.V. Baan-de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar geschied op 24 augustus 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak van 19 januari 2018 kan binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.