Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7037

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
10/740579-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inbraak woning te Moordrecht met grote buit aan contant geld. Technische ondersteuning AIVD aan politie (art. 63 lid 1 Wiv 2002, vergelijk art. 95 lid 1 Wiv 2017). Het ontbreken van ministeriële ondertekening is geen verzuim dat is begaan in het verband van het voorbereidend onderzoek (art. 359a Sv). Niet is gebleken dat de officier van justitie doelbewust om strafvorderlijke waarborgen buiten toepassing te laten geen opsporingsbevoegdheden heeft gebruikt om die informatie te kunnen gebruiken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/740579-17

Datum uitspraak: 12 juli 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

gemachtigd raadsvrouw mr. Y. Polko, advocaat te 's-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 28 juni 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. Pols heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het primair tenlastegelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van het voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

Primair tenlastegelegde

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Subsidiair tenlastegelegde

4.2.

AIVD-ondersteuning in verband met een in beslag genomen telefoon

4.2.1.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit dat beginselen van een goede procesorde zodanig zijn geschonden, dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet volgen. De officier van justitie heeft de AIVD ingeschakeld om gegevens uit de telefoon van een medeverdachte te krijgen, met name WhatsApp-gesprekken, waardoor controle en toetsing niet mogelijk zijn. Om strafvorderlijke waarborgen buiten toepassing te laten, zijn doelbewust geen opsporingsbevoegdheden gebruikt om door de AIVD vergaarde informatie te kunnen gebruiken. Voor de verdachte levert dit schending van de artikelen 6 en 8 van het Verdrag voor de rechten van de mens op. Subsidiair moet vanwege het bovenstaande betoog bewijsuitsluiting plaatsvinden ten aanzien van de gegevens die afkomstig zijn uit de telefoon van de medeverdachte.

4.2.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat art. 63 Wiv 2002 aan de AIVD de bevoegdheid toekent voor het door de officier van justitie verzochte, en vervolgens verrichte onderzoek. Onbekend is waarom dit verzoek aan de AIVD is gedaan. In het dossier bevindt zich geen ministeriële toestemming. Dit betreft echter een interne toestemmingslijn tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties en de AIVD, die geen deel uitmaakt van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv. De officier van justitie concludeert dat geen sprake is van een normschending als bedoeld in artikel 359a Sv. Het openbaar ministerie is reeds daarom ontvankelijk in de vervolging en de gegevens uit de telefoon van de verdachte [naam medeverdachte 1] en het naar aanleiding van die gegevens vergaarde bewijs, dienen niet te worden uitgesloten van het bewijs.

4.2.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat art. 359a Sv ziet op normschendingen in het kader van de opsporing. Artikel 359a Sv vindt geen toepassing bij AIVD-onderzoek, dat plaatsvindt buiten de verantwoordelijkheid van de politie en het openbaar ministerie. Dit neemt niet weg dat onder omstandigheden de resultaten van door de AIVD ingesteld onderzoek niet als bewijs mogen worden gebruikt. Dit speelt bijvoorbeeld in het bijzondere geval dat doelbewust en om strafvorderlijke waarborgen buiten toepassing te laten, geen opsporingsbevoegdheden zijn gebruikt om door de AIVD vergaarde informatie te kunnen gebruiken (vgl. HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122).

Art. 63, eerste lid, Wiv 2002, dat gold ten tijde van het verzoek, bepaalt dat de diensten bevoegd zijn op schriftelijk verzoek van het daartoe bevoegde gezag technische ondersteuning te verlenen aan de met opsporing van strafbare feiten belaste instanties. Voor zover de WhatsApp-informatie al is vergaard door de AIVD en niet door de politie zelf, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de officier van justitie doelbewust om strafvorderlijke waarborgen buiten toepassing te laten geen opsporingsbevoegdheden heeft gebruikt om die informatie te ontsluiten en te kunnen gebruiken. De reden voor het verzoek aan de AIVD is onbekend. Het dossier, met name de enkele weergave van de WhatsApp-groep en -gesprekken, duidt daarop ook niet. Het openbaar ministerie is daarom ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. Het bijzondere geval dat de resultaten van het alsdan door de AIVD ingestelde onderzoek niet tot het bewijs mogen worden gebruikt, doet zich gelet op het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet voor.

De rechtbank is voorts van oordeel dat geen sprake is van enige schending van beginselen van een goede procesorde.

De rechtbank verwerpt reeds hierom het verweer in al zijn onderdelen.

4.3.

Bewijswaardering

4.3.1.

Beoordeling

Op basis van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

De rechtbank gaat bij de bewezenverklaring uit van het geldbedrag zoals dit is aangetroffen in de [autotype 2] en in de woning van medeverdachte [naam medeverdachte 1] , te weten

€ 312.042,83. Voor het overige bedrag is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

[naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] op 22 november 2017 te [plaatsnaam delict] ,

tezamen en in vereniging

- een (groot) geldbedrag van totaal

312.042,83 euro en

- een portemonnee en

- twee ringen (merk Buddha to Buddha) en

- één of meer cadeaubon(nen) en document(en) van [naam bedrijf] ,

die geheel aan anderen dan aan die [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] toebehoorden, te weten aan [naam slachtoffer] en/of [naam bedrijf] en/of een

(vooralsnog) onbekend gebleven persoon

in een woning, gelegen aan de [adres delict 1]

hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en

die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 22 november 2017 in Nederland inlichtingen heeft verschaft, door die [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] informatie te verstrekken over waar de bewoner/eigenaar van [naam bedrijf] zich op dat moment bevond door op 22 november 2017 om 20.58 uur een WhatsApp-bericht aan die [naam medeverdachte 1] en die [naam medeverdachte 2] te versturen met daarin de tekst: "De pooier is in Amsterdam"

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldigen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

Met informatie verkregen van een peilbaken dat onder de auto van aangever [naam slachtoffer] was geplaatst, heeft de verdachte op de avond van 22 november 2017 aan zijn medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] de inlichting verschaft dat [naam slachtoffer] zijn huis in [plaatsnaam delict] had verlaten en in Amsterdam was. Hierop hebben de medeverdachten in de woning ingebroken en hebben zij onder meer de omzet van een paar weken van [naam slachtoffer] bedrijf [naam bedrijf] , ruim € 312.000, weggenomen. Een paar uur na de inbraak was de verdachte klaar met werken en heeft hij zich bij de medeverdachten gevoegd. De volgende dag hebben de drie mannen gezamenlijk het huis van medeverdachte [naam medeverdachte 1] verlaten en namen zij een deel van het gestolen geld mee. In de [autotype 1] van de verdachte is een tas met de bedrijfsportemonnee en administratie van [naam bedrijf] aangetroffen. De rest van het geld heeft de politie in de [autotype 2] waarin de medeverdachten reden en in de woning van medeverdachte [naam medeverdachte 1] teruggevonden.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij en zijn medeverdachten door hun georganiseerde en geraffineerde wijze van handelen niet alleen het slachtoffer en zijn partner een onveilig gevoel in hun eigen woning en bedrijf hebben bezorgd, maar ook dat zij een ondernemer hebben gedupeerd door de omzet van een aantal weken te stelen. Het is ook geenszins aan hen te danken dat die buit is teruggekomen. De verdachte heeft laten zien geen enkel respect te hebben voor andermans eigendommen, hij heeft geen oog gehad voor de schade die zo wordt veroorzaakt en heeft zich kennelijk enkel laten leiden door zijn zucht naar geldelijk gewin. Bovendien dragen dergelijke strafbare feiten bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 juni 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gezien de naar verhouding beperkte rol die de verdachte in het geheel heeft ingenomen en gelet op het feit dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. In plaats daarvan worden een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf, met de voorwaarden die hierna worden genoemd, opgelegd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geldbedrag van € 312.042,83 terug te geven aan de rechthebbende [naam slachtoffer] / [naam bedrijf] .

8.2.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag heeft de verdediging geen standpunt ingenomen.

8.3.

Beoordeling

Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag van € 312.042,83 zal een last tot teruggave aan de rechthebbende [naam bedrijf] worden gegeven.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 48, 49 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 190 (honderdnegentig) uur te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 95 (vijfennegentig) dagen.

gelast de teruggave aan de rechthebbende [naam bedrijf] van het geldbedrag van

€ 312.042,83, voor zover dit geldbedrag niet reeds is teruggegeven.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.W.M. Laurijssens, voorzitter,

en mrs. K. Bakker en F. van Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.R. Moraal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 22 november 2017 te [plaatsnaam delict] , tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning en/of een bedrijfspand, gelegen

op/aan de [adres delict 1] heeft weggenomen

- een (groot) geldbedrag van (totaal) tussen de driehonderdtwaalfduizend

(312.000) euro en vijfhonderdnegentigduizend (590.000) euro, in elk geval

een (aanzienlijk) groot geldbedrag en/of

- een portemonnee met daarin onder andere een geldbedrag van vijfduizend

(5.000) euro en/of

- twee, althans één, ring(en) (merk Buddha to Buddha) en/of

- één of meer cadeaubon(nen) en of document(en) van [naam bedrijf] ,

in elk geval enig(e) goed(eren) en/of geldbedrag(en), geheel of ten dele

toebehorende aan [naam slachtoffer] en/of [naam bedrijf] en/of (een) (vooralsnog) onbekend

gebleven pers(o)n(en), in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem,

verdachte, en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) en/of geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Subsidiair

hij,

[naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] op of omstreeks 22 november 2017 te

[plaatsnaam delict] ,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door die [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s)

voorgenomen misdrijf om

- een (groot) geldbedrag van (totaal) tussen de driehonderdtwaalfduizend

(312.000) euro en vijfhonderdnegentigduizend (590.000) euro, in elk geval

een (aanzienlijk) groot geldbedrag en/of

- een portemonnee met daarin onder andere een geldbedrag van vijfduizend (5.000) euro en/of - twee, althans één, ring(en) (merk Buddha to Buddha) en/of

- één of meer cadeaubon(nen) en of document(en) van [naam bedrijf] ,

in elk geval enig(e) goed(eren) en/of geldbedrag(en), dat geheel of ten dele

aan (een) ander(en) dan aan die [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s)

toebehoorde(n), te weten aan [naam slachtoffer] en/of [naam bedrijf] en/of (een)

(vooralsnog) onbekend gebleven pers(o)n(en)

in/uit een woning en/of een bedrijfspand, gelegen op/aan de [adres delict 1]

heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of

dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door

middel van braak, verbreking en/of inklimming,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 22

november 2017 te [plaatsnaam] , in elk geval in Nederland,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen heeft verschaft, door die [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] informatie te

verstrekken over waar de bewoner/eigenaar van [naam bedrijf] zich op dat moment

bevond door op 22 november 2017 om 20.58 uur een Whatsapp-bericht aan die

[naam medeverdachte 1] en/of die [naam medeverdachte 2] te versturen met daarin de tekst: "De pooier is in

Amsterdam", althans woorden van gelijke aard en/of strekking