Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7013

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
27-08-2018
Zaaknummer
10/661083-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor gewoontewitwassen, overschrijding redelijke termijn, lezing verdachte niet aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/661083-15

Datum uitspraak: 23 augustus 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ,

[woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 12 januari 2017 en 9 augustus 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.M. Dingley heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde in de vorm van gewoontewitwassen;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    verbeurdverklaring van de in beslag genomen geldbedragen € 624.567,15, US$ 3,00 en COL$ 1.000,00.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd:

Het is niet aan de verdachte om aan te tonen dat de gelden een legale herkomst hebben.

Wat wel van hem gevraagd mag worden, is dat hij komt met een concrete en verifieerbare verklaring betreffende het geld. De verdachte heeft, nadat bij hem een bedrag van € 85.020,- en in zijn woning een bedrag van € 621.315,- was aangetroffen, uitgebreid verklaard over de herkomst van het geld. Hij heeft het geld verdiend met gokken in casino’s en met pokerwedstrijden. Het had vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om de verklaring van de verdachte verder te onderzoeken, temeer nu er geen sprake is van een verhullende handeling en/of een gronddelict. Nu het Openbaar Ministerie een dergelijk onderzoek niet heeft verricht, kan niet worden bewezen dat de ten laste gelegde geldbedragen, direct of indirect, afkomstig zijn uit enig misdrijf.

In het geval de rechtbank zou twijfelen over de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van het geld, heeft de raadsvrouw het voorwaardelijke verzoek gedaan om de volgende personen als getuigen te (doen) horen daaromtrent:

- het personeel en met name de managers van [namen casino's] op Sint Maarten ;

- de medewerkers van het Recherche Samenwerkings Team die aanwezig waren bij een pokertoernooi in 2016 waar de verdachte aan heeft deelgenomen;

- de verbalisanten die zich drie weken voorafgaand aan de zitting van 9 augustus 2018 in hetzelfde casino op Sint Maarten bevonden als de verdachte.

Beoordeling

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, waarin geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is, witwassen bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulks zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Vermoeden van witwassen

Op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting wordt van het volgende uitgegaan.

Na een melding waaruit werd afgeleid dat de verdachte zich vermoedelijk schuldig maakte aan witwassen, is hij op 13 april 2015 geobserveerd. Verbalisanten hebben toen waargenomen dat de verdachte zijn woning verliet met in zijn hand een wit plastic boodschappentasje en als bijrijder in een [autotype] stapte. De [autotype] reed vervolgens naar de [adres] , waar een derde man in de auto stapte. Op dat moment zijn de drie mannen aangehouden. Tijdens de aanhouding van de verdachte zagen verbalisanten het eerder waargenomen witte plastic tasje tussen de benen van de verdachte staan. In het tasje zaten bundels papiergeld met een totale waarde van € 85.020,-. Vervolgens is de woning van de verdachte doorzocht; daarbij werden in een slaapkamer in dozen en tassen verscheidene pakketten met papiergeld aangetroffen met een totale waarde van € 536.295,-.

Bovenstaande handelswijze ten aanzien van het geld vond plaats onder omstandigheden die, in de context van de gebeurtenissen en in samenhang bezien, als zogenoemde typologieën van - en daarmee kenmerkend voor - witwassen zijn aan te merken. Als zodanige omstandigheden kunnen onder andere in de onderhavige zaak worden genoemd:

- er wordt, zonder beschermende maatregelen, een grote hoeveelheid geld, in bundels, vervoerd;

- het geld is niet terug te voeren op een boekhouding en kan evenmin worden verantwoord met stukken van reguliere handelsactiviteiten;

- de overdracht van het geld vindt plaats op een openbare plek in plaats van een vaste locatie en de handelingen die plaatsvinden kunnen geen redelijk bedrijfseconomisch doel dienen;

- er wordt gebruik gemaakt van een token (in dit geval een doorgescheurd briefje van twintig euro) bij het overdragen van het geld.

Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft aangaande zijn handelen met betrekking tot het voornoemde geldbedrag.

Verklaring herkomst geld

De verdachte heeft ten aanzien van de bestemming en de bron van het geld bij de politie steeds gebruikt gemaakt van zijn zwijgrecht. Pas op de terechtzitting van 12 januari 2017 heeft de verdachte voor het eerst verklaard dat hij het geld heeft gewonnen bij (met name) pokerwedstrijden in Nederland en op Sint Maarten.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 12 januari 2017 verklaard dat hij in 2009 is begonnen met pokeren bij [naam casino 1] , maar dat hij daar niet veel kon verdienen.

De herkomst van (het merendeel van) het geld kan daar derhalve, blijkens de eigen verklaring van de verdachte, niet worden gevonden. Ook uit onderzoek bij [naam casino 1] door het Openbaar Ministerie is niet gebleken van (grote) gokwinsten van de verdachte aldaar.

De verdachte heeft verder verklaard dat hij geld heeft verdiend met zogenaamde ‘homegames’ in Nederland waarbij hogere inzetten plaatsvonden. De verdachte heeft daarover geen concrete details of namen van spelers/organisatoren willen geven, zodat verder onderzoek hiernaar door het Openbaar Ministerie niet mogelijk was.

Voor het overige heeft de verdachte verklaard dat hij het geld heeft verdiend in casino’s op St. Maarten. De verdachte heeft die verklaring niet nader geconcretiseerd, anders dan door het noemen van namen van casino’s. De verdachte heeft overigens inconsistent verklaard over de vraag bij welke casino’s hij pokerde. Zo heeft hij op de zitting van 9 augustus 2018 verklaard dat hij geld heeft gewonnen in meerdere casino’s op Sint Maarten, te weten [namen casino's] , terwijl in het verzoekschrift met onderzoekswensen van de verdediging van 29 september 2016 juist (en alleen) wordt gesproken over het [naam casino 2] .

Ook op andere onderdelen is de verklaring van de verdachte inconsistent. In het genoemde verzoekschrift van de verdediging van 29 september 2016 heeft de verdachte doen stellen dat hij bij een weddenschap op de Superbowlfinale in 2015 € 350.000 gewonnen zou hebben, terwijl de verdachte in zijn beide verklaringen ter terechtzitting, zowel op 12 januari 2017 als op 9 augustus 2018 gevraagd naar de herkomst van het geld een dergelijke weddenschap niet noemt.

De verdachte heeft verder geen administratie overgelegd van zijn inkomsten uit pokeren/gokken. Uit onderzoek door het Openbaar Ministerie naar de telefoon van de verdachte is niet gebleken van gokcontacten/gokwinsten die de verdachte zou hebben gehad/behaald.

De rechtbank zal het voorwaardelijke verzoek tot het horen van getuigen afwijzen. Zij acht het horen van de genoemde personen niet noodzakelijk nu niet door de verdediging is gemotiveerd op welke wijze en op welke concrete onderdelen de gevraagde getuigen een relevante verklaring kunnen afleggen over de herkomst van het geld. Bovendien heeft de verdediging – zoals gezegd – eerder gesteld dat de verdachte zijn geld heeft gewonnen in het [naam casino 2] , bij welk casino de nu genoemde getuigen juist niet betrokken zijn (geweest). Ook het verzoek om de verbalisanten te horen die in 2016 en drie weken voorafgaand aan de zitting van 9 augustus 2018 aanwezig waren bij een pokertoernooi of in een casino waar de verdachte aanwezig was, is onvoldoende gemotiveerd. Dit klemt te meer nu beide gebeurtenissen plaatsvonden na het ten laste gelegde feit en daarom geen verklaring kunnen opleveren voor de herkomst van het in de tenlastelegging genoemde geld.

Conclusie

Er is geen sprake van een concrete, verifieerbare verklaring voor een legale herkomst van de geldbedragen. Gelet op het eerder genoemde ernstige vermoeden dat het geld van misdrijf afkomstig is op grond van de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dit wist. Gelet op de omvang van het witgewassen geldbedrag, het feit dat verdachte niet over enige aantoonbare legale bron van inkomsten lijkt te beschikken en de wijze waarop het geld is aangetroffen – deels onder verdachte in de auto en deels in acht verschillende bundels van verschillende omvang in de woning van de verdachte – acht de rechtbank tevens bewezen dat verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 8 april 2015 tot en met 13 april 2015,

te Ridderkerk en Amsterdam, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt immers

- heeft hij, verdachte, geldbedragen, te weten 85.020 euro en 536.295 euro, voorhanden gehad terwijl hij, verdachte, wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit één of meer misdrijven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een bedrag van in totaal € 621.315,- door dit bedrag voorhanden te hebben terwijl hij wist dat dit uit enig misdrijf afkomstig was; hij heeft tevens van het plegen van witwassen een gewoonte gemaakt.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

29 juni 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De verdachte heeft opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie onttrokken en daaraan een schijnbare legale herkomst verschaft. Witwassen tast de integriteit van het financiële en economische verkeer in ernstige mate aan. De ervaring leert bovendien dat witwassen dikwijls gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit.

Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat een eerder door het openbaar ministerie gedaan transactieactievoorstel dat voorziet in een geldelijke afdoening van de zaak in de vorm van afstand van de inbeslaggenomen gelden, er niet toe leidt dat, indien de verdachte op dit transactievoorstel niet wil of kan ingaan, hij er gerechtvaardigd op mag vertrouwen dat het openbaar ministerie ter terechtzitting zal volstaan met een financiële afdoening. Het staat het openbaar ministerie vrij om nadien tot vervolging over te gaan en ter zitting iedere straf te vorderen die het, in het licht van de omstandigheden van het geval, passend en geboden oordeelt, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf daaronder begrepen. Het eerdere transactievoorstel doet daaraan niet af.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

De rechtbank heeft als uitgangspunt bij het bepalen van de straf acht geslagen op de hoogte van straffen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd en de oriëntatiepunten die zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.

De rechtbank stelt ambtshalve vast dat in de onderhavige zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.

De verdachte is op 13 april 2015 in verzekering gesteld, vanaf welke datum de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Op 23 augustus 2018 wordt het eindvonnis gewezen, waardoor een periode van meer dan twee jaar is verstreken na aanvang van de termijn, terwijl niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de termijn zouden kunnen rechtvaardigen. De rechtbank neemt in dit verband in aanmerking dat de zaak op 12 januari 2017 reeds voor inhoudelijke behandeling stond gepland maar dat wegens het ontbreken van het eindproces-verbaal de zaak toen voor onbepaalde tijd is aangehouden, wat de verdachte niet kan worden tegengeworpen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de op te leggen straf (HR 17 juni 2008, LJN BD2578). Deze regel zal in de onderhavige zaak als volgt worden toegepast.

In het geval de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, zou de rechtbank een gevangenisstraf hebben opgelegd voor de duur van 20 maanden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank de verdachte een gevangenisstraf van 15 maanden opleggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaring, passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen vermelde geldbedragen verbeurd zal verklaren.

De verbeurdverklaring van de bedragen € 85.020,- en € 535.845,- zal worden opgelegd als bijkomende straf voor het bewezen verklaarde feit. Dit feit is met betrekking tot deze geldbedragen begaan.

Ten aanzien van de overige op de beslaglijst genoemde bedragen zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikel 33, 33a en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor het bewezen verklaarde:

€ 85.020,- en € 535.845,- (genoemd onder de nummers 3 en 7);

- gelast de teruggave aan verdachte van:

de geldbedragen genoemd onder de nummers 1, 2, 4, 9 en 10.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. L. Daum en J.C. Tijink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.G. Kuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 augustus 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 8 april 2015 tot en met 13 april 2015,

te [woonplaats verdachte] en/of Rotterdam en/of Amsterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt immers

- heeft hij, verdachte, van (een) geldbedrag(en), te weten 85.020 euro en/of 536.295 euro,

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld,

althans heeft hij, verdachte, verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op de/het geldbedrag(en) was/waren,

en/of

- heeft hij, verdachte, (een) geldbedrag(en), te weten 85.020 euro en/of 536.295 euro, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of gebruikt,

terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit één of meer misdrij(f)(ven).