Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7005

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
27-08-2018
Zaaknummer
10/681176-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wettig en overtuigend bewezen dat (ook) de verdachte de valse hoedanigheid van bonafide koper heeft aangenomen en dat, door met vals geld een verkoop met een (doorgaans minder kundige) particulier te doen, eveneens sprake was van listige kunstgrepen. Door deze - door de verdachte en de medeverdachte tevoren bedachte - bedrieglijke werkwijze is de aangeefster bewogen tot afgifte van haar mobiele telefoon, waardoor dit als (medeplegen van) oplichting in de zin van artikel 326 Sr kan worden aangemerkt. Oplichtingspraktijken als de onderhavige schaden het vertrouwen in eerlijke handel en verstoren de werking van populaire handelsplatformen op internet. Ook heeft de verdachte door zijn handelwijze bijgedragen aan de aantasting van het vertrouwen dat aan bankbiljetten een bepaalde (daarop vermelde) waarde kan worden toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/681176-16

Datum uitspraak: 23 augustus 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 augustus 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en het onder 2 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 47 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.

4 Vrijspraak ten aanzien van feit 3

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 3 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Daartoe is redengevend dat op basis van zendmast- en telefoongegevens wel sprake lijkt te zijn van betrokkenheid van de verdachte bij dit feit, maar dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die in de woning van aangeefster met vals geld een mobiele telefoon van haar heeft gekocht. Dit laatste is het gevolg van de omstandigheid dat aangeefster [naam slachtoffer 2] en haar moeder de foto van de verdachte bij een meervoudige fotobewijsconfrontatie niet hebben herkend. Aan beoordeling van een andersoortige betrokkenheid van de verdachte (als medepleger) komt de rechtbank niet toe omdat die niet ten laste is gelegd.

5 Waardering van het bewijs ten aanzien van de feiten 1 en 2 primair

Standpunt verdediging

Primair is aangevoerd dat aangeefster [naam slachtoffer 1] ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard: “Volgens mijn herinnering hebben ze de telefoon uit mijn handen gepakt”, zodat geen sprake is van ‘afgifte’ in de zin van oplichting, maar van diefstal met geweld. Aangezien laatstgenoemd misdrijf niet ten laste is gelegd, dient vrijspraak te volgen.

Subsidiair is betoogd dat vrijspraak dient te volgen, omdat de medeverdachte [medeverdachte] degene was die zich tegenover aangeefster [naam slachtoffer 1] heeft voorgedaan als bonafide koper en hij ook degene was die aangeefster met vals geld heeft betaald en de verdachte op het moment van de koop niet wist dat het geld vals was, want dat hoorde hij pas achteraf in de auto van [medeverdachte] . Daarnaast heeft de verdachte door zijn enkele aanwezigheid bij de koop geen significante bijdrage aan de oplichting geleverd, zodat geen sprake is van medeplegen.

Juridisch kader

Voor een veroordeling wegens oplichting is onder meer vereist dat sprake is van het bezigen van één of meer van de in artikel 326, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) specifiek aangeduide oplichtingsmiddelen: het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels.

Bij de oplichtingsmiddelen die bestaan uit het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de ‘persoon’ van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken.

Bij listige kunstgrepen gaat het in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen.

Voorts is voor oplichting blijkens artikel 326, eerste lid, Sr vereist dat iemand door zo’n oplichtingsmiddel wordt “bewogen” tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel “beweegt” tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot (in casu) afgifte van enig goed. Het gaat bij strafbaarstelling van oplichting om gevallen waarin de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken.

Beoordeling

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte, samen met een ander, aangeefster [naam slachtoffer 1] door aanwending van één of meer oplichtingsmiddelen heeft bewogen tot afgifte van een mobiele telefoon.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het navolgende.

Aangeefster [naam slachtoffer 1] heeft op 11 april 2016 een mobiele telefoon, van het merk/type Samsung Galaxy S7 Edge, op Marktplaats te koop aangeboden voor 700 euro. Diezelfde dag meldde zich telefonisch een koper voor de mobiele telefoon. De koper belde met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en wilde een afspraak maken om de telefoon te kopen. Uit de historische gegevens van dit telefoonnummer blijkt dat dit is gebruikt in een Nokia telefoontoestel met het imei-nummer: [imei-nummer] . In de periode januari tot en met april 2016 zijn meerdere simkaarten in dit toestel gebruikt, onder andere een simkaart met gekoppeld telefoonnummer [telefoonnummer 2] . De verdachte heeft bij de politie verklaard dat dit zijn telefoonnummer is dat hij in zijn Nokia gebruikt.

Op 12 april 2016 is de verdachte samen met de [medeverdachte] naar de woning van aangeefster [naam slachtoffer 1] te Dordrecht gegaan om de Samsung telefoon te kopen. [medeverdachte] voerde het woord en nadat [medeverdachte] met vals geld (13 biljetten van € 50,-) had betaald, zijn zij er snel met de Samsung telefoon van aangeefster vandoor gegaan.

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de verdachte inhoudende dat hij op het moment van de koop niet wist dat [medeverdachte] met vals geld betaalde, vanwege het volgende.

Onder de verdachte is een mobiele telefoon van het merk Apple in beslaggenomen en uitgelezen. In deze telefoon is een groot aantal chatberichten tussen de gebruiker van de telefoon en de [medeverdachte] opgeslagen waaruit kan worden opgemaakt dat zij

regelmatig samenwerken op het gebied van de (ver)koop van telecomapparatuur, o.a. telefoons en laptops. Ook zijn in deze telefoon twee chatsessies opgeslagen van 10 februari 2016 en 22 februari 2016 waarin zij chatten over het regelen van vals geld.

De verdachte ontkent dat hij voormelde chatsessies heeft gevoerd. Waar de verdachte bij de politie nog verklaarde zijn telefoon niet uit te lenen, verklaarde hij ter terechtzitting voor het eerst dat hij zijn Apple telefoon regelmatig aan anderen uitleende. Echter, die verklaring heeft hij geen verdere inhoud willen geven. Zo heeft de verdachte onder meer geen namen willen noemen van de personen aan wie hij zijn telefoon zou hebben uitgeleend, zodat zijn verklaring niet kan worden geverifieerd. Bovendien heeft de verdachte niet kunnen verklaren hoe er gedurende verschillende dagen doorlopende chatcontacten konden plaatsvinden op zijn Apple telefoon door iemand anders dan hemzelf. Nu de verdachte geen deugdelijke alternatieve verklaring heeft gegeven voor voormelde chatsessies, is de rechtbank van oordeel dat het de verdachte is geweest die in februari 2016 met [medeverdachte] over het regelen van vals geld heeft gechat.

Die vaststelling in samenhang bezien met de omstandigheid dat de verdachte samen met [medeverdachte] op 12 april 2016 bij aangeefster thuis is geweest om de Samsung telefoon te kopen, brengt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is geweest van een gezamenlijk plan en dat de verdachte van te voren wist dat bij een (aan)koop met vals geld zou worden betaald. Ten slotte had de verdachte, als hij daadwerkelijk van te voren niet wist dat [medeverdachte] met vals geld zou betalen, zich niet zo snel uit de voeten gemaakt op het moment dat aangeefster argwaan kreeg.

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer dat oplichting niet kan worden bewezen, omdat geen sprake is geweest van ‘afgifte’, maar van afpakken van de telefoon. Daartoe is redengevend dat uit het dossier naar voren komt dat sprake was van een vrijwillige verkoop van een mobiele telefoon, waarbij die telefoon door aangeefster eerst uit handen is gegeven ter controle door de verdachte en de [medeverdachte] . Of die telefoon daarna op enig moment uit de handen van aangeefster is getrokken of door haar is afgegeven, blijft onduidelijk aangezien aangeefster ten overstaan van de rechter-commissaris (ook) heeft verklaard dat haar herinnering op dat punt een beetje vaag is geworden. De verdachte zelf heeft overigens uitdrukkelijk ontkend dat de telefoon van aangeefster is afgepakt.

Op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - komt de rechtbank tot het oordeel dat is komen vast te staan dat (ook) de verdachte de valse hoedanigheid van bonafide koper heeft aangenomen en dat, door met vals geld een verkoop met een (doorgaans minder kundige) particulier te doen, eveneens sprake was van listige kunstgrepen. Door deze - door de verdachte en de [medeverdachte] tevoren bedachte - bedrieglijke werkwijze is de aangeefster bewogen tot afgifte van haar mobiele telefoon, waardoor dit als (medeplegen van) oplichting in de zin van artikel 326 Sr kan worden aangemerkt.

Conclusie

Wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 primair ten laste is gelegd. De door de verdediging gevoerde verweren worden verworpen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij

op 12 april 2016 te Dordrecht

tezamen en in vereniging met een ander

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen

van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen [naam slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van een goed, te weten een mobiele

telefoon Samsung Galaxy S7 Edge,

hebbende verdachte en/of zijn mededader met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven- valselijk en listiglijk in strijd met de waarheid:

- zich voorgedaan als bonafide kopers die het goed konden en

wilden betalen en- vervolgens die [naam slachtoffer 1] betaald met

bankbiljetten waarvan verdachte en zijn mededader wisten dat het vals

geld betrof,

terwijl verdachte en zijn mededader de indruk hebben gewekt dat deze

bankbiljetten echt geld betroffen,

waardoor die [naam slachtoffer 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij

op 12 april 2016 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk bankbiljetten van 50 euro als echt en onvervalst heeft uitgegeven,

waarvan de valsheid verdachte en zijn mededader,

toen zij die bankbiljetten ontvingen, bekend was.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

feit 1:
medeplegen van oplichting;

feit 2 primair:

medeplegen van opzettelijk als echte en onvervalste bankbiljetten uitgeven waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straffen

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan oplichting door zich tegenover aangeefster voor te doen als een bonafide koper en door bij de aankoop van haar mobiele telefoon met vals geld te betalen.

De verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat aangeefster in hem had gesteld en haar financiële schade toegebracht. Oplichtingspraktijken als de onderhavige schaden het vertrouwen in eerlijke handel en verstoren de werking van populaire handelsplatformen op internet. Ook heeft de verdachte door zijn handelwijze bijgedragen aan de aantasting van het vertrouwen dat aan bankbiljetten een bepaalde (daarop vermelde) waarde kan worden toegekend.

De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich bij het plegen van de onderhavige feiten uitsluitend heeft laten leiden door geldelijk gewin en puur persoonlijk belang en zich op geen enkele manier heeft bekommerd om de gevolgen voor de benadeelde.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 juni 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Geen toepassing van het jeugdstrafrecht

De rechtbank heeft kennis genomen van het door GZ-psycholoog T. Smits over de verdachte uitgebrachte rapport, gedateerd 12 december 2016, en het door Reclassering Nederland over de verdachte uitgebrachte rapport, gedateerd 3 januari 2017. Genoemde psycholoog en de reclassering adviseren dat toepassing wordt gegeven aan het

het jeugdstrafrecht.

Eén van de uitgangspunten van het jeugdstrafrecht is dat minderjarigen zich nog niet volledig hebben ontwikkeld en dat zij om die reden niet dezelfde verantwoordelijkheid dragen als volwassenen. Doel van het jeugdstrafrecht is om achterstand of scheefgroei in de ontwikkeling, zich uitend in strafbaar gedrag, om te buigen. Het jeugdstrafrecht heeft daarom een sterk pedagogisch karakter, en is daarom veel minder gericht op alleen maar straffen dan het ‘gewone’ strafrecht. Dit pedagogisch karakter van het jeugdstrafrecht maakt dat de strafrechtelijke reactie snel, doeltreffend en op maat moet zijn. Naarmate die reactie langer op zich laat wachten, wordt het pedagogische effect minder, nihil en kan uiteindelijk zelfs averechts werken. Gelet op het tijdsverloop in de onderhavige zaak en het optreden en de houding van de verdachte ter terechtzitting, ziet de rechtbank anders dan de reclassering en de psycholoog, geen toegevoegde waarde (meer) om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht.

Straffen

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met ongeveer zes weken is overschreden.

De rechtbank neemt in dit geval in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte al bijna twee jaar op vrije voeten is en dat hij zich sindsdien niet aan strafbare feiten schuldig heeft gemaakt. Aangezien de verdachte zijn leven inmiddels op de rails lijkt te hebben, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het niet wenselijk is een langere (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen dan de duur die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Dit betekent dat de verdachte niet meer terug hoeft naar de gevangenis. Wel zal de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, naast een gevangenisstraf conform de duur van het voorarrest aan de verdachte ook een taakstraf van na te noemen duur opleggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57, 209 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 47 (zevenenveertig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte tevens tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. W.J.M. Diekman en B.E. Dijkers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.N. Maat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 augustus 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 12 april 2016 te Dordrecht

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk

om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen

van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[naam slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van een goed, te weten een mobiele

telefoon (Samsung Galaxy S7 Edge), in elk geval enig goed,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in

strijd met de waarheid:

- zich voorgedaan als bonafide koper(s) die de goederen kon(den) en/of

wilde(n) betalen en/of

- ( vervolgens) die [naam slachtoffer 1] betaald met

bankbiljetten waarvan verdachte en/of zijn mededader wist(en) dat het vals

geld betrof,

terwijl verdachte en/of zijn mededader de indruk heeft/hebben gewekt dat deze

bankbiljetten echt geld betrof,

waardoor die [naam slachtoffer 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

in of omstreeks de periode van 12 april 2016 tot en met 21 april 2016 te

Dordrecht en/of te Ridderkerk, althans te Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans éénmaal (telkens)

opzettelijk

een of meer bankbiljetten van 50 euro als echt en onvervalst heeft uitgegeven,

die verdachte en/of zijn mededaders zelf hebben nagemaakt en/of

vervalst of

waarvan de valsheid of vervalsing verdachte en/of zijn mededaders,

toen hij die bankbiljetten ontvingen, bekend was;

art 209 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden;

hij in of omstreeks de periode van 12 april 2016 tot en met 21 april 2016 te

Dordrecht en/of te Ridderkerk, althans te Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans éénmaal (telkens)

opzettelijk

een of meer valse of vervalste bankbiljetten van 50 euro

heeft uitgegeven;

art 213 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij

op of omstreeks 21 april 2016 te Ridderkerk, althans in Nederland

met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[naam slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van een goed, te weten een mobiele

telefoon (Apple IPhone 6S), althans enig goed,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- zich voorgedaan als bonafide koper die de goederen kon en/of

wilde betalen en/of

- ( vervolgens) die [naam slachtoffer 2] betaald met bankbiljetten waarvan verdachte wist

dat het vals geld betrof,

terwijl verdachte de indruk heeft gewekt dat deze bankbiljetten echt geld

betrof;

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht