Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6985

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
27-08-2018
Zaaknummer
10/712027-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW 1994. Sprake van meer dan een enkel moment van oplettendheid. Doordat de verdachte de file te laat heeft opgemerkt, heeft hij veel te laat geremd waardoor hij niet meer kon uitwijken en evenmin zijn bestelbus tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen. De verdachte is met een te hoge snelheid voor de situatie ter plaatse, onoplettend en zonder rekening te houden met de mogelijkheid van filevorming achterop een langzaam rijdende of stilstaande personenauto gereden, die vervolgens een kettingbotsing teweeg heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is dit verkeersgedrag van de verdachte aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend als gevolg waarvan het verkeersongeval is veroorzaakt. Het causaal verband tussen het rijgedrag van de verdachte en het ongeval is daarmee gegeven. Het zwaar lichamelijk letsel van de beide slachtoffers is een direct gevolg van het door de verdachte veroorzaakte verkeersongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/712027-17

Datum uitspraak: 23 augustus 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. J.M. Veldman, advocaat te Breda.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 augustus 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4 Waardering van het bewijs

Vaststaande feiten

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting als vaststaand worden aangemerkt.

Op 29 augustus 2016, omstreeks 16:51 uur, heeft op de Dammeweg (N57) buiten de bebouwde kom van Vierpolders (gemeente Brielle) een verkeersongeval plaatsgevonden. Bij dit ongeval was de verdachte betrokken die als bestuurder van een bestelauto achterop een langzaam rijdende of stilstaande file is gereden, omdat hij zijn voertuig niet op tijd tot stilstand kon brengen. Ter plaatse gold een maximum toegestane snelheid van 100 kilometer per uur en de verdachte reed voor hij de file opmerkte ongeveer 80 kilometer per uur. Door de aanrijding is de personenauto ( [autotype 1] ) van het echtpaar [naam slachtoffer 1] op de langzaam rijdende of stilstaande personenauto ( [autotype 2] ) voor hen gebotst en deze [autotype 2] vervolgens op de daarvoor langzaam rijdende of stilstaande personenauto ( [autotype 3] ). Als gevolg van dit ongeval heeft [naam slachtoffer 1] meerdere ribbreuken, een breuk van het borstbeen, een halswervelbreuk, een longkneuzing, een hartkneuzing en meerdere vleesverwondingen opgelopen. Zijn echtgenote mevrouw [naam slachtoffer 2] heeft een heupbreuk en ruggenwervelbreuken als gevolg van het ongeval opgelopen.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft daartoe betoogd dat het onduidelijk is waarom of waardoor de verdachte de langzaam rijdende of stilstaande auto’s veel te laat heeft gezien waardoor hij in botsing is gekomen met de personenauto van het echtpaar [naam slachtoffer 1] . Vaststaat dat de verdachte in ieder geval vlak vóór de botsing niet met zijn telefoon of navigatie bezig was. Er is sprake geweest van een enkel moment van onoplettendheid en dat is onvoldoende voor het aannemen van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Beoordeling

Om tot een bewezenverklaring van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW) te komen, moet kunnen worden vastgesteld dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor anderen letsel hebben opgelopen. Enerzijds komt dit neer op de vaststelling van het gedrag van de verdachte en de beoordeling of en zo ja, in welke mate hij verwijtbaar heeft gehandeld. Anderzijds dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval. Het bestanddeel “schuld” is in dit geval nader omschreven als hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig rijgedrag. Gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Uit het door de politie verrichte onderzoek is naar voren gekomen dat op het moment van het ongeval de weersomstandigheden helder en droog waren, het wegdek droog en schoon was en de voertuigen van de verdachte en de slachtoffers in een voldoende rijtechnische staat van onderhoud verkeerden en geen gebreken vertoonden. Daarnaast geven de relevante gegevens van de telefoon van de verdachte, zoals in- en uitgaande gesprekken, sms-berichten en WhatsApp berichten, geen blijk van activiteit kort vóór of tijdens het tijdstip van het verkeersongeval.

De verdachte heeft de file pas op het allerlaatste moment opgemerkt. Dat blijkt uit de verklaringen in het dossier en uit het feit dat er geen remspoor van de auto van de verdachte was. Twee getuigen die achter de verdachte reden hebben verklaard dat zij ruim van te voren - één getuige verklaart zelfs een paar honderd meter van te voren - zagen dat er filevorming was. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de verdachte zijn aandacht méér dan een enkel moment niet op de weg voor hem heeft gehouden. Hij heeft gedurende enige tijd onvoldoende aandacht voor het verkeer voor hem gehad. Bovendien hebben beide getuigen verklaard dat op dat bewuste punt dagelijks sprake is van filevorming en zij hun rijgedrag daar dan ook op aanpassen. De verdachte was ook bekend met deze weg en met het feit dat zich op het bewuste punt vaker files vormen. De verdachte had dus kunnen weten dat er op deze plek kans was op filevorming en hij had daar rekening mee moeten houden. Doordat de verdachte de file te laat heeft opgemerkt, heeft hij veel te laat geremd waardoor hij niet meer kon uitwijken en evenmin zijn bestelbus tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen. Hierdoor is hij op de langzaam rijdende of stilstaande personenauto voor hem gebotst, waarna deze auto op de auto dáárvoor is gebotst. Zodanig verkeersgedrag kan in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in artikel 6 WVW is te wijten.

Dat kan evenwel anders zijn indien omstandigheden zijn aangevoerd en aannemelijk zijn geworden waaruit volgt dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken. Echter, dergelijke omstandigheden zijn gesteld, noch gebleken.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, maakt dat de verdachte met een te hoge snelheid voor de situatie ter plaatse, onoplettend en zonder rekening te houden met de mogelijkheid van filevorming achterop een langzaam rijdende of stilstaande personenauto is gereden, die vervolgens een kettingbotsing teweeg heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is dit verkeersgedrag van de verdachte aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend als gevolg waarvan het verkeersongeval is veroorzaakt. Het causaal verband tussen het rijgedrag van de verdachte en het ongeval is daarmee gegeven.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel is dat sprake is van meer dan een enkel moment van oplettendheid.

Het letsel van de beide slachtoffers is een direct gevolg van het door de verdachte veroorzaakte verkeersongeval. De rechtbank is - mede in aanmerking genomen hetgeen in artikel 82 Wetboek van Strafrecht is bepaald en de daarover bestaande jurisprudentie - van oordeel dat dit letsel als zwaar lichamelijk letsel dient te worden beschouwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de ernst en plaats van de verwondingen en het langdurige herstel.

Conclusie

Het verweer dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde vanwege het ontbreken van schuld, wordt verworpen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 29 augustus 2016 te Vierpolders, gemeente Brielle, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig bestelauto, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Dammeweg,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl meerdere voertuigen op de rijbaan vóór hem, verdachte, in file reden en/of (inmiddels) stilstonden

met een snelheid van ongeveer 80 km/uur heeft gereden en is blijven rijden en

zijn aandacht niet voortdurend op het verkeer (vóór hem) heeft gehad en

niet (tijdig) heeft opgemerkt dat het verkeer vóór hem langzaam reed en/of stilstond en/of

(aldus rijdend) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en

vervolgens in botsing of aanrijding is gekomen met een vóór hem langzaamrijdende/stilstaande personenauto,

waardoor de inzittenden van die personenauto, genaamd

- [naam slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel te weten meerdere ribbreuken, een breuk van het borstbeen, een halswervelbreuk, een longkneuzing, een hartkneuzing en meerdere vleesverwondingenwwerd toegebracht;

- [naam slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel te weten een heupbreuk en ruggenwervelbreuken werd toegebracht.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feit waarop de straffen zijn gebaseerd

Zoals hiervoor overwogen, heeft de verdachte met een bestelauto een aanrijding veroorzaakt, waardoor aan het echtpaar [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Met zijn aanmerkelijk onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag heeft de verdachte zich onvoldoende rekenschap gegeven van de verantwoordelijkheid die hij als bestuurder van een motorvoertuig heeft ten opzichte van andere verkeersdeelnemers. Daarmee heeft hij de verkeersveiligheid en de veiligheid van andere weggebruikers in gevaar gebracht. Gebleken is dat dit gevaar zich ook heeft verwezenlijkt met ernstig letsel tot gevolg. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Strafoplegging dient te geschieden niet alleen met inachtneming van de ernstige gevolgen van de gemaakte verkeersfout, maar ook afgezet te worden tegen de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van de verdachte. Er is geen twijfel over dat de verdachte dit ongeval niet gewild heeft en er was geen alcohol, drugs of extreem rijgedrag in het spel. De verdachte heeft eenvoudigweg niet voldoende opgelet, met alle gevolgen van dien.

De rechtbank heeft gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd.

Uit de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring komt naar voren dat het verkeersongeval een grote impact op de slachtoffers heeft gehad in hun dagelijks functioneren. Vóór het ongeval mankeerden zij niets en genoten zij van hun oldtimer, maar nu worden zij in alles belemmerd en zij zijn afhankelijk van hulp. Desondanks hebben zij zich voorgenomen om niet boos te zijn op de verdachte, omdat daar niemand bij gebaat is.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 juni 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straffen heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat sprake is van een relatief groot tijdsverloop sinds het plegen van het feit en dat de verdachte zich nadien niet meer aan een verkeersovertreding schuldig heeft gemaakt.

Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde taakstraf passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank, evenals de officier van justitie, vanuit het oogpunt van normhandhaving, een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden op zijn plaats. Aangezien de verdachte voor zijn baan afhankelijk is van zijn rijbewijs en er sinds het feit al geruime tijd verstreken is, zal de rechtbank deze ontzegging voorwaardelijk opleggen. Met deze straf wordt tevens beoogd aan de verdachte een signaal af te geven dat alertheid en voorzichtigheid in het verkeer te allen tijde is geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 (tachtig) dagen;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 9 (negen) maanden;

bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. W.J.M. Diekman en B.E. Dijkers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.N. Maat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 augustus 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 29 augustus 2016 te Vierpolders, gemeente Brielle, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Dammeweg,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl meerdere voertuigen op de rijbaan vóór hem, verdachte, in file reden en/of (inmiddels) stilstonden

met een snelheid van ongeveer 80 km/uur heeft gereden en is blijven rijden en/of met onverminderde snelheid die file is genaderd en/of

zijn aandacht niet voortdurend op het verkeer (vóór hem) heeft gehad en/of

niet (tijdig) heeft opgemerkt dat het verkeer vóór hem langzaam reed en/of stilstond en/of

(aldus rijdend) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of

(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met een vóór hem langzaamrijdende/stilstaande personenauto,

waardoor de inzittenden van die personenauto, genaamd

- [naam slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel (te weten meerdere ribbreuken, een breuk van het borstbeen, een halswervelbreuk, een longkneuzing, een hartkneuzing en meerdere vleesverwondingen) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

- [naam slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel (te weten een heupbreuk en ruggenwervelbreuken) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 augustus 2016 te Vierpolders, gemeente Brielle, als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Dammeweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl meerdere voertuigen op de rijbaan vóór hem, verdachte, in file reden en/of (inmiddels) stilstonden

met een snelheid van ongeveer 80 km/uur heeft gereden en is blijven rijden en/of met onverminderde snelheid die file is genaderd en/of

zijn aandacht niet voortdurend op het verkeer (vóór hem) heeft gehad en/of

niet (tijdig) heeft opgemerkt dat het verkeer vóór hem langzaam reed en/of stilstond en/of

(aldus rijdend) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of

(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met een vóór hem langzaamrijdende/stilstaande personenauto;

art 5 Wegenverkeerswet 1994