Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6939

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
6611628 CV EXPL 18-441
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid grondroerder voor graafwerkzaamheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6611628 \ CV EXPL 18-441

uitspraak: 12 juli 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van

de naamloze vennootschap Evides N.V.,

gevestigd: Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 12 december 2017,

gemachtigde: mr. F.J. van Velsen te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Aannemersbedrijf Damsteegt B.V.,

gevestigd: Meerkerk,

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.W. Hendriks te Apeldoorn.

Partijen worden hierna mede aangeduid als Evides en Damsteegt.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 12 december 2017;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 29 maart 2018, waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de aantekening dat de comparitie van partijen is gehouden op 20 april 2018;

  • -

    de overgelegde producties.

2 De vaststaande feiten

2.1

Door Damsteegt zijn op 23 juni 2016 en 24 juni 2016 (grondroerende) werkzaamheden uitgevoerd op de Smitsweg te Dordrecht.

2.2

Voorafgaand aan de werkzaamheden heeft Damsteegt een zogenaamde Klic-melding gedaan. Naar aanleiding van die melding heeft zij op 10 maart 2016 een overzichtskaart van Evides ontvangen.

2.3

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden is schade toegebracht aan een waterleiding. Deze waterleiding behoort toe aan Evides.

3 De vordering

3.1

Evides vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- een verklaring voor recht dat Damsteegt aansprakelijk is voor de schades “veroorzaakt op 23 juni 2016 en, althans op 24 juni 2016, een en ander als uiteengezet sub 2 van deze dagvaarding”;

- veroordeling van Damsteegt om aan Evides te betalen een bedrag van € 9.443,53 (ter zake van de schade d.d. 24 juni 2016), vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 12 december 2017 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeling van Damsteegt tot vergoeding van de schade van Evides (ter zake van de schade d.d. 23 juni 2016 en overige nog niet in rekening gebrachte schadeposten, eventueel ook ter zake van de schade d.d. 24 juni 2016) op te maken bij staat;

- veroordeling van Damsteegt in de kosten van het geding.

3.2

Aan haar vordering heeft Evides - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag gelegd dat Damsteegt heeft gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer zorgvuldig is. Damsteegt heeft namelijk bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden onvoldoende uitvoering gegeven aan de onderzoeksplicht die daarbij op haar rustte. Zij had afdoende voorzorgsmaatregelen moeten nemen om schade aan leidingen en andere infrastructurele werken te voorkomen. Deze maatregelen zijn opgenomen in de CROW-richtlijnen. Op grond van die richtlijnen had zij ten minste tot 1,50 meter buiten het directe graafgebied onderzoek moeten doen naar de ligging van kabels en leidingen. Dit heeft zij niet gedaan. Daardoor is zowel op 23 juni 2016 als op 24 juni 2016 schade aan een waterleiding ontstaan. Die schade is aan Damsteegt toe te rekenen.

3.3

Nu sprake is van onrechtmatig handelen, is Damsteegt vanaf de datum van het ontstaan van de schade in verzuim. Vanaf die datum is Damsteegt daarom ook wettelijke rente verschuldigd aan Evides. Evides heeft voorts kosten moeten maken ter vaststelling van haar schade. Op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 dient Damsteegt deze kosten te vergoeden. Deze kosten worden begroot op € 700,- en zijn reeds in het hierboven genoemde bedrag van € 9.443,53 begrepen evenals een bedrag ad € 251,24 aan vervallen rente.

4 Het verweer

4.1

Damsteegt verzoekt de kantonrechter om de vorderingen van Evides af te wijzen en haar bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de kosten van de procedure. Zij motiveert haar verweer – samengevat – als volgt.

4.2

Primair moet de vordering van Evides worden afgewezen omdat geen sprake is van aansprakelijkheid voor de geleden schade. Damsteegt heeft haar werkzaamheden uitgevoerd conform de daarvoor geldende regelgeving en richtlijnen. Zo heeft zij de KLIC-informatie opgevraagd en met behulp van die informatie zeven proefsleuven gegraven. Daarna is zij pas begonnen met het slaan van de damwand. De waterleiding bleek evenwel een rare knik te maken. Dit hoefde Damsteegt niet te verwachten en valt daarom binnen de risicosfeer van Evides.

4.3

Subsidiair is sprake van eigen schuld aan de zijde van Evides. Zij heeft nagelaten om nauwkeurige informatie te verstrekken over de ligging van de waterleiding ten behoeve van de KLIC-tekening. De mate van eigen schuld is zo groot dat Evides conform het bepaalde in artikel 6:101 BW haar eigen schade dient te dragen.

4.4

Meer subsidiair dient de vordering van Evides te worden afgewezen omdat zij haar schade op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

5 De beoordeling van de vordering

Aantal schadegevallen

5.1

Evides heeft bij dagvaarding gesteld dat Damsteegt verantwoordelijk is voor twee schadegevallen, namelijk één op 23 juni 2016 en één op 24 juni 2016. Damsteegt heeft aanvankelijk erkend dat sprake was van twee schadegevallen, maar heeft dit tijdens de comparitie van partijen gemotiveerd betwist. Volgens haar is alleen op 23 juni 2016 schade aan de waterleiding toegebracht. Daarna is in overleg met derden, waaronder de (hoofd)aannemer en een medewerker van Evides, besloten om een hoofdkraan dicht te draaien en de rest van de week voorzichtig verder te werken, aldus Damsteegt. Ter zitting is vervolgens geconstateerd dat waarschijnlijk sprake is geweest van een foutieve administratie aan de zijde van Evides, waardoor één schadegeval onder twee zogenaamde meldingsnummers is geadministreerd. Ook is waarschijnlijk sprake geweest van miscommunicatie tussen een medewerker van Damsteegt en haar gemachtigde, waardoor de gemachtigde ten onrechte meende dat sprake was van twee schadegevallen.

5.2

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is onvoldoende feitelijk onderbouwd dat sprake is geweest van twee schadegevallen. Voor de verdere beoordeling wordt daarom uitgegaan van één schadegeval, te weten op 23 juni 2016. In dat kader heeft het volgende te gelden.

Aansprakelijkheid

5.3

Voor het antwoord op de vraag of Damsteegt aansprakelijk is voor de schade die Evides heeft geleden, is allereerst van belang dat met betrekking tot de uitvoering van graafwerkzaamheden een aantal (minimum-)vereisten en verplichtingen voor zowel grondroerders als beheerders van netten bestaan. Deze vereisten en verplichtingen waren ten tijde van het ontstaan van de schade neergelegd in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) en het op die wet gebaseerde Besluit informatie-uitwisseling ondergrondse netten (BION).

5.4

Artikel 2 lid 2 WION bepaalt dat een grondroerder de graafwerkzaamheden op zorgvuldige wijze moet uitvoeren. Lid 3 bepaalt vervolgens dat een zorgvuldige uitvoering ten minste betekent dat voor aanvang van de werkzaamheden een graafmelding wordt gedaan, dat onderzoek wordt verricht naar de precieze ligging van onderdelen van netten op de graaflocatie en dat op de graaflocatie gebiedsinformatie aanwezig is. Voor een meer concrete invulling van de verplichting uit artikel 2 lid 2 WION komt groot gewicht toe aan de Richtlijn Zorgvuldig Graafproces (ook wel ‘CROW richtlijn’) die door de sector is opgesteld (Hoge Raad 25 mei 2018; ECLI:NL:HR:2018:772).

5.5

Vaststaat dat Damsteegt een graafmelding heeft gedaan (zie onder 2.2). Naar aanleiding daarvan heeft zij van Evides een overzichtskaart ontvangen (productie E4 aan de zijde van Evides). Tijdens de zitting is door Damsteegt desgevraagd op die overzichtskaart ingetekend op welke plaatsen proefsleuven zijn gegraven en op welke plaats de schade zich heeft voorgedaan. Daarbij is gebleken dat door Damsteegt aan de zijde van de weg waar de schade is ontstaan - op productie E4 is dit de linkerzijde - op een afstand van ongeveer 20 meter twee proefsleuven zijn gegraven. De eerste sleuf is gegraven aan het begin van het werkgebied en de tweede aan het einde. Damsteegt heeft voorts nog twee proefsleuven gegraven aan de rechterzijde van de weg en drie sleuven bij het bruggetje dat, aan de linkerzijde van de weg, dwars op de weg lag.

5.6

Niet betwist is dat Damsteegt bij de twee proefsleuven aan de linkerzijde van de weg de bewuste waterleiding conform de gegevens op de kaart heeft aangetroffen. Volgens Damsteegt mocht zij er daarom op vertrouwen dat de waterleiding, zoals ook ingetekend op de kaart, buiten de zone lag waar de damwand moest worden aangebracht. Damsteegt beroept zich daarbij mede op de verplichting van Evides om zo nauwkeurig mogelijke informatie te verschaffen (artikel 5 lid 2 BION). Zoals door de Hoge Raad evenwel is overwogen in het hiervoor onder 5.4 genoemde arrest, betekent deze informatieplicht aan de zijde van Evides niet dat Damsteegt er zonder meer op zou mogen vertrouwen dat de aan haar verstrekte tekeningen aan de eisen van artikel 5 lid 2 BION voldeden en dat dit haar vervolgens zou ontslaan van haar eigen onderzoeksplicht. Dit laatste geldt temeer nu, zoals partijen tijdens de zitting hebben verklaard, op de locatie Smitsweg reeds gedurende een lange tijd geen werkzaamheden meer waren verricht. Damsteegt had in die omstandigheden (meer) bedacht moeten zijn op afwijkingen ten opzichte van de theoretische ligging van de kabels en leidingen, waaronder de waterleiding.

5.7

Alhoewel de CROW-richtlijn geen concrete regels bevat over het aantal proefsleuven dat zou moeten worden gegraven, bepaalt deze wel dat zoveel proefsleuven moeten worden gegraven als nodig is om het verloop van de kabel vast te stellen. In dit geval zijn over een afstand van ongeveer 20 meter slechts twee sleuven gegraven. Het afleiden van het verloop van de waterleiding uit slechts twee proefsleuven op een dergelijke afstand van elkaar moet als onvoldoende zorgvuldig worden aangemerkt.

5.8

Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen wordt geoordeeld dat Damsteegt onrechtmatig heeft gehandeld jegens Evides en daarom aansprakelijk is voor de schade die op 23 juni 2016 is toegebracht aan de waterleiding. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom op de hierna te vermelden wijze worden toegewezen.

Omvang van de schade

5.9

Nu Damsteegt aansprakelijk is voor de door Evides geleden schade, dient de omvang van die schade te worden vastgesteld.

5.10

Met betrekking tot de geleden schade is door Damsteegt een beroep gedaan op eigen schuld aan de zijde van Evides (artikel 6:101 BW). Volgens Damsteegt is de schade ontstaan door een fout van Evides, aangezien zij niet heeft gezorgd voor voldoende duidelijke tekeningen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.6 is overwogen, kan de omstandigheid dat de tekening van Evides onvoldoende nauwkeurig is gebleken, in dit geval niet aan Evides worden toegerekend. Er is daarom geen grond aanwezig om (een deel van) de schade die Evides heeft geleden voor haar (eigen) rekening te laten komen.

5.11

Evides heeft de door haar gestelde omvang van de schade nader onderbouwd met een overzicht van de schadeposten (productie E3). Daarbij is door haar tijdens de comparitie van partijen toegelicht dat het in die productie genoemde schadebedrag van € 8.492,29 (bestaande uit € 7.232,29 herstelkosten en € 1.260,- expertisekosten) niet aan de (vermeende) schade op 24 juni moet worden toegerekend, maar aan de schade op 23 juni 2016.

5.12

Damsteegt heeft de omvang van de schade betwist door te stellen dat door de medewerker van Evides die na het ontstaan van de schade ter plaatse was gekomen is verklaard dat het een zeer oude waterleiding betrof. Volgens Damsteegt was deze oude waterleiding dus ook zonder de ontstane schade aan vervanging toe. Evides heeft dat gemotiveerd betwist. Damsteegt heeft haar verweer vervolgens niet nader gemotiveerd, zodat ervan uit moet worden gegaan dat zonder het raken van de leiding deze nog geruime tijd mee zou hebben kunnen gaan. Evides heeft thans kosten moeten maken om (dit deel van) de waterleiding te herstellen. Deze kosten dient Damsteegt te vergoeden.

5.13

De door Evides in haar productie E3 genoemde posten zijn door Damsteegt tijdens de zitting niet weersproken. De aan schadevergoeding gevorderde hoofdsom van

€ 8.492,29 zal daarom worden toegewezen.

5.14

Ten aanzien van de gevorderde kosten voor vaststelling van schade heeft Evides tijdens de zitting verklaard dat het bedrag van € 350,-- dat in productie 3 wordt genoemd niet correct is, maar dat voor dit deel van de vordering aansluiting moet worden gezocht bij de staffel buitengerechtelijke incassokosten. Dat is door Damsteegt niet weersproken. Gelet op de hoogte van de hoofdsom, is het ter zake gevorderde bedrag van € 700,-- toewijsbaar.

5.15

Hiervoor is geoordeeld dat Damsteegt op 23 juni 2016 onrechtmatig heeft gehandeld jegens Evides. Dit betekent dat Damsteegt vanaf die datum in verzuim is en daarmee wettelijke rente verschuldigd is geworden. Dit deel van de vordering wordt daarom eveneens toegewezen.

5.16

Uit hetgeen hiervoor is overwogen en beslist vloeit voort dat de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure niet meer aan de orde is. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen.

Proceskosten

5.17

Damsteegt wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat Damsteegt jegens Evides aansprakelijk is voor de schade die Evides op 23 juni 2016 heeft geleden bij de uitvoering van grondroerende werkzaamheden op het project Smitsweg te Dordrecht;

veroordeelt Damsteegt aan Evides te betalen een bedrag van € 9.443,53, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 8.492,29 vanaf 12 december 2017 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Damsteegt in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van Evides begroot op € 561,21 aan verschotten en € 500,- aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

783