Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6930

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
03-09-2018
Zaaknummer
C/10/529861 / HA ZA 17-622 en C/10/550261/ HA ZA 18-470
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op verjaring en rechtsverwerking verworpen. Wie is de contractspartij? Redelijke opzegtermijn van distributieovereenkomst voor onbepaalde tijd in casu gesteld op zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/529861 / HA ZA 17-622

zaaknummer / rolnummer: C/10/550261/ HA ZA 18-470

Vonnis van 22 augustus 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAJESTIC PRODUCTS B.V.,

gevestigd te Spijkenisse,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. T. van der Valk te Rotterdam,

tegen

de rechtspersonen naar vreemd recht

1. ATG GLOVES PRIVATE LIMITED,

gevestigd te Katunayake, Sri Lanka,

2. ATG CEYLON PRIVATE LIMITED,

gevestigd te Katunayake, Sri Lanka,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. G.J.M. Philipsen te Eindhoven.

respectievelijk

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAJESTIC PRODUCTS B.V.,

gevestigd te Spijkenisse,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. T. van der Valk te Rotterdam,

tegen

de rechtspersoon naar het recht van Sri Lanka

ATG CEYLON PRIVATE LIMITED,

gevestigd te Katunayake, Sri Lanka,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. G.J.M. Philipsen te Eindhoven.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als Majestic respectievelijk ATG Gloves en ATG Ceylon dan wel als ATG (vrouwelijk enkelvoud) voor gedaagden gezamenlijk.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de navolgende stukken.

in de zaak met zaak- en rolnummer 529861 / HA ZA 17-622

(voorheen 355195 / HA ZA 10-1685, hierna ook wel: de eerste Rotterdamse procedure):

- het tussenvonnis van deze rechtbank van 25 april 2018, waarbij een comparitie van partijen is bevolen, en de aan dit vonnis ten grondslag liggende processtukken;

in de zaak met zaak-en rolnummer 550261/ HA ZA 18-470

(voorheen: 492861 / HA ZA 16-53, hierna ook wel: de tweede Rotterdamse procedure):

- b6 formulier van 3 mei 2018 namens Majestic met verzoek opbrenging van zaak 16-53 op de rol van 9 mei 2018;

en in beide procedures

het bij brief van 22 mei 2018 namens beide partijen gedane verzoek aan de rechtbank om een eindbeslissing te nemen op twee beslispunten (wie is contractspartij van Majestic en duur in acht te nemen opzegtermijn), welk verzoek is toegewezen.

1.2. Het vonnis in beide zaken is nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

de feiten

2.1.

In het kader van de hierna te beantwoorden vragen zijn – in aanvulling op die als eerder vermeld in het tussenvonnis van 17 oktober 2010 in de procedure tegen ATG Gloves (onder zaaknummer 10-1685) onder 2 – de navolgende feiten nog van belang.

2.1.1.

Majestic verhandelt sinds 1994 ATG producten. Een schriftelijke overeenkomst is daartoe niet gesloten.

2.1.2.

Bij e-mail van 18 juli 2007 heeft [persoon 1] [ [e-mail adres] ] alsnog een concept distributieovereenkomst ter zake tussen enerzijds [bedrijf] en anderzijds Majestic ter ondertekening aan Majestic opgestuurd. Deze overeenkomst meldt bij ondertekening namens [bedrijf] de naam van [persoon 2] , Commercial Director.

Partijen wisselen daaromtrent vervolgens enkele e-mails uit, maar komen niet tot ondertekening van de overeenkomst.

2.1.3.

Bij e-mail van 19 november 2008 heeft [persoon 2] namens [bedrijf] aan Majestic het navolgende bericht.

“(…)

Onderwerp: (..) [bedrijf] announces a change of name

We are in the process of transitioning our business from [bedrijf] (Pvt) Ltd to ATG Lanka Pvt Ltd. The official announcement can be seen in the attachment of this email.

We would like to take this opportunity to reassure you that there has been no change in management or ownership and we will be providing the same products and services on which we have built our reputation in the industry.

(…)”

2.1.4.

Blijkens een uittreksel van de Kamer van Koophandel te Sri Lanka is 3 december 2008 opgericht ATG Lanka (Private) Limited (hierna: ATG Lanka). [persoon 2] wordt vermeld als één van de directeuren.

2.1.5.

Blijkens een uittreksel van de Kamer van Koophandel te Sri Lanka heeft [bedrijf] op 18 december 2008 haar naam gewijzigd in: “ATG Ceylon (Private) Limited (ATG Ceylon)”.

2.1.6.

Bij brief van 12 april 2009 is nogmaals een concept overeenkomst aan Majestic opgestuurd, waarin ATG Lanka als contractspartij is genoemd.

2.1.7.

Orders en facturering aan Majestic zijn in de maand november 2009 zowel gestuurd en ondertekend namens ATG Lanka als namens ATG Gloves.

2.1.8.

Bij e-mail van 17 december 2009 heeft [persoon 2] als Commercial Director van ATG Gloves “for and on behalf of the ATG Group of Companies” de distributieovereenkomst met Majestic opgezegd.

2.1.9.

Bij brief van 21 januari 2010 aan [persoon 2] / ATG Gloves heeft de advocaat van Majestic bezwaar gemaakt tegen deze eenzijdige opzegging met onmiddellijke ingang onder aansprakelijkstelling van ATG Gloves voor alle schade daaruit voortvloeiend.

2.1.10.

Bij brief van 3 december 2014 heeft de advocaat van Majestic aan de Board of Directors van meerdere ondernemingen binnen de ATG-groep, waaronder ATG Lanka, ATG Ceylon en ATG Gloves - voor zover relevant - als volgt bericht:

“(…)

It has come to the attention of Majestic that the ATG group currently consists of different entities using former and new trade names in a confusing way. According to these business extracts [bedrijf] continued (only) as ATG Ceylon while ATG Lanka and ATG Gloves are different entities within the ATG Group only incorperated relatively recently.

On the basis of business extracts received by Majestic, Majestic is worried that ATG might want to try to escape execution of a Dutch verdict by saying that the verdict was obtained against the wrong company or a company without any relevant resources.

This letters serves to make clear that Majestic holds ATG Lanka (Private) Limited and all the other companies within the ATG Group of companies jointly and severally liable for all dam-ages it has suffered as a result of the sudden termination of the distribution relation on 17 December 2009.

In case a period of limitation is applicable, this letter is to be deemed as an interruption of such statutory limitation period referred to for example in section 3:317 paragraph 1 Dutch Civil Code.

(…)”

de ter beoordeling thans voorliggende geschilpunten

2.2.

Gelet op het toegewezen verzoek van alle betrokken partijen ligt vooralsnog (uitsluitend) ter beoordeling voor:

- de vraag wie (ATG Gloves en/of ATG Ceylon) als partij is bij de distributieovereenkomst met Majestic kwalificeert

en

- de vraag welk een opzegtermijn bij het opzeggen van de distributie overeenkomst in acht had behoren te worden genomen.

2.3.

De rechtbank stelt voorop te blijven bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenvonnissen van deze rechtbank en neemt over hetgeen is beslist bij eindvonnis van 5 april 2017 door de rechtbank Den Haag. Bij de beoordeling is voorts nog van belang dat partijen hebben aangegeven dat de rechtbank als stellingen van partijen in aanmerking kan nemen al hetgeen zij in beide gevoegde zaken hebben gesteld.

rechtsmacht en toepasselijk recht

2.4.

Nu ATG Gloves en ATG Ceylon gevestigd zijn in Sri Lanka, heeft het geschil een internationaal karakter, zodat ambtshalve onderzocht mocht worden of de Nederlandse rechter bevoegd is en welk recht van toepassing is. Daarover is reeds een beslissing genomen in zaak 17-622 bij tussenvonnis van 17 oktober 2012 in de eerste Rotterdamse procedure (onder zaaknummer10-1685), maar nog niet beslist in de procedure tegen ATG Ceylon (zaak 18-470).

rechtsmacht

2.4.1.

In voormeld tussenvonnis is - voor zover nog relevant - onder rov 4.2. reeds geoordeeld dat voor zover de (conventionele) vordering van Majestic jegens ATG Gloves is gebaseerd op de onregelmatige opzegging van de distributieovereenkomst de rechtbank rechtsmacht toekomt op grond van artikel 24 Verordening (EG) nr. 44/2001 (hierna: EEX-Verordening), nu ATG Gloves in de procedure is verschenen zonder de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te betwisten.
Omdat de vordering van Majestic jegens ATG Ceylon is ingesteld bij dagvaarding van 5 oktober 2015 is daarop niet meer van toepassing de EEX-Verordening maar de sinds 10 januari 2015 in werking getreden Verordening (EU) Nr. 1215/2012 of te wel de Brussel Ibis-Vo. Voor de bevoegdheid van de rechtbank maakt dit geen verschil. Ook in deze verordening, en wel in artikel 26 Brussel Ibis-Vo, is bepaald dat het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd is, tenzij de bevoegdheid wordt betwist of indien een ander gerecht bij uitsluiting krachtens artikel 24 bevoegd is. Die uitzonderingen doen zich hier niet voor.

2.4.2.

Met betrekking tot de (reconventionele) vordering van ATG Ceylon tot opheffing van de beslagen is deze rechtbank bevoegd als het gerecht waar de oorspronkelijke vordering aanhangig is. Aan het daarvoor geldende vereiste van artikel 8 lid 3 Brussel Ibis-Vo, dat de tegenvordering voortspruit uit de overeenkomst of uit het rechtsfeit waarop de oorspronkelijke vordering is gegrond, is voldaan.

toepasselijk recht

2.4.3.

In voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank onder 4.3. reeds geoordeeld dat op de vordering voor zover gebaseerd op de onregelmatige opzegging het Nederlandse recht van toepassing ingevolge artikel 4 lid 1 onder f van Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I). Hetzelfde geldt voor de bij dagvaarding van 5 oktober 2015 op die grondslag ingestelde (conventionele) vordering van Majestic jegens ATG Ceylon in zaak 18-470.

2.4.4.

De vraag naar het toepasselijk recht op de beoordeling van de vordering tot opheffing van de gelegde beslagen moet worden beantwoord aan de hand van verordening Rome II (EG nr. 864/2007). Ingevolge artikel 4 lid 1 Rome II is het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van de schade zich voordoen. Nu deze beslagen zijn gelegd op de Nederlandse delen van de Europese octrooien is ook hier het Nederlandse recht van toepassing.

partij overeenkomst

2.5.

Majestic heeft zich aanvankelijk, in de eerste Rotterdamse procedure, op het standpunt gesteld dat ATG Gloves haar contractspartij was. Bij dagvaarding in de zaak 18-470 (destijds zaaknummer 16-53) stelt zij zich daarin te hebben vergist en dat als partij (ook) moet worden aangemerkt ATG Ceylon. Zij heeft zich in eerder stadium vergist door de onduidelijkheid die is ontstaan na naamswijziging van [bedrijf] doordat vanaf 2009 de groep ondernemingen waartoe [bedrijf] behoorde naar buiten is getreden onder de naam ATG in verschillende varianten, waaronder ATG Gloves en ATG Lanka ATG. Majestic was in de veronderstelling dat het hier nieuwe handelsnamen van [bedrijf] betrof, ook gelet op het feit dat de opzegging van eind 2009 door [persoon 2] is gedaan in e-mail met handtekeningstempel van ATG Gloves. Eerst in 2014 heeft Majestic op basis van gegevens van de KvK van Sri Lanka ontdekt dat ATG Gloves vroeger J.W.C. Gloves Private Limited heette en niet [bedrijf] . Als [bedrijf] al niet de enige partij was met wie Majestic zaken deed, dan was sprake van een relatie die feitelijk werd uitgevoerd door de twee belangrijkste groepsmaatschappijen ATG Gloves (voorheen JWC Gloves) en ATG Ceylon (voorheen [bedrijf] ) gezamenlijk. Reden waarom Majestic thans alsnog (ook) een titel tegen haar daadwerkelijke leverancier [bedrijf] , tegenwoordig geheten ATG Ceylon, wenst; dit mede ter opvolging van het op 30 september 2015 gelegde conservatoire beslag op het Nederlandse deel van de octrooien, gehouden door ATG Ceylon.

2.6.

Het meest verstrekkende verweer van ATG Ceylon op dit punt is dat Majestic thans geen vordering meer jegens haar kan instellen. ATG Ceylon beroept zich daarbij primair op verjaring, subsidiair op strijd met de beginselen van goede procesorde en meer subsidiair op rechtsverwerking.

2.7.

Dit verweer wordt op alle onderdelen verworpen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

2.7.1.

Niet in geschil is dat de verjaringstermijn ingevolge artikel 3:310 lid 1 BW in het onderhavige geval een aanvang heeft genomen op 17 december 2009, de datum waarop de directeur van ATG Gloves “for and on behalf of the ATG Group of Companies” de distributie overeenkomst met Majestic heeft opgezegd. De termijn van vijf jaren was derhalve verstreken op 17 december 2014. Eerst op vijf oktober 2015 heeft Majestic ATG Ceylon gedagvaard. Partijen twisten over de vraag of de verjaring is gestuit door de aan de dagvaarding voorafgaande brief van 3 december 2014 van de advocaat van Majestic aan de Board of Directors van meerdere ondernemingen binnen de ATG-groep, waaronder ATG Lanka, ATG Ceylon en ATG Gloves. ATG Ceylon betwist dat deze brief de verjaring heeft gestuit, omdat daarin niet het recht op nakoming van een vordering uit hoofde van wanprestatie is voorbehouden. Dit verweer faalt. Anders dan ATG Ceylon meent, kwalificeert ook de vordering tot schadevergoeding als ‘een rechtsvordering tot nakoming’ in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. Het is immers niet zo dat alleen verbintenissen uit overeenkomst kunnen worden nagekomen. Bovendien is in de brief duidelijk aangegeven welke vordering hier is bedoeld: de vordering tot vergoeding van de schade ten gevolge van de opzegging met onmiddellijke ingang. Daarbij komt dat in de brief duidelijk is aangegeven waardoor er twijfel is ontstaan over de vraag of in de eerdere procedure wel de juiste rechtspersoon is gedagvaard. De brief bevat naar het oordeel van de rechtbank dan ook een voldoende duidelijke waarschuwing aan de ondernemingen van de ATG groep dat zij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, er rekening mee moeten houden dat zij de beschikking houden over gegevens en bewijsmateriaal, zodat zij zich tegen een mogelijkerwijs later alsnog tegen een, tegen één van hen, ingestelde vordering behoorlijk kunnen verweren. Het enkele feit dat Majestic daarbij heeft aangegeven dat haar belang voor het instellen van een vordering mede is ingegeven door het feit dat ATG Gloves mogelijk over onvoldoende financiële middelen zou beschikken kan daaraan – anders dan ATG Ceylon kennelijk meent – niet afdoen, nu dit een rechtens te respecteren belang is. Aan het vereiste van artikel 3:317 lid 1 BW is dan ook voldaan, zodat van verjaring geen sprake is.

2.7.2.

ATG Ceylon heeft aan haar subsidiair en meer subsidiair aangevoerde stellingen, dat de wijze van procederen van Majestic in strijd is met de beginselen van de goede procesorde respectievelijk dat sprake is van rechtsverwerking, gegrond op hetzelfde feitencomplex.

Daarbij wijst ATG Ceylon allereerst op de omstandigheid dat Majestic zich in de eerste Rotterdamse procedure onvoorwaardelijk op het standpunt heeft gesteld dat ATG Gloves partij was bij de distributieovereenkomst, ATG Gloves in die procedure heeft erkend contractspartij te zijn, de vraag wie partij is bij die overeenkomst geen onderwerp is geweest van het partijdebat, waardoor op basis van dit feitelijk uitgangspunt is verder geprocedeerd en een vonnis is gewezen. Een en ander laat zich - naar ATG Ceylon stelt - niet rijmen met de thans ingenomen onvoorwaardelijke stellingname dat ATG Ceylon partij bij de overeenkomst zou zijn.

Voorts heeft ATG Ceylon gesteld dat Majestic al die jaren nooit kenbaar heeft gemaakt dat zij meende de ‘foute’ partij te hebben gedagvaard, terwijl ATG reeds bij conclusie van antwoord van 18 augustus 2010 in de eerste Rotterdamse procedure er op had gewezen dat niet ATG Gloves maar ATG Ceylon de rechtsopvolger was van [bedrijf] Private Limited.

Ten slotte heeft ATG Ceylon aangevoerd dat de bewijsstukken waarop Majestic haar vorderingen thans heeft gebaseerd dateren uit een periode van meer dan 7,5 jaar geleden, zodat zij onredelijk wordt benadeeld in haar bewijspositie.

2.7.3.

Van strijd met een goede procesorde door verwijtbaar procesgedrag kan sprake zijn indien door bepaald procesgedrag meer nadeel aan de wederpartij wordt veroorzaakt dan nodig bijvoorbeeld omdat dit geen rechtens te respecteren belang of doel dient dan wel omdat het beoogde op zich rechtens respectabele belang of doel evengoed op een andere minder nadeel veroorzakende wijze bereikt had kunnen worden. Daarbij kan een rol spelen dat een partij iets eerder aan de orde had kunnen en moeten stellen en/of sprake is van een gewekt gerechtvaardigd vertrouwen.

2.7.4.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat op basis van de door beide partijen ingenomen stellingen in de eerste Rotterdamse procedure – niet alleen partijen zelf, maar ook door de rechtbank – is uitgegaan van een situatie die mogelijk feitelijk onjuist is, op zichzelf beschouwd aan Majestic niet het recht ontneemt om zich thans op de door haar vermeende onjuistheid te beroepen en alsnog ATG Ceylon in rechte aan te spreken, gelijk zij heeft gedaan. Daarbij heeft zij een rechtens te respecteren belang, te weten het zeker stellen van haar verhaalsrechten. Wel is het zo dat tijd en kosten bespaard hadden kunnen worden, indien zij eerder (ook) ATG Ceylon had aangesproken. De rechtbank begrijpt de stellingen van ATG Ceylon aldus dat zij meent dat dit niet alleen had gekund maar ook gemoeten, nu Majestic eerder had kunnen weten dat ATG Ceylon de rechtsopvolger is van [bedrijf] . De rechtbank volgt ATG hierin niet. De passage waarop ATG Ceylon doelt, had betrekking op het merkdepot, terwijl de vraag wie partij is geweest bij de distributieovereenkomst als zodanig in die procedure – naar ATG Ceylon zelf ook stelt – mede door de erkenning van ATG Gloves contractspartij te zijn – geen onderdeel is geweest van het partijdebat. Daar komt bij dat aan de zijde van ATG niet steeds namens één onderneming is gehandeld – zo zijn ook orders en facturen door verschillende andere ondernemingen verstuurd en is de opzegging van de overeenkomst namens de hele ATG groep gedaan en ondertekend door ATG Gloves – zodat zij zelf mede debet is geweest aan de verwarring van Majestic op dit punt. Niet gezegd kan worden dat Majestic welbewust heeft gedraald in het aanspreken van ATG Ceylon. In tegendeel, zodra zij meende dat zij mogelijk de verkeerde onderneming van de ATG groep in rechte had betrokken, heeft zij ATG hiervan verwittigd bij schrijven van 3 december 2014. Majestic heeft vervolgens ATG Ceylon gedagvaard waarna ATG Ceylon volop in de gelegenheid is geweest om op de nieuwe stellingname van Majestic te reageren. Gelet op een en ander is ATG Ceylon niet nodeloos benadeeld.

De omstandigheid dat in de eerste procedure ATG Ceylon als rechtsopvolger van [bedrijf] is geduid, is – gelet op de context waarin dit is gebeurd – ook onvoldoende om te kunnen spreken van een gerechtvaardigd door toedoen van Majestic opgewekt vertrouwen dat ATG Ceylon niet meer zou worden aangesproken.

De concrete omstandigheden van het onderhavige geval maken naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet dat Majestic heeft gehandeld in strijd met de goede procesorde.

2.7.5.

Voor het aannemen van rechtsverwerking is - gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ter zake - vereist dat sprake is van omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij ATG Ceylon het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Majestic haar aanspraak niet (meer) geldend zou maken, hetzij de positie van ATG Ceylon onredelijk wordt benadeeld of verzwaard, nu Majestic haar aanspraak alsnog geldend wil maken.

2.7.6.

Ook hier heeft te gelden dat de enkele omstandigheid dat in de eerste Rotterdamse procedure ATG Ceylon als rechtsopvolger van [bedrijf] is geduid, onvoldoende is om te kunnen spreken van een gerechtvaardigd door toedoen van Majestic opgewekt vertrouwen. Van een onredelijke benadeling in bewijspositie is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake. Bij schrijven van 3 december 2014 heeft de advocaat aan de ondernemingen binnen de ATG immers duidelijk gemaakt dat Majestic hen alle aansprakelijk hield voor de schade ten gevolge van de opzegging, hetwelk hiervoor reeds is aangemerkt als een duidelijke waarschuwing voldoende voor het stuiten van de verjaring.

Dit maakt dat ook het beroep op rechtsverwerking ATG Ceylon niet kan baten.

2.8.

Ter beoordeling ligt vervolgens voor het (nog meer subsidiaire) verweer van ATG Ceylon dat zij ten tijde van de opzegging op 17 december 2009 niet de contractspartij van Majestic was.

ATG Ceylon beroept zich hier allereerst weer op de omstandigheid dat Majestic al veel eerder (bij conclusie van antwoord) er op gewezen is dat ATG Ceylon rechtsopvolger was van [bedrijf] , hetgeen - naar zij meent - zou moeten betekenen dat zwaardere eisen worden gesteld aan de stelplicht en bewijslast die op Majestic rust. Daarnaast heeft zij – samengevat – betoogd dat met de in het geding gebrachte stukken/ de toelichting daarop van Majestic het benodigde bewijs dat ATG Ceylon ten tijde van de overeenkomst wel contractspartner was, niet is geleverd.

2.9.

Dit verweer wordt verworpen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

2.9.1.

Vaststaat dat een schriftelijke overeenkomst ontbreekt. Voorts is niet in geschil dat de sinds 1994 bestaande distributierelatie oorspronkelijk is aangegaan door enerzijds Majestic en anderzijds [bedrijf] . De relatie tussen deze twee partijen heeft in ieder geval voortgeduurd tot eind 2008. Dit blijkt onder meer uit een namens [bedrijf] op 31 maart 2006 gestuurde review waarin wordt gemeld “we will continue tot accept orders” en het aanbod deze distributierelatie alsnog schriftelijk vast te leggen in juli 2007 onder toezending van concept overeenkomst, waarin [bedrijf] is aangeduid als de contractspartij. Partijen hebben daarna nog over een aantal voorwaarden onderhandeld en leken het eens te zijn, maar tot ondertekening van de overeenkomst is het nooit gekomen. De vraag wie als partij zou moeten woorden aangemerkt in de overeenkomst, heeft daarbij nooit ter discussie gestaan. In rechte heeft dan ook als uitgangspunt te gelden dat [bedrijf] de oorspronkelijke contractspartij / leverancier van Majestic was.

2.9.2.

Uit de bij dagvaarding door Majestic overgelegde stukken blijkt verder dat op 19 november 2008 aan Majestic is bericht dat [bedrijf] haar naam zal wijzigen in ATG Lanka, waarbij tevens is gemeld dat deze naamswijziging geen wijziging van “in management or ownership” behelst. Dit is echter niet in overeenstemming met de thans (in de tweede procedure) bekend geworden latere mededelingen in het register van de Kamer van Koophandel van Sri Lanka, waarin is gemeld dat op 3 december 2008 een nieuwe juridische entiteit is opgericht geheten ATG Lanka alsmede dat de naam van de onderneming [bedrijf] op 18 december 2008 is gewijzigd in ATG Ceylon. Voor zover ATG Ceylon met haar stelling dat uit dit samenstel van berichten blijkt dat hier feitelijk niet zozeer sprake is geweest van een pure naamswijziging, maar van het onderbrengen van de activiteiten van [bedrijf] in een nieuwe onderneming heeft willen betogen dat hier sprake is van geweest van contractsoverneming in de zin van artikel 6:159 BW wordt deze stelling verworpen. Uit de stukken valt niet af te leiden dat Majestic daaraan haar medewerking als vereist heeft verleend, ook niet impliciet. Voormelde mededeling van 19 september 2008 kan niet als zodanig dienen, nu daaruit niet voldoende blijkt wat de kennelijke bedoeling is geweest, in tegendeel: Majestic heeft daaruit zeer wel kunnen begrijpen dat slechts sprake was van een naamswijziging. Van hieruit valt ook te verklaren waarom in het bij e-mail van 12 april 2009 aan Majestic toegestuurde nieuwe concept voor een schriftelijke overeenkomst als contractspartij ATG Lanka is vermeld. Ook deze vermelding vormt derhalve nog geen aanwijzing voor contractsoverneming. De wijze van communicatie op dit punt aan de zijde van ATG is op zijn minst ongelukkig zo niet onzorgvuldig geweest, hetgeen niet ten nadele van Majestic behoort te worden uitgelegd. Dit betekent dat er in rechte vanuit dient te worden gegaan dat na voornoemde wijzigingen binnen het concern ATG Ceylon, voorheen geheten [bedrijf] , (nog steeds) de contractspartner was van Majestic.

2.9.3.

Uit de voorts nog in het geding gebrachte orders en facturen blijkt dat de verdere uitvoering van de distributieovereenkomst met Majestic ter hand is genomen door zowel ATG Lanka alsook door (in ieder geval) ATG Gloves, namens wie ook afzonderlijke orders zijn ondertekend. Met ATG Ceylon is de rechtbank van oordeel dat deze als afzonderlijke koopovereenkomsten kunnen worden gekwalificeerd ter nadere uitvoering van de onderliggende (mondelinge) distributieovereenkomst, althans dat ook deze rechtspersonen een essentiële rol vervulden bij de nakoming van de verplichtingen uit de distributieovereenkomst. Dit zal ook de reden zijn geweest waarom de latere opzegging van de distributieovereenkomst is gedaan “for and on behalf of the ATG Group of Companies”.

2.9.4.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet de conclusie zijn dat ten tijde van de opzegging van de distributieovereenkomst ATG Ceylon als contractspartner van Majestic kwalificeert, terwijl de bij de nadere uitvoering daarvan mede betrokken rechtspersonen mede aangesproken kunnen worden voor de niet nakoming daarvan.

redelijke opzegtermijn

2.10.

De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid ter bepaling van de duur van een redelijke opzegtermijn bij een overeenkomst van onbepaalde tijd als de onderhavige de wederzijdse belangen van partijen dienen te worden afgewogen, waarbij diverse omstandigheden van belang kunnen zijn, zoals de aard en duur van de samenwerking, de mate van onderlinge afhankelijkheid alsook aard en gewicht van de reden voor opzegging.

2.11.

In dat kader dient - gelet op de eerdere uitspraken van de rechtbank Den Haag (bij vonnis van 5 april 2017) en deze rechtbank (bij vonnis van 17 oktober 2012) - in het onderhavige geval in rechte in ieder geval uit te worden gegaan van de navolgende relevant te achten omstandigheden:

  • -

    er is geen sprake van merkinbreuk (Rb Den Haag);

  • -

    er is evenmin sprake van slaafse nabootsing en/of onrechtmatige concurrentie. (Rb R’dam r.o.v. 4.15-4.23.);

  • -

    wel vormt het gegeven dat de “Maxx Flex”- “M-Flex”- handschoenen van Majestic op de “MaxiFlex”-handschoen van ATG lijkt, een geldige reden voor opzegging van de handelsrelatie tussen partijen, zij het onvoldoende reden voor opzegging met onmiddellijke ingang (r.o.v. 4.6. juncto 4.23. Rb R’dam);

  • -

    de distributierelatie tussen partijen heeft ruim 16 jaar geduurd (r.o.v. 4.25 Rb R’dam);

  • -

    mate van onderlinge afhankelijkheid, waarbij relevant te achten dat Majestic een zeer uitgebreid productassortiment voerde met productsoorten in meerdere prijs- en kwaliteitsklassen (r.o.v. 4.26. Rb R’dam); partijen is de gelegenheid geboden zich hierover nog nader uit te laten bij akte respectievelijk antwoordakte na vonnis van de rechtbank Den Haag.

Voorts is nog relevant te achten:

  • -

    de vraag of Majestic recentelijk nog substantiële investeringen had gedaan en zo ja of die in belangrijke mate waren afgestemd op ATG producten;

  • -

    of Majestic er al dan niet op mocht vertrouwen dat de relatie zou worden voortgezet;

  • -

    de tijd die het Majestic heeft gekost om zich aan te passen aan de nieuwe situatie.

2.12.

Majestic heeft haar vordering tot vergoeding van de schade gebaseerd op een te hanteren opzegtermijn van primair 24 maanden en subsidiair 18 maanden. Ter nadere onderbouwing van de termijn heeft zij, onder verwijzing naar de volgens haar geldende vuistregels, vooropgesteld dat als uitgangspunt dient te worden genomen dat bij een distributieovereenkomst van 10 jaar of langer de opzegtermijn 1 à 2 jaar bedraagt of een opzegtermijn van 1-1,2 maand per contractsjaar, met een minimum van 3 maanden en een maximum van 3 jaar, hetgeen in het onderhavige geval neerkomt op een opzegtermijn van rond de 18 maanden, naar boven of beneden bij te stellen op grond van de omstandigheden van het geval. Nu geen van de door ATG gegeven argumenten voor opzegging valide zijn gebleken, is geen reden voor beperking van deze termijn. Daarentegen acht Majestic wel redenen deze termijn te verlengen en wel omdat zij aanzienlijke investeringen heeft gedaan in marketing en promotie van ATG producten alsmede in een distributiecentrum, zij gezien haar grote successen mocht vertrouwen op voortzetting van de langdurige en goede relatie, en gelet op de omstandigheid dat met de 8% omzet aan ATG producten een bedrag is gemoeid van zo’n drie miljoen euro en door opzeggingen niet alleen deze omzet plotseling wegviel maar ook de daaraan hangende omzet van andere producten.

2.13.

ATG heeft daar tegenover gesteld dat als er in beginsel al een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, in ieder geval het handelen van Majestic een omstandigheid is die tot verkorting van die termijn moet leiden, nu het op de markt brengen van een handschoenen die sterke gelijkenis vertoonden met de succesvolle MaxiFlex handschoen van ATG zich moeilijk verhoudt met de goede trouw die de samenwerking tussen partijen beheerste en ieders belangen die men daarbij in acht hoort te nemen. Daarnaast heeft zij onder meer aangevoerd dat de mate van afhankelijkheid zeer beperkt was nu de ATG producten slechts 8% van de omzet in 2009 vertegenwoordigde, terwijl het daarvoor nog lager lag en gewezen op het feit dat de reeds voor opzegging geplaatste orders niet zijn vervallen, waardoor Majestic de ATG producten nog lang heeft kunnen verkopen en de klap ook heel wel op heeft kunnen vangen. Dat de gestelde investeringen in dit geval relevant zijn, heeft zij betwist: het distributiecentrum was gehuurd en in eigendom van een gelieerde onderneming, terwijl de investeringen voor het overige behoren tot het normale bedrijfsrisico. Ten slotte heeft ATG er op gewezen dat de relatie de laatste jaren reeds moeizaam verliep.

2.14.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.14.1.

Vooropgesteld wordt dat van algemene regels voor een in acht te nemen minimum of maximum te hanteren opzegtermijn geen sprake is.

2.14.2.

Zoals reeds in het tussenvonnis van deze rechtbank onder 4.23. is overwogen, vormt het enkele gegeven dat de “Maxx Flex”-/”M-Flex”-handschoen van Majestic op de “MaxiFlex” handschoen van ATG lijkt, een geldige reden voor opzegging. Deze handschoenen heeft Majestic aan relaties aangeboden als zijnde “a look a like glove”. De rechtbank volgt ATG in haar stelling dat een zodanig handelen niet past binnen de tussen partijen bestaande handelsrelatie en de daarbij in acht te nemen wederzijdse belangen. De rechtsverhouding wordt immers mede bepaald door hetgeen de redelijkheid en billijkheid meebrengen. Deze omstandigheid dient dan ook mee te wegen bij het bepalen van de redelijke termijn.

2.14.3.

Uit de over en weer aangevoerde stellingen en de in het geding gebrachte producties blijkt voorts het volgende. De mate waarin Majestic van ATG afhankelijk was moet vrij beperkt worden geacht. Vaststaat dat de omzet van Majestic voor 8% was gerelateerd aan ATG producten. Niet uitgesloten is dat een deel van de omzet van de overige producten heeft meegelift met die van de ATG producten, zodat het relevante omzetverlies door opzegging van de distributieovereenkomst wellicht iets hoger ligt. De daaraan gerelateerde omzet is niet gelijk in zijn geheel verloren geraakt door opzegging. Als niet weersproken staat vast dat de op dat moment reeds geplaatste orders nog gewoon na opzegging zijn geleverd. Voorts blijkt uit de bij pleidooi in de eerste Rotterdamse procedure overgelegde print van de website van Majestic (productie 14 ATG) dat in 2011 de MaxiFlex handschoenen van ATG “nu nog ruim op voorraad” waren. De aanbieding aldaar gedaan was geldig tot 30 juni 2011. Zodoende heeft Majestic wel enige tijd en ruimte gehad zich aan de nieuwe situatie aan te passen. Daarbij gevoegd de omstandigheid dat Majestic een zeer ruim assortiment voerde, heeft gemaakt dat Majestic, in haar eigen bewoordingen “als geheel de klap te boven kon komen”. Dit blijkt ook wel uit de bij pleidooi door ATG overgelegde positieve jaarcijfers van Majestic over 2010 (productie 13 ATG).

2.14.4.

Tegenover de hiervoor geduide omstandigheden staat dat, wat er verder zij van de vraag hoe partijen zich tot elkaar verhielden – partijen twisten daarover van mening – vaststaat dat de distributierelatie zich over een zeer lange periode van 16 jaar heeft uitgestrekt. Voorts moet meewegen dat ook al was de mate van afhankelijkheid in omzetpercentage gering, slechts 8%, daarmee wel een groot financieel belang was gemoeid van - naar Majestic onbetwist heeft gesteld - drie miljoen euro in het topjaar 2009.

2.14.5.

De rechtbank ziet geen reden bij het bepalen van de opzegtermijn nog mee te wegen de gestelde vlak voor opzegging gedane investeringen in het distributiecentrum, reeds omdat de rechtbank onvoldoende aannemelijk acht dat dat deze kosten niet gemaakt zouden zijn, indien Majestic eerder had geweten dat de distributierelatie met ATG zou worden beëindigd.

2.14.6.

Een en ander in onderling verband en samenhang in ogenschouw nemend acht de rechtbank een opzegtermijn van 6 maanden redelijk.

verdere voortzetting procedure

2.15.

Nu de in deze procedure nog ter beoordeling voorliggende vorderingen in conventie en in reconventie geen van alle zien op voornoemde beslispunten als zodanig, maar uitsluitend op de omvang van de in verband daarmee te betalen schadevergoeding en een oordeel daaromtrent op verzoek van partijen vooralsnog wordt aangehouden, zal de rechtbank hierna volstaan met verwijzing naar de rol voor akte uitlaten partijen omtrent de verdere voortzetting van de procedure. De rechtbank merkt daarbij op dat zij bereid is indien partijen dit wensen een comparitie te bepalen, eventueel op korte termijn maar dan enkelvoudig, dat wil zeggen dat alsdan een van de rechters dienst zal doen als rechter-commissaris.

2.16.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

3 De beslissing

in conventie en in reconventie

3.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 26 september 2018 voor een door beide partijen te nemen akte uitlaten voortzetting procedure;

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel, mr. C. Bouwman en mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2018.

1515/1729/2504