Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6792

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-07-2018
Datum publicatie
23-08-2018
Zaaknummer
C/10/534486 / JE RK 17-2888
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

GI heeft deskundigenonderzoek niet tijdig laten uitvoeren. De kinderrechter is van oordeel dat de GI haar taak om verantwoorde hulp aan de kinderen te verlenen onvoldoende is nagekomen. De GI had desnoods procedurele stappen richting de (weigerachtige) gemeente moeten nemen.

VERVOLG OP ECLI:NL:RBROT:2017:10913.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0212
FJR 2019/26.24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaakgegevens: C/10/534486 / JE RK 17-2888

datum uitspraak: 9 juli 2018

beschikking verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2006 te [geboorteplaats minderjarige 1] , hierna te noemen [naam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2008 te [geboorteplaats minderjarige 2] , hierna te noemen [naam minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] ,

[naam stiefmoeder] ,

hierna te noemen de stiefmoeder, wonende te [woonplaats stiefmoeder] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 13 december 2017 en de daarin genoemde stukken;

- het faxbericht met bijlagen van de GI van 27 april 2018, ingekomen bij de griffie op 1 mei 2018;

- het faxbericht van de GI van 4 mei 2018;

- de reactie met bijlagen van mr. Tamas van 16 mei 2018, ingekomen bij de griffie op 16 mei 2018;

- het faxbericht van de GI van 3 juli 2018;

- de faxbericht met bijlage van mr. Carli-Lodder van 6 juli 2018;

- de nadere reactie met bijlagen van mr. Tamas van 6 juli 2018, ingekomen bij de griffie op
6 juli 2018, met daarin een aantal verzoeken.

Op 9 juli 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- [naam minderjarige 1] , die voorafgaand aan de zitting apart is gehoord;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. M.C. Carli-Lodder;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. E. Tamas;
- de stiefmoeder;

- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster 1] en mw. [naam vertegenwoordigster 2] .

Door en namens de vader is verzocht dhr. [naam medewerker] , medewerker van het Wijkteam, ter zitting toe te laten als informant. De kinderrechter heeft dit verzoek afgewezen, omdat door en namens de moeder hiertegen bezwaar is gemaakt en er sprake is van een besloten zitting.

De feiten
Het ouderlijk gezag over [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders. [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] wonen bij de vader en de stiefmoeder.

Bij beschikking van 13 december 2017 is de ondertoezichtstelling van [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] verlengd tot 1 september 2018. Het overige verzochte is aangehouden.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van één jaar. Het aangehouden deel van dit verzoek, te weten de periode tot

17 november 2018, resteert vandaag.

De GI heeft het verzoek ter zitting als volgt toegelicht. De gronden voor een ondertoezicht-stelling blijven onverminderd aanwezig. Hoewel de omgang beter lijkt te verlopen, blijft het moeizaam om duidelijkheid en helderheid te creëren over de omgang. De strijd tussen de ouders is nog onverminderd aanwezig. De GI heeft toestemming van de gemeente Rotterdam gekregen en zal het NIFP verzoeken om onderzoek te gaan doen. De moeder heeft al getekend, het wachten is nu op de vader. De GI acht het van belang dat dit onderzoek zo spoedig mogelijk doorgang kan vinden. De GI gaat er van uit dat het NIFP een onafhankelijk onderzoek aanbiedt en de ouders daarover worden geïnformeerd. Het blijft echter van belang dat de vader zo spoedig mogelijk zijn handtekening zet.

Het standpunt van belanghebbenden

Door en namens de moeder is ingestemd met het verzoek van de GI. Er speelt veel tussen de ouders, de vader werpt veel belemmeringen op. Zo stelt de vader eisen rondom het onafhankelijke onderzoek, waardoor de moeder vreest dat dit onderzoek uiteindelijk geen doorgang zal vinden. De zorgregeling lijkt nu te lopen, maar zodra de begeleiding van de GI wegvalt zal deze ook weer terugvallen in de oude situatie. De moeder heeft zorgen over de kinderen en de opvoedsituatie waar zij zich in bevinden. Het Hof heeft enige tijd geleden al aangegeven grote zorgen te hebben en heeft daarbij gesteld dat de GI snel moest doorpakken. Er is echter tot op heden geen verbetering zichtbaar.

Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De gronden voor een ondertoezichtstelling zijn op dit moment niet meer aanwezig. [naam minderjarige 1] geeft aan niet meer naar de moeder te willen; de ondertoezichtstelling wordt gebruikt om haar hiertoe te dwingen. Daarbij werkt de ondertoezichtstelling averechts; de situatie is juist verslechterd door de ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling voelt als een straf voor de vader. De vader wil alleen tekenen voor het onderzoek als dit daadwerkelijk een onafhankelijk onderzoek is. Dit maakt dat de vader eerst wil weten welke onderzoekers het onderzoek zullen gaan uitvoeren voordat hij zijn handtekening zal zetten. Het verzoek van de GI dient te worden afgewezen.

De stiefmoeder is het niet eens met het verzoek van de GI. Het gaat goed met de kinderen. De stiefmoeder en de vader komen alle afspraken na. De kinderen hebben gewoon omgang met de moeder.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de zorgen nog steeds aanwezig zijn over de blijvende en diepgaande (juridische) strijd tussen de ouders onderling en tussen de vader en de GI. Ook de zorgen over het loyaliteitsconflict van de kinderen blijven onverminderd bestaan. Hoewel de zorgregeling wordt nagekomen, blijkt het moeilijk voor de ouders om onrust rond de omgang bij de kinderen weg te nemen. De ouders zijn niet in staat, in het belang van de kinderen, met elkaar te communiceren. Er is al langdurig sprake van een schadelijke situatie voor de kinderen.

Bij de voorgaande beschikking van 13 december 2017 heeft de kinderrechter overwogen: “De kinderrechter is van oordeel dat het op basis van de Jeugdwet tot de taak van de GI behoort om verantwoorde hulp te verlenen, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of de ouder. Onder die hulp valt ook het (laten) verrichten van een noodzakelijk geacht onderzoek. (…) De GI dient daarbij, in het belang van de kinderen, met voortvarendheid te handelen. De GI dient dan ook zo spoedig mogelijk een onderzoek aan te vragen zodat verantwoorde beslissingen over het perspectief en de begeleiding van de kinderen kunnen worden genomen.”

De kinderrechter stelt vast dat de GI voornoemde opdracht niet tijdig heeft uitgevoerd. In het faxbericht van 27 april 2018 heeft de GI kenbaar gemaakt dat haar juristen aangegeven hebben dat de verantwoordelijkheid voor een onderzoek bij de ouders bij de gemeente ligt en niet bij de GI. Vervolgens heeft de GI intensief (min of meer dagelijks gedurende vier maanden) getracht de gemeente Maassluis te bewegen tot het laten uitvoeren/financieren van een NIFP-onderzoek, welke inspanningen zonder resultaat zijn gebleven. In voormeld faxbericht is hierover namens de GI vermeld dat het zeer frustrerend is voor zowel ouders als jeugdbeschermers dat het onderzoek nog steeds niet is gestart. Voorts wordt in het faxbericht opgemerkt dat het heel zorgelijk is dat de kinderen hierdoor nog altijd in dezelfde strijd blijven zitten.

De kinderrechter is van oordeel dat de GI door deze handelwijze haar taak om verantwoorde hulp aan de kinderen te verlenen onvoldoende is nagekomen. Blijkbaar hebben de juristen van de GI, zonder dat daartoe enige aanleiding bestond, het ter zitting van 13 december 2017 besproken en noodzakelijk geachte NIFP-onderzoek beperkt tot een onderzoek bij alleen de ouders. Het onderzoek is juist bedoeld om, in het belang van de kinderen, vast te stellen op welke wijze de GI haar taak (zijnde verantwoorde hulp verlenen die onder meer is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of de ouder) kan uitvoeren. Het is daarmee primair de taak van de GI om binnen de ondertoezichtstelling, en mede ter voorkoming van een uithuisplaatsing van de kinderen, een dergelijk (ook door de GI noodzakelijk geacht) onderzoek met voortvarendheid te laten uitvoeren. Als de GI van oordeel is dat de gemeente een dergelijk onderzoek moet financieren, zal (het management van) de GI (richting de gemeente) de geëigende, desnoods procedurele stappen moeten ondernemen om ervoor te zorgen dat het onderzoek van de grond komt. De GI mag deze verantwoordelijkheid niet naast zich neerleggen (zie onder meer art. 3.5 eerste lid Jeugdwet, Kamerstukken 2012/13, 33684, nr. 3, p. 160 – “Overeenstemming met de gemeente per geval wordt niet geëist, omdat het uiteindelijk de GI is die de wettelijke verantwoordelijkheid heeft om de door de rechter opgedragen maatregel uit te voeren.” en Eerste evaluatie Jeugdwet, p. 49.).

Mede door het nalaten van (het management van) de GI op dit punt heeft het noodzakelijke onderzoek op zich laten wachten. Inmiddels is duidelijk dat het onderzoek met toestemming van de gemeente Rotterdam van start kan gaan. Echter, de vader plaatst een kanttekening bij de onafhankelijkheid van de onderzoekers. Hij wordt hierin gesterkt door het feit dat op de aanvraag van de GI voor het onderzoek onderaan de pagina’s het adres van de werkgever van de moeder is geprint. Naar aanleiding van de vragen hierover van de vader heeft de GI op 15 juni 2018 een e-mailbericht aan het NIFP gestuurd. Hierop is nog geen antwoord bekend.

De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de GI betrokken blijft bij de kinderen, tijdens de voorbereiding en de uitvoering van het onderzoek. Wanneer het onderzoek is afgerond dienen de GI en de ouders met elkaar in overleg te gaan over de bevindingen en de acties die mogelijk naar aanleiding van die bevindingen ondernomen moeten worden. Van alle betrokkenen wordt verwacht dat zij constructief meedenken en -werken, waarbij ieder van hen het belang van [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] voorop moet stellen. De (stief)ouders moeten zich realiseren welke grote nadelige gevolgen de voortdurende strijd en spanningen voor de kinderen hebben; zij moeten er alles aan doen om die strijd en spanningen te beëindigen.

Gezien de voor hun ontwikkeling schadelijke situatie waarin de kinderen zich al langdurig bevinden, dient de ondertoezichtstelling verlengd te worden. Voldaan is aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] verlengen voor het resterende deel, te weten tot 17 november 2018.

De vader heeft in zijn (nadere) reacties van 16 mei en 6 juli 2018 een aantal verzoeken gedaan. De kinderrechter begrijpt dat deze verzoeken (uiteindelijk) de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen. De kinderrechter wijst deze verzoeken af (voor zover hierop niet al is beslist), omdat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de ondertoezicht-stelling bij de GI ligt en niet bij de kinderrechter.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] tot 17 november 2018;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte, voor zover hierop niet eerder is beslist.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E. van Damme als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.