Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6788

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-07-2018
Datum publicatie
16-08-2018
Zaaknummer
C/10/545976 / JE RK 18-638
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Aangehouden verzoek uithuisplaatsing 5 kinderen afgewezen. GI en Raad verschillen van mening over de noodzaak van een uithuisplaatsing. Verwijzing naar richtlijn ‘Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ van het Nederlands Jeugdinstituut. De Raad heeft zijn verzoek onvoldoende nader onderbouwd.

VERVOLG OP ECLI:NL:RBROT:2018:6783

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/545976 / JE RK 18-638

datum uitspraak: 9 juli 2018

beschikking

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2003 te [geboorteplaats minderjarige 1] , hierna te noemen [naam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2007 te [geboorteplaats minderjarige 2] , hierna te noemen [naam minderjarige 2] ,

[naam minderjarige 3] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 3] 2014 te [geboorteplaats minderjarige 3] , hierna te noemen [naam minderjarige 3] ,

[naam minderjarige 4] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 4] 2014 te [geboorteplaats minderjarige 4] , hierna te noemen [naam minderjarige 4] ,

[naam minderjarige 5] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 5] 2015 te [geboorteplaats minderjarige 5] , hierna te noemen [naam minderjarige 5] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 12 maart 2018 en de daarin genoemde stukken;

- het faxbericht van de GI van 4 juli 2018;

- de brief met bijlage van de Raad van 4 juli 2018, ingekomen bij de griffie op 4 juli 2018.

Op 9 juli 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- [naam minderjarige 1] , die voorafgaand aan de zitting apart is gehoord;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. H. Asal;

- een vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam vertegenwoordigster 1] ;

- een vertegenwoordiger van de GI, dhr. [naam vertegenwoordiger 2] .

De feiten
Het ouderlijk gezag over [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] , [naam minderjarige 4] en [naam minderjarige 5] wordt uitgeoefend door de moeder. Zij wonen allen bij de moeder.

Bij beschikking van 12 maart 2018 zijn [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] , [naam minderjarige 4] en [naam minderjarige 5]

onder toezicht gesteld tot 12 maart 2019. Het verzoek van de Raad om een machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden.

Het verzoek

De Raad heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , [naam minderjarige 3] , [naam minderjarige 4] en [naam minderjarige 5] in een voorziening voor pleegzorg verzocht voor de duur van twaalf maanden.

De Raad heeft het verzoek ter zitting als volgt toegelicht. De afgelopen periode heeft onvoldoende verbetering plaatsgevonden in de thuissituatie. De Raad heeft informatie van Middin dat de hulpverlening onvoldoende van de grond komt. De moeder zou Middin niet binnen laten en afspraken met Middin en de jeugdbeschermer afzeggen. De Raad heeft zorgen over het gebrek aan opvoedvaardigheden bij de moeder, pedagogische en emotionele verwaarlozing van de kinderen en de veiligheid van de jongste kinderen.

Het standpunt van belanghebbenden

De GI heeft aangevoerd een machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment niet noodzakelijk te achten. Er is sprake van een zich herhalend patroon; gebleken is dat hulpverlening altijd noodzakelijk zal blijven. Op dit moment maakt de moeder echter een positieve ontwikkeling door. Het is belangrijk om nu de hulpverlening in te zetten die deze ontwikkeling blijvend zal maken. Op dit moment zijn er te veel verschillende hulpverleningsinstanties betroken bij de moeder: wel 27 verschillende hulpverleners. Dit zorgt voor chaos en verschillende zienswijzen. Hier dient structuur in aangebracht te worden. Daarbij wil de GI één instantie inzetten die de regie gaat voeren. Hiervoor staat de moeder op de wachtlijst. Het is soms moeilijk de moeder te bereiken, maar de moeder is altijd aanwezig op afspraken met de GI. De moeder staat open voor de hulpverlening. De GI herkent zich niet in het beeld dat ter zitting wordt geschetst door de Raad. Het gaat goed met de kinderen en op school gaat het beter.

Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. Het gaat goed met de kinderen. De kinderen hebben taken gekregen die bij hun leeftijd passen en een toegevoegde waarde hebben in hun ontwikkeling. Ook op school gaat het beter, de kinderen komen niet meer te laat. Middin is aanwezig in de thuissituatie voor opvoed- en praktische ondersteuning. Er zijn veel hulpverleners betrokken bij de moeder; wel 27. Dit zorgt voor onduidelijkheid. Belangrijk is dat er hulpverlening komt die structuur aanbrengt. De moeder heeft dit reeds zelf ingeschakeld via het Dok. De huidige situatie is dat de moeder en de kinderen vooruitgang hebben geboekt. Dit maakt het mogelijk om gebruik te maken van minder vergaande maatregelen dan een uithuisplaating. Het verzoek van de Raad dient te worden afgewezen.

De beoordeling

Bij de vraag of een uithuisplaatsing onafwendbaar is, is volgens de ‘Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ van het Nederlands Jeugdinstituut van belang of de opvoedingscapaciteiten van de ouders en de ontwikkelingsbehoeften van de kinderen in balans zijn. Aan de kant van de ouders kunnen bijvoorbeeld de volgende problemen een reden zijn voor uithuisplaatsing: ernstige en langdurige kindermishandeling of een hoog risico op kindermishandeling, een (ernstig) tekort aan opvoedingsvaardigheden en/of ernstige onveiligheid in de ouder-kindrelatie (onveilige of gedesorganiseerde gehechtheid). Aan de kant van de kinderen kunnen bijvoorbeeld de volgende problemen een reden zijn voor uithuisplaatsing: ernstige emotionele en gedragsproblemen, gevaarlijk of bedreigend gedrag van de jeugdige richting gezinsleden en/of verminderd contact met de realiteit (psychose, zelfbeschadiging en/of suïcideneiging of -poging).

Een uithuisplaatsing van een jeugdige is een zeer ingrijpende beslissing. Het heeft veel gevolgen voor de betrokken jeugdige, de ouders, eventuele broers en zussen en overige familieleden. Daarnaast leert de praktijk dat een uithuisplaatsing niet altijd brengt wat de kinder- en jeugdbescherming hadden beoogd. Kinderen worden met regelmaat geconfronteerd met herhaaldelijke overplaatsingen naar (crisis)pleeggezinnen, gezinshuizen en instellingen. Daarnaast zullen de vijf kinderen [achternaam] bij een uithuisplaatsing naar verwachting niet langer samen als gezin opgroeien.

In de uitspraak van deze rechtbank van 12 maart 2018 is overwogen dat de GI in de komende periode zicht moet krijgen op de thuissituatie en moet onderzoeken welke minder ingrijpende alternatieven dan een uithuisplaatsing voorhanden zijn, waarbij het welzijn en de ontwikkeling van de kinderen voorop moeten staan. Immers, een gedwongen uithuisplaatsing is pas aan de orde als minder ingrijpende mogelijkheden niet meer voorhanden zijn.

In de periode na voornoemde uitspraak is de GI aan de slag gegaan met het gezin. De GI heeft gerapporteerd over deze periode en heeft aangegeven dat intensieve hulpverlening in de thuissituatie op dit moment afdoende zou moeten zijn. Dit maakt dat volgens de GI een minder ingrijpende maatregel dan een uithuisplaatsing voorhanden is. Volgens de GI kan de situatie het beste (verder) verbeterd worden terwijl de kinderen thuis wonen.

De Raad daarentegen heeft zijn verzoek tot uithuisplaatsing gehandhaafd. Zeer kort voor de zitting heeft de Raad als enige nieuwe informatie laten weten dat de moeder de gezins-begeleider van Middin niet meer wil spreken. De moeder weerspreekt dit. De Raad heeft van deze informatie geen brondocument of akkoordverklaring informant overgelegd. De Raad is van mening dat de intensieve hulp die de GI had willen inzetten, niet van de grond is gekomen. Ter zitting heeft de GI gezegd dit door de Raad geschetste beeld niet te herkennen.

Na kritische afweging van al het vorenstaande komt de kinderrechter tot het oordeel dat een uithuisplaatsing niet de gepaste maatregel is voor de kinderen [achternaam] . Weliswaar beschikt de moeder niet over alle opvoedingscapaciteiten die zij nodig heeft om als alleenstaande moeder met een beperkte financiële draagkracht een groot gezin van vijf kinderen op een ideale manier draaiende te houden. Zij staat echter open voor de hulpverlening, werkt aan het verbeteren van de thuissituatie van de kinderen en haar opvoedvaardigheden en denkt mee bij het vinden van oplossingen. Het mag de moeder niet worden aangerekend, dat zij momenteel op de wachtlijst staat voor intensievere hulpverlening en dat deze hulpverlening nog niet is gestart. Het mag de moeder evenmin worden aangerekend dat er op enig moment 27 hulpverleners bij haar gezin betrokken waren die van elkaar niet wisten wat de ander ervan vond. Inmiddels is de GI hard bezig om met de moeder overzicht en structuur aan te brengen. De moeder heeft zelf het Dok ingeschakeld om haar te helpen deze structuur aan te brengen; de moeder ervaart hier verbetering door. Zij doet haar best om mee te werken met de GI, het Dok en de overige hulpverleners.

Van voornoemde kindeigen problematiek die een uithuisplaatsing van één of meerdere kinderen zou rechtvaardigen, is voorts niet gebleken. De oudste kinderen komen inmiddels op tijd op school en de moeder heeft hun huishoudelijke taken verminderd en leeftijdsadequaat gemaakt.

Het gezin laat een stijgende lijn zien. Gezien het verleden is het wel noodzakelijk dat de moeder deze stijgende lijn weet vast te houden. Het is belangrijk dat de moeder blijft meewerken met de hulpverlening en, indien de hulpverlening dit noodzakelijk acht, mee zal werken met onderzoeken. De kinderrechter vindt een ondertoezichtstelling op dit moment voldoende om dit te blijven monitoren. De kinderrechter zal het verzoek om uithuisplaatsing van de kinderen daarom afwijzen.

De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E. van Damme als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.