Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6782

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
16-08-2018
Zaaknummer
C/10/544550 / JE RK 18-390
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ook al staan de kinderen onder toezicht, het uitgangspunt is dat het de taak van de ouders met gezag is om zich in te spannen om in goed overleg met elkaar tot omgangsafspraken of wijzigingen daarin te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/544550 / JE RK 18-390

datum uitspraak: 8 maart 2018

beschikking wijzigen zorg/omgangsregeling

in de zaken van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2008 te [geboorteplaats minderjarige 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2010 te [geboorteplaats minderjarige 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] ,

[naam minderjarige 3] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 3] 2012 te [geboorteplaats minderjarige 3] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 3] ,

[naam minderjarige 4] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 4] 2014 te [geboorteplaats minderjarige 4] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 4] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te Dirksland,

[naam vader] , hierna te noemen de vader, wonende te Dirksland.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de verzoekschriften met bijlagen van de GI van 8 februari 2018, ingekomen bij de griffie op 9 februari 2018,

- het faxbericht van mr. Y.M. Schrevelius van 7 maart 2018, ingekomen bij de griffie op
7 maart 2018.

Op 8 maart 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. Y.M. Schrevelius,

- de vader,

- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] wordt uitgeoefend door de ouders. Zij wonen allen bij de vader.

Bij beschikking van 1 september 2017 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] verlengd tot 11 september 2018.

De rechtbank heeft bij beschikking van 14 juli 2017 de volgende omgangsregeling vastgesteld:

De moeder zal de vier kinderen één keer per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot en met zondagmiddag 16.00 uur bij zich hebben. [voornaam minderjarige 4] , die nog niet naar school gaat, gaat in dat weekend op vrijdagochtend al om 08.30 uur naar de moeder. In de week waarin er geen zorgregeling is gaat [voornaam minderjarige 4] op woensdag om 08.30 uur naar de moeder en de moeder mag de andere drie kinderen dan op die woensdag na school (tot na of voor het eten) bij zich hebben. Partijen dienen zelf in onderling overleg al dan niet met hulp van de gezinsvoogd(es) afspraken te maken over het halen en brengen van de vier kinderen, over het antwoord op de vraag of de vier kinderen bij de vrouw in de avond op woensdag blijven eten en over de zorgregeling tijdens de vakanties.

De verzoeken

De GI heeft verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, de door de rechtbank op 14 juli 2017 vastgestelde omgangsregeling te wijzigen in die zin dat alle kinderen eenmaal per vier weken van woensdagochtend 08.30 uur tot zondagavond 18.30 uur bij de moeder zijn en de zomervakantie en de kerstvakantie in overleg met de GI en de ouders worden bepaald.

De GI heeft de verzoeken ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Een wijziging van de omgangsregeling biedt de moeder de gelegenheid om de omgangsregeling na te komen. Daarnaast hoeft er minder te worden gereisd. De verzoeken zijn in samenspraak met beide ouders opgesteld. Het verrast de GI dat de moeder het blijkens het faxbericht van 7 maart 2018 toch niet eens blijkt te zijn met deze verzoeken. De verzoeken bieden de moeder de mogelijkheid om tijdens schooldagen voor de kinderen te zorgen. De moeder komt binnen de huidige regeling geregeld de gemaakte afspraken niet na. De moeder woont in een tweekamerwoning waar weinig speelruimte voor de kinderen is. De vader creëert een stabiele situatie voor de kinderen; de moeder kan momenteel niet de garantie geven dat zij hetzelfde zal doen.

De standpunten

De vader is het eens met de verzoeken van de GI en geeft aan dat zijn ervaring is dat de moeder meer wil doen dan ze daadwerkelijk aankan. Het is van belang dat de moeder meer tijd in Nederland doorbrengt en de twee extra dagen die ze bij de kinderen wil zijn aan de hulpverlening besteedt. Tot op heden is de hulpverlening bij de moeder niet op gang gekomen. Wanneer de omgangsregeling zoals deze nu is verzocht goed verloopt, staat de vader er positief tegenover om de omgang tussen de kinderen en de moeder uit te breiden.

De moeder verzet zich, deels bij monde van haar advocaat, tegen de verzoeken van de GI. De moeder wil graag dat de kinderen eenmaal per vier weken van woensdagochtend tot dinsdagavond bij haar verblijven. De moeder geeft aan dat dit voor de kinderen al best kort is, terwijl het bezoek aan de moeder in het huidige verzoek nog korter is. Dit draagt niet bij aan de stabiliteit en rust die de kinderen nodig hebben. De moeder heeft inmiddels de intake voor een persoonlijkheidsonderzoek ingepland. Daarnaast geeft de moeder aan dat zij drie weken per maand in Griekenland verblijft. Een aantal keren is de moeder de afspraken rondom de kinderen niet nagekomen, omdat de vliegtickets vanuit Griekenland naar Nederland op dat moment te duur waren. De moeder wil graag laten zien dat ze in staat is de gemaakte afspraken na te komen.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de partijen het tot zeer kort voor de zitting eens waren over de omgangsregeling, zoals verzocht door de GI.

De ouders zijn samen belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. Uitgangspunt is dat zij in goed overleg met elkaar tot omgangsafspraken of wijzigingen daarin komen. De moeder is niet tijdig in overleg getreden met de vader over de door haar in het faxbericht van 7 maart 2018 gewenste wijziging. De vader verzet zich tegen deze wijziging, maar geeft wel aan dat hij op termijn, afhankelijk van het verloop van de door de GI verzochte wijziging, open staat voor uitbreiding van de omgang tussen de moeder en de kinderen.

Enerzijds is het in het belang van de kinderen dat zij regelmatig omgang hebben met beide ouders, anderzijds zijn zij gebaat bij continuïteit, voorspelbaarheid en rust. De kinderrechter zal de verzoeken van de GI toewijzen, nu deze in het belang van de kinderen kunnen worden geacht en ze berusten op een eerder bereikte overeenstemming tussen de ouders. Wanneer deze omgangsregeling positief verloopt, dient in beginsel in goed onderling overleg te worden gewerkt aan een uitbreiding van de omgang waarbij de belangen van de kinderen in het algemeen en hun draagkracht in het bijzonder leidend moeten zijn.

De beslissing

De kinderrechter:

wijzigt de bij beschikking van 14 juli 2017 vastgestelde omgangsregeling en bepaalt deze als volgt:

de vier kinderen zijn eenmaal per vier weken van woensdagochtend 08.30 uur tot zondagavond 18.30 uur bij de moeder en de zomervakantie en de kerstvakantie worden in overleg tussen Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond en de ouders bepaald;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van R. Jelicic als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.