Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6779

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
16-08-2018
Zaaknummer
C/10/540594 / JE RK 17-4005
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Resterend verzoek machtiging gesloten jeugdhulp afgewezen. Na half jaar nog geen zicht op start noodzakelijk persoonlijkheidsonderzoek, omdat gemeente, gesloten jeugdhulpinstelling en voogdij-instelling (de GI) zich geen van drieën verantwoordelijk acht voor de financiering ervan. De kinderrechter is van oordeel dat de GI als voogdes de verantwoordelijkheid hiervoor draagt.

VERVOLG OP ECLI:NL:RBROT:2018:6778.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2019/10.26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/540594 / JE RK 17-4005

datum uitspraak: 17 juli 2018

beschikking

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige] , geboren op [geboortdatum minderjarige] 2001 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [naam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam pleegmoeder] , hierna te noemen de pleegmoeder,

wonende te [woonplaats pleegmoeder] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 23 april 2018 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- een brief met bijlagen van de GI van 23 mei 2018, ingekomen bij de griffie op
23 mei 2018;

- een brief van mr. R. Moghni van 31 mei 2018, ingekomen bij de griffie op 31 mei 2018;

- een faxbericht met bijlagen van de GI van 16 juli 2018, ingekomen bij de griffie op
16 juli 2018.

Op 17 juli 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- [naam minderjarige] , die ook apart is gehoord, bijgestaan door mr. R. Moghni,

- de pleegmoeder,

- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten dhr. [naam vertegenwoordiger 1] en een collega,
- een vertegenwoordigster van de GI, te weten mw. [naam vertegenwoordigster 2] .

Ter zitting heeft de GI een e-mailbericht van [naam werkbegeleider] , werkzaam als werkbegeleider Kompas 2 bij Horizon, van 16 juli 2018 overgelegd.

De feiten
Bij beschikking van 3 maart 2003 is Stichting Jeugdbescherming Rotterdam/Zuid Holland Zuid, thans de GI, tot voogdes over [naam minderjarige] benoemd.

Bij beschikking van 23 april 2018 is een machtiging gesloten jeugdhulp betreffende [naam minderjarige] verleend met ingang van 1 mei 2018 tot 1 augustus 2018 en is het verzoek voor het overige aangehouden.

[naam minderjarige] verblijft bij Horizon te Harreveld.

Het (aangehouden) verzoek en het standpunt van de GI

De GI heeft een machtiging verzocht om [naam minderjarige] in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van een jaar.

De GI heeft ter zitting het resterende deel van het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht. In de afgelopen periode heeft [naam minderjarige] een behandeling op de groep in Harreveld gekregen. Hij ervaart geen lijdensdruk. Het is van belang dat [naam minderjarige] vanuit een plaatsing bij het Hand in Hand traject zal toewerken naar een terugplaatsing bij de pleegmoeder. Volgens Harreveld is hij hier echter nog niet aan toe. [naam minderjarige] wil aan dit traject bij Hand in Hand niet meewerken. De situatie bij de pleegmoeder thuis is nog onvoldoende. De komende periode zal [naam minderjarige] op de groep in Harreveld nog de nodige stappen moeten maken. De verlofmomenten van [naam minderjarige] in de regio van Harreveld zijn goed verlopen. Wel laat [naam minderjarige] tijdens het verlof buiten Harreveld onvoorspelbaar gedrag zien. Zo is hij tijdens het verlof bij zijn pleegmoeder twee weken geleden met name met zijn telefoon bezig geweest. Ook is [naam minderjarige] onlangs niet op tijd naar de groep teruggekeerd. Dat [naam minderjarige] met zijn zus naar het ziekenhuis is gegaan wegens een bij haar ontdekte knobbel in de borst, is geen geldige reden om niet tijdig naar de groep terug te keren. Daarbij komt dat [naam minderjarige] op 16 juli 2018 in de avond betrokken is geraakt bij een fysiek conflict met een groepsgenoot. Vanwege dit incident worden de verloven van [naam minderjarige] opgeschort.

Het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek (hierna te noemen: PO) bij [naam minderjarige] is noodzakelijk. Tot nu toe hebben Harreveld en de gemeente Oost Gelre echter geen overeenstemming over de financiering van dit onderzoek. De juridische afdeling van de GI heeft zich op het standpunt gesteld dat Horizon te Harreveld het PO bij [naam minderjarige] moet afnemen. Dat is vastgelegd in een contract met de gemeente. De juridische afdeling van de GI betreurt de gang van zaken en gaat het aan de Vereniging Nederlandse Gemeenten voorleggen.

Het standpunt van belanghebbenden

Namens [naam minderjarige] heeft zijn advocaat ter zitting verzocht het verzoek van de GI af te wijzen. Ter onderbouwing van dit standpunt is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Er zijn geen gronden voor een plaatsing van [naam minderjarige] binnen de gesloten jeugdhulp. Er is geen sprake meer van ernstige gedragsproblemen bij [naam minderjarige] . De GI heeft haar verzoek en stellingen niet met overlegging van stukken onderbouwd. In de verklaring van de gedragswetenschapper is sprake van een opeenstapeling van stellingen en een conclusie. Op alle slakken worden zout gelegd. Vanuit Harreveld worden gebeurtenissen beschreven. Dit is echter slechts één bron. Al vanaf januari 2018 is [naam minderjarige] bij Horizon te Harreveld binnen de gesloten jeugdhulp geplaatst. Hij heeft alleen dankzij zijn eigen inzet vooruitgang laten zien. Verder heeft er vanuit Harreveld geen behandeling van [naam minderjarige] plaatsgevonden.

Afgezien van twee incidenten kan [naam minderjarige] slechts gecomplimenteerd worden dat hij zelf de terechte beslissing heeft genomen om, in plaats van naar de groep terug te keren, met zijn zus naar het ziekenhuis te gaan. Het standpunt van de jeugdbeschermer dat hij toch terug moest keren naar de groep getuigt van respectloosheid. Dat [naam minderjarige] op 16 juli 2018 een kopstoot zou hebben gegeven is niet geloofwaardig en betreft opnieuw een niet onderbouwde stelling van de GI. Zover [naam minderjarige] weet, is er (nog) geen besluit gevallen om de verloven op te schorten. De pleegmoeder staat open voor een terugplaatsing van [naam minderjarige] met duidelijke afspraken. Een ondertoezichtstelling is afdoende voor een veilige terugkeer van [naam minderjarige] naar de pleegmoeder. Op 1 augustus 2018 loopt de huidige machtiging gesloten jeugdhulp af. Een periode van twee weken is voldoende om een veiligheidsplan te maken met afspraken.

[naam minderjarige] is er de dupe van dat het PO vanwege financieringsperikelen nog niet van de grond is gekomen. Het is onacceptabel dat de GI het tot nu toe niet voor elkaar heeft gekregen om Horizon te Harreveld te bewegen tot het afnemen van dit onderzoek. Dit onderzoek kan overigens ook plaatsvinden buiten de gesloten jeugdhulp en zal dan naar verwachting spoediger van de grond komen.

In aanvulling op het betoog van zijn advocaat heeft [naam minderjarige] ter zitting verklaard dat hij zich zal houden aan de veiligheidsafspraken indien hij bij zijn pleegmoeder wordt terug geplaatst.

De pleegmoeder heeft ter zitting - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende verklaard.

Zij wil ook graag dat [naam minderjarige] weer bij haar komt wonen. Er zijn echter wel duidelijke afspraken nodig, waar [naam minderjarige] zich aan zal moeten houden. Zij refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter over een directe terugplaatsing van [naam minderjarige] .

De Raad heeft ter zitting - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende verklaard.

Zolang er nog geen zicht is op de achterliggende problematiek van [naam minderjarige] , bestaat het risico dat een terugplaatsing van [naam minderjarige] bij de pleegmoeder niet goed zal verlopen. Daarbij zijn veiligheidsafspraken nodig.

Het PO had al lang moeten plaatsvinden. Het is van belang dat dit onderzoek alsnog zo spoedig als mogelijk bij [naam minderjarige] wordt afgenomen en dat hij vanuit beslotenheid zal toewerken naar een terugplaatsing bij de pleegmoeder. Er is een plek voor [naam minderjarige] bij Hand in Hand beschikbaar.

De beoordeling

Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

De kinderrechter overweegt als volgt.

Op 4 december 2017 heeft de GI voor [naam minderjarige] een machtiging gesloten jeugdhulp verzocht. Bij beschikking van 11 januari 2018 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor de duur van vier weken. In de instemmingsverklaring van 15 januari 2017 (bedoeld wordt: 2018) heeft de gedragswetenschapper ingestemd met een plaatsing binnen de gesloten jeugdhulp en geadviseerd om een gedegen psychologisch onderzoek uit te laten voeren bij [naam minderjarige] om meer zicht te krijgen op de oorzaken van zijn gedrag en om te kunnen bepalen welke hulpverlening voor hem wenselijk is.

Bij beschikking van 7 februari 2018 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI deels toegewezen, voor het overige aangehouden en daarbij overwogen dat een PO noodzakelijk is, te verrichten vanuit de instelling voor gesloten jeugdhulp.

In de instemmingsverklaring van 19 april 2018 heeft de gedragswetenschapper ingestemd met een machtiging gesloten jeugdhulp voor een afgebakende periode en aangegeven dat het van belang is om met spoed een PO bij [naam minderjarige] af te nemen. De gedragswetenschapper heeft aangegeven dat het ook belangrijk is om de tijd voor [naam minderjarige] in de gesloten jeugdhulp zo kort als mogelijk te houden.

Bij beschikking van 23 april 2018 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI deels toegewezen, het overige aangehouden en de GI in de gelegenheid gesteld te reageren op de mening van [naam minderjarige] dat hij ten onrechte beschuldigd wordt van betrokkenheid bij een aantal incidenten. Voorts is opnieuw overwogen dat het PO zo spoedig mogelijk van de grond dient te komen.

Op 13 juli 2018 heeft de gedragswetenschapper kenbaar gemaakt dat sprake is van een voorzichtige positieve ontwikkeling bij [naam minderjarige] . [naam minderjarige] heeft tijdens begeleide en onbegeleide verloven in de regio voldoende kunnen laten zien dat hij zich aan de gestelde afspraken kan houden. De gedragswetenschapper vindt voortzetting van de gesloten plaatsing geïndiceerd om de positieve ontwikkeling te bestendigen. Voor de derde keer wordt door de gedragswetenschapper opgemerkt dat het belangrijk is dat er (met spoed) een PO wordt afgenomen.

Het persoonlijkheidsonderzoek

Bij het faxbericht van 16 juli 2018 is een e-mail-wisseling gevoegd tussen de GI, de gemeente Oost Gelre en Horizon (waaronder Harreveld valt), uit de periode van 5 juni tot en met 2 juli 2018. Hieruit volgt dat de gemeente Oost Gelre een offerte van een orthopedagoog heeft ontvangen voor een PO, af te nemen bij [naam minderjarige] . De gemeente stelt zich op het standpunt dat een PO hoort bij de behandeling die Horizon biedt en dat de offerte daarom niet voor de gemeente bestemd is. Horizon laat vervolgens weten dat een PO al jarenlang geen deel meer uitmaakt van hun behandeling; de kosten ervan zouden niet in de dagprijs zitten die Horizon voor [naam minderjarige] in rekening brengt. De Transitiemanager van Horizon laat daarna weten dat Oost Gelre verantwoordelijk is, omdat [naam minderjarige] onder voogdij staan van de GI. Op 2 juli 2018 laat de gemeente Oost Gelre weten dat zij bij haar standpunt blijft.

Uit vorenstaande volgt dat de GI de noodzaak en de urgentie van een PO niet betwist, maar dat geen van de betrokken instanties zich verantwoordelijk acht voor de financiering ervan. De kinderrechter stelt vast dat de GI de voogdij over [naam minderjarige] heeft en daarmee de verantwoordelijkheid om ervoor zorg te dragen dat [naam minderjarige] goed wordt verzorgd en opgevoed. Daarbij hoort een actieve rol van de GI, opdat het noodzakelijke PO tijdig en adequaat wordt uitgevoerd om aan de hand van de resultaten ervan te kunnen bepalen welke hulpverlening [naam minderjarige] nodig heeft. Halverwege januari 2018 is al geadviseerd om een gedegen psychologisch onderzoek uit te laten voeren bij [naam minderjarige] ; nu – een half jaar later – is er nog geen enkel zicht op het daadwerkelijk plaatsvinden van dat PO. Ter zitting lijkt de GI geen idee te hebben hoe zij ervoor gaat zorgen dat dit PO wordt uitgevoerd, terwijl de GI als voogdes de verantwoordelijkheid hiervoor draagt. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het nog niet beschikbaar zijn van een PO niet langer als argument kan worden gebruikt om de plaatsing van [naam minderjarige] in gesloten jeugdhulp verder te verlengen.

De incidenten

De kinderrechter constateert dat de GI naar aanleiding van laatstgenoemde beschikking geen reactie kenbaar heeft gemaakt op de punten waarover [naam minderjarige] en de GI van mening verschillen. Er is enkel een eerste perspectiefplan overgelegd dat dateert van vóór de zitting van 23 april 2018. Ter zitting is door de jeugdbeschermer nog gewezen op een incident, de dag voorafgaande aan de zitting op 16 juli 2018. Ook over wat er tijdens dat incident precies is gebeurd, lopen de meningen sterk uiteen. De kinderrechter stelt vast dat er onduidelijkheid blijft bestaan over wat er tijdens de incidenten precies is gebeurd.

De conclusie

[naam minderjarige] verblijft sinds 11 januari 2018, inmiddels ruim een half jaar, binnen de gesloten jeugdhulp. Een dergelijke plaatsing is een vorm van vrijheidsbeneming en behoort daarom een uiterst middel te zijn. Naarmate de maatregel langer voortduurt, brengt dit karakter van vrijheidsbeneming mee dat het daarmee gediende belang van steeds groter gewicht moet zijn om nog voldoende rechtvaardiging te vormen voor een verdere inbreuk op de persoonlijke vrijheid van degene die het betreft (Hof ’s-Gravenhage 20 mei 2010, ECLI:NL:2010:GHSGR:BN9308).

Er is sprake van een voorzichtig positieve ontwikkeling bij [naam minderjarige] . De kinderrechter is daarnaast van oordeel, op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de verloven naar behoren zijn verlopen. Er is voorlopig geen enkel zicht op het noodzakelijk geachte PO en over wat er precies tijdens de gestelde incidenten is gebeurd, bestaat geen duidelijkheid. Met goede veiligheidsafspraken mag [naam minderjarige] van zijn pleegmoeder bij haar terugkeren. De kinderrechter komt daarom tot het oordeel dat niet langer voldaan wordt aan de zeer strenge eisen van artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet; de GI heeft de noodzaak voor het resterende deel van het verzoek onvoldoende onderbouwd. Het resterende deel van het verzoek zal daarom worden afgewezen, voor zover hierop niet eerder is beslist.

Nu de huidige machtiging gesloten jeugdhulp tot 1 augustus 2018 loopt, betekent dit dat [naam minderjarige] na genoemde datum bij zijn pleegmoeder zal terugkeren. Daarbij acht de kinderrechter het van belang dat de GI voor die tijd in samenspraak met [naam minderjarige] , zijn advocaat en zijn pleegmoeder veiligheidsafspraken op zal stellen en dat [naam minderjarige] zijn medewerking aan de gemaakte afspraken zal verlenen. Daarnaast blijft het zinvol dat het PO alsnog zal plaatsvinden, en wel vanuit de thuissituatie van [naam minderjarige] bij de pleegmoeder. Van [naam minderjarige] wordt verwacht dat hij hieraan meewerkt, alsmede aan de hulp en begeleiding die wellicht nodig zijn naar aanleiding van het PO.

De beslissing

De kinderrechter:

wijst af het resterende deel van het verzoek, voor zover hierop niet eerder is beslist.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D. van der Aa als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2018.

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.