Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6778

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-04-2018
Datum publicatie
16-08-2018
Zaaknummer
C/10/540594 / JE RK 17-4005
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten jeugdhulp voor drie maanden, met aanhouding van resterende verzoek. Jeugdige weerspreekt ernst door GI gestelde incidenten. Brondocument ontbreekt. Noodzakelijk geachte persoonlijkheidsonderzoek nog niet van start. ZIE VERDER: ECLI:NL:RBROT:2018:6779.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/540594 / JE RK 17-4005

datum uitspraak: 23 april 2018

beschikking machtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2001 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [naam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam pleegmoeder] , hierna te noemen de pleegmoeder,

wonende te [woonplaats pleegmoeder] .

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 7 februari 2018 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- het faxbericht met bijlage van de GI van 23 april 2018, met onder meer als bijlage de instemmende verklaring van 19 april 2018 van de gekwalificeerde gedragswetenschapper.

Op 23 april 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

  • -

    [naam minderjarige] , die ook voorafgaand aan de zitting in het bijzijn van zijn advocaat mr. R. Moghni is gehoord,

  • -

    de pleegmoeder,

- een vertegenwoordigster van de GI, mevrouw [naam vertegenwoordigster] .

De feiten
Bij beschikking van 3 maart 2003 is [naam minderjarige] onder voogdij gesteld van destijds Stichting Jeugdbescherming Rotterdam/Zuid Holland Zuid, thans de GI.

[naam minderjarige] verblijft in de instelling voor gesloten jeugdhulp te Harreveld.

Bij beschikking van 7 februari 2018 is een machtiging gesloten jeugdhulp verleend tot 1 mei 2018. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

Het aangehouden verzoek

De GI heeft een machtiging verzocht om [naam minderjarige] in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van twaalf maanden, te weten tot 11 januari 2019. Bij het bepalen van deze termijn heeft de GI rekening gehouden met de periode waarin [naam minderjarige] op basis van de door de Raad voor de kinderbescherming verzochte machtiging in de gesloten jeugdhulp heeft verbleven.

De GI heeft het verzoek ter zitting als volgt toegelicht. [naam minderjarige] is binnen Harreveld niet betrouwbaar in zijn gedrag. Er hebben incidenten plaatsgevonden waarbij [naam minderjarige] een jongen hard op het achterhoofd heeft geslagen, hij met een stofzuiger heeft gegooid naar een medewerker en hij brand heeft gesticht. Om deze reden is er momenteel geen verlofregeling. Voorts heeft er nog geen persoonlijkheidsonderzoek kunnen plaatsvinden, omdat [naam minderjarige] zich niet voldoende wil of kan openstellen. Het traject bij Harreveld zal gezien de problematiek nog zes tot negen maanden duren. [naam minderjarige] kan vervolgens worden overgeplaatst naar de besloten groep Hand in Hand. Alvorens [naam minderjarige] kan worden overgeplaatst naar een open groep, is de tussenstap via Hand in Hand noodzakelijk. Voor deze plaatsing is ook een machtiging gesloten jeugdhulp noodzakelijk.

Het standpunt van [naam minderjarige]

Door en namens [naam minderjarige] is verzocht het verzoek af te wijzen. Hiertoe is aangevoerd dat het verzoek van de GI onvoldoende is onderbouwd. Bij [naam minderjarige] is sprake van problematiek, maar gezien de ontwikkelingen en reeds plaatsgevonden zittingen heeft de GI voldoende tijd gehad om het verzoek tot deze zeer ingrijpende maatregel stevig te onderbouwen. Op school gaat het goed met [naam minderjarige] en binnen Harreveld zou hij zijn MBO diploma kunnen behalen, maar het belang van het voltooien van een opleiding is onvoldoende voor de verlening van een gesloten machtiging.

Bovendien wordt een belangrijk deel van de door de GI genoemde incidenten door [naam minderjarige] ontkend. Zo heeft [naam minderjarige] geen brand gesticht, maar had hij enkel een aansteker in zijn bezit. Hij erkent dat hij de aansteker niet wilde afgeven en dat dat achteraf gezien niet goed is geweest, maar hij heeft zeker geen brand gesticht. Ook heeft hij niet met een stofzuiger gegooid naar een medewerker; hij heeft wel de stang van de stofzuiger op de grond gegooid. Daarnaast heeft hij enkel een tik gegeven aan een jongen en hem zeker niet hard geslagen. Tot slot heeft [naam minderjarige] niet gezegd dat hij iemand ging neersteken als hij niet voor de zomer uit Harreveld kan vertrekken. Verlening van de machtiging gesloten jeugdhulp kan daarom volgens de advocaat niet op deze incidenten worden gebaseerd.

[naam minderjarige] heeft verder - eerder al en nu weer - aangegeven zijn medewerking te willen verlenen aan een persoonlijkheidsonderzoek. [naam minderjarige] wil weliswaar niet met iedereen zijn gevoelens delen, maar is daar in het kader van een persoonlijkheidsonderzoek wel toe in staat en bereid. Er is dus geen sprake van niet willen of kunnen meewerken aan een dergelijk onderzoek. De advocaat betreurt het dat de GI geen contact met hem heeft opgenomen om de stagnatie in het persoonlijkheidsonderzoek te bespreken. Wellicht had de advocaat behulpzaam kunnen zijn, door bijvoorbeeld met [naam minderjarige] te praten, om het proces te versnellen. Door de kinderrechter is meermaals verzocht de verzoeken met betrekking tot [naam minderjarige] te onderbouwen met onderzoeken en rapportages. Nu dit wederom is nagelaten, dient [naam minderjarige] te worden thuis geplaatst. Vanuit de thuissituatie kunnen de nodige onderzoeken plaatsvinden.

Het standpunt van de pleegmoeder

De pleegmoeder heeft aangegeven dat zij wil dat [naam minderjarige] met behulp van intensieve hulp-verlening wordt thuis geplaatst. [naam minderjarige] zit met een aantal zorgen die hij nu niet kan uiten; mogelijk hebben die ook betrekking op zijn biologische moeder. [naam minderjarige] is een lieve zorgzame jongen die elke moeder zich zou wensen. Hij luisterde altijd goed naar haar. Als zij pijn had, wist hij niet hoe snel hij haar moest helpen. Maar ze zag hem op enig moment weg glijden: hij ging niet naar school, kreeg vrienden die zij niet kende en kon baantjes niet vast houden. De hulp die hij kreeg aangeboden, wilde hij niet. De pleegmoeder vindt dat jammer, want als hij die hulp wel had geaccepteerd, had [naam minderjarige] misschien niet in een gesloten instelling gezeten. Om de stap naar volwassenheid te kunnen maken, is behandeling voor [naam minderjarige] noodzakelijk. Vanuit de thuissituatie kan [naam minderjarige] de nodige hulp worden geboden en kan hij zijn school afronden.

De beoordeling

Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Volgens de kinderrechter is daarvan op dit moment nog sprake.

Er bestaan ernstige zorgen over het gedrag van [naam minderjarige] . In het verleden ging het, ondanks zijn belaste verleden, goed met hem, maar op enig moment is zijn gedrag minder geworden. Hij accepteerde het gezag van zijn pleegmoeder niet meer, ging niet naar school en weigerde passende hulpverlening. Hij is vermist geweest en er zijn zorgmeldingen gedaan. Volgens de gedragswetenschapper is zowel sprake van kindfactoren, als van omgevings/systeem-factoren. Dit heeft ertoe geleid dat [naam minderjarige] op 11 januari 2018 in een gesloten instelling is geplaatst. Daar heeft een aantal incidenten plaats gehad. Over wat er precies gebeurd is, lopen de meningen sterk uiteen. De brondocumenten waaruit een en ander had moeten blijken, ontbreken. Feit is wel dat mede door die incidenten er nog geen afspraken gemaakt zijn voor verlof en er nog geen persoonlijkheidsonderzoek heeft plaats gehad. Volgens de gedragswetenschapper heeft [naam minderjarige] nog onvoldoende inzicht in zijn eigen problematiek en de gevolgen daarvan. De gedragswetenschapper stemt voor een afgebakende periode in met het verzoek van de GI. De gedragswetenschapper heeft echter niet aangegeven hoe lang die periode (ongeveer) zou moeten zijn.

Op grond van vorenstaande zal de kinderrechter de machtiging gesloten jeugdhulp verlenen, en wel voor een periode van drie maanden. De kinderrechter acht het namelijk van belang dat [naam minderjarige] binnen Harreveld zijn huidige opleiding afmaakt. Het verzoek zal voor het overige worden aangehouden, om de GI in de gelegenheid te stellen te reageren op de mening van [naam minderjarige] dat bepaalde (ernstige) verwijten aan zijn adres ten onrechte zijn. Daarnaast is van belang dat de gedragswetenschapper heeft aangegeven dat een gesloten machtiging zo kort als mogelijk dient te zijn en dat spoed dient te worden gezet achter het persoonlijkheids-onderzoek zodat er daadwerkelijk zicht komt op de onderliggende factoren van het gedrag van [naam minderjarige] en de mogelijkheden voor hulpverlening/begeleiding. Volgens de gedragswetenschaper is het aan [naam minderjarige] goed uit te leggen door te benadrukken dat het belangrijk is om samen met hem en zijn pleegmoeder te kunnen bezien waar de mogelijkheden voor hem liggen naar de toekomst toe.

De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk 18 mei 2018 een reactie te geven (onderbouwd met brondocumenten) op de voornoemde punten waarover [naam minderjarige] en de GI van mening verschillen. Ook wenst de kinderrechter te vernemen hoe ver het dan staat met het persoonlijkheidsonderzoek. Ter zitting heeft [naam minderjarige] (opnieuw) aangegeven zijn medewerking te willen verlenen aan het persoonlijkheidsonderzoek. De gedragswetenschapper vindt het ook belangrijk dat dit snel gebeurt. De kinderrechter verwacht van [naam minderjarige] dat hij zo veel als mogelijk zal meewerken met de onderzoeker en zijn best zal doen om zijn verhaal te vertellen

Mr. Moghni wordt vervolgens in de gelegenheid gesteld voor 1 juni 2018 namens [naam minderjarige] op het verslag van de GI (en eventueel Harreveld) te reageren.

De beslissing

De kinderrechter:

verleent een machtiging gesloten jeugdhulp met ingang van 1 mei 2018 tot 1 augustus 2018 betreffende [naam minderjarige] ;

en alvorens verder te beslissen:

houdt het verzoek voor het overige aan en bepaalt dat het verhoor van [naam minderjarige] , mr. R. Moghni, de belanghebbende en de GI in deze zaak zal plaatsvinden op 17 juli 2018 te 11:30 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125;

de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van [naam minderjarige] ,

mr. R. Moghni, de belanghebbende en de GI;

verzoekt de GI uiterlijk 18 mei 2018 de kinderrechter (en de belanghebbenden) de verzochte rapportage te doen toekomen;

verzoekt mr. R. Moghni uiterlijk 1 juni 2018 de kinderrechter (en de belanghebbenden) de verzochte reactie te doen toekomen;

verzoekt de GI, in geval van handhaving van het verzoek, uiterlijk een dag voor voornoemde zitting een recente verklaring gedragswetenschapper te overleggen, onder gelijktijdige toezending aan de belanghebbenden.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. V. de Roo als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.