Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6777

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
16-08-2018
Zaaknummer
C/10/539152 / JE RK 17-3713, C/10/540297 / JE RK 17-3940, C/10/541273 / JE RK 17-4118 en C/10/542425 / JE RK 18-73
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Schriftelijke aanwijzing omgang en verzoek vaststelling omgang. De moeder heeft belang bij de beoordeling van haar verzoeken, ook al is de periode waarop de aanwijzing betrekking heeft verstreken en is haar gezag recent beëindigd. De kinderrechter acht aanwijzing dat er geen lichamelijk contact mag zijn tussen moeder en kinderen onvoldoende onderbouwd. Meest recente verzoek van moeder tot vaststellen omgang wordt, in het belang van de kinderen, aangemerkt als verzoek ex artikel 1:377a BW, passend bij de nieuwe gezagssituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/539152 / JE RK 17-3713, C/10/540297 / JE RK 17-3940,

C/10/541273 / JE RK 17-4118 en C/10/542425 / JE RK 18-73

datum uitspraak: 22 februari 2018

beschikking vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en

vaststelling omgangsregeling

in de zaken van

[naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2016 te [geboorteplaats minderjarige 1] ,

hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2017 te [geboorteplaats minderjarige 2] ,

hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting

Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de moeder van 14 november 2017, geregistreerd onder zaaknummer C/10/539152 / JE RK 17-3713, ingekomen bij de griffie op 14 november 2017;

- het verzoek met bijlagen van de moeder van 30 november 2017, geregistreerd onder

zaaknummer C/10/540297 / JE RK 17-3940, ingekomen bij de griffie op 30 november

2017;

- de twee verweerschriften van de GI van 12 december 2017, ingekomen bij de griffie op

14 en 15 december 2017, tevens bevattende zelfstandige verzoeken;

- het verzoek met bijlagen van de moeder van 15 december 2017, geregistreerd onder

zaaknummer C/10/541273 / JE RK 17-4118, ingekomen bij de griffie op 15 december

2017;

- de beschikking van de kinderrechter van 19 december 2017 en de daaraan ten grondslag

liggende stukken;

- het verzoek met bijlagen van de moeder van 5 januari 2018, geregistreerd onder

zaaknummer C/10/542425 / JE RK 18-73, ingekomen bij de griffie op 5 januari 2018;

- een faxbericht met bijlage van de advocaat van 8 februari 2018.

Op 8 februari 2018 heeft de kinderrechter de zaken ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. C.C. Sneper,

- vertegenwoordigsters van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster 1] en mw. [naam vertegenwoordigster 2] .

De feiten

Bij beschikking van 19 december 2017 heeft de kinderrechter beslissing op de verzoeken geregistreerd onder de zaaknummers C/10/539152 / JE RK 17-3713 en C/10/540297 / JE RK 17-3940 aangehouden tot de zitting van 8 februari 2018.


Bij beschikking van 5 februari 2018 is het gezag van de moeder over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] beëindigd en is de GI benoemd tot voogdes van de kinderen.

Zaaknummer C/10/539152 / JE RK 17-3713:

De GI heeft op 6 november 2017 een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin de volgende omgangsregeling is vastgesteld:

“ [naam minderjarige 2]

20-11-2017 09.30-10.30 begeleiding door FJP [naam FJP 1] .

18-12-2017 09.30-10.30 begeleiding door WSJJ [naam WSJJ]

15-1-2017 09.30-10.30 begeleiding door WSJJ [naam WSJJ]

[naam minderjarige 1]

06-11-2017 09.30-10.30 begeleiding door FJP [naam FJP 2]

4-12-2017 09.30-10.30 begeleiding door WSJJ [naam WSJJ]

8-1-2017 09.30-10.30 begeleiding door WSJJ [naam WSJJ] ”

Zaaknummer C/10/540297 / JE RK 17-3940:

De GI heeft op 17 november 2017 een schriftelijke aanwijzing betreffende [voornaam minderjarige 1] gegeven inhoudende:

“De William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering stelt de volgende omgangsregeling vast. De omgangsregeling tussen u en uw zoon wordt tijdelijk stopgezet. U kunt contact opnemen met de jeugdzorgwerker om een gesprek te plannen. In dit gesprek zal de jeugdzorgwerker nogmaals met u de afspraken van de bezoeken bespreken. En wil zij met u het contact het [voornaam minderjarige 1] gedurende een bezoek bespreken.”

Zaaknummer C/10/541273 / JE RK 17-4118:

De GI heeft op 4 december 2017 een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin de volgende omgangsregeling wordt vastgesteld:

“De omgangsregeling tussen u en uw dochter wordt tijdelijk stopgezet. U kunt contact opnemen met de jeugdzorgwerker om een gesprek te plannen. In dit gesprek zal jeugdzorgwerker nogmaals met u de afspraken van de bezoeken bespreken. En wil zij met u het contact met [voornaam minderjarige 2] gedurende een bezoek bespreken.”

Zaaknummer C/10/542425 / JE RK 18-73:

De GI heeft op 27 december 2017 een e-mailbericht verstuurd aan de moeder waarin de volgende eisen zijn gesteld voor een bezoek met [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] :

  • -

    “U bent op tijd bij de bezoeken van de kinderen

  • -

    U bent aanwezig bij de bezoeken van de kinderen

  • -

    Bij afwezigheid laat u dit weten aan de jeugdzorgwerker

  • -

    Op uw verzoek neemt u uw begeleiding mee naar de bezoeken van de kinderen

  • -

    U volgt instructies van pleegmoeder & WSS/FJP op gedurende de begeleide bezoeken. Dit vinden wij in het belang van de kinderen

  • -

    Gedurende het bezoek krijgt u de eerste en de laatste vijf minuten de gelegenheid om foto’s te maken

  • -

    Er is geen lichamelijk contact tussen moeder en de kinderen

Moeder geeft aan niet akkoord te gaan met de eis dat zij adviezen op moet volgen van pleegouders/Flexus/WSG. Tevens geeft moeder aan dat zij lichamelijk contact wil met de kinderen. Ik heb haar uitgelegd dat de kinderen heel erg heftig reageren voor & na een bezoek met moeder. Door geen lichamelijk contact te hebben hoopt de WSG dat er minder angst & verstoord gedrag is voor en na een bezoek bij de kinderen en willen wij vanuit daar verder kijken naar de mogelijkheden.”

De verzoeken namens de moeder

Zaaknummer C/10/539152 / JE RK 17-3713:

De moeder heeft op 14 november 2017 verzocht de schriftelijke aanwijzing van de GI van

6 november 2017 vervallen te verklaren en zelfstandig, op basis van artikel 1:265f lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), een omgang vast te stellen inhoudende een omgangsregeling van:

[voornaam minderjarige 2]

November: een keer per week gedurende een uur

December: twee keer per week gedurende een uur

Januari: twee keer per week gedurende twee uur

[voornaam minderjarige 1]

November: een keer per twee weken gedurende een uur

December: een keer per twee weken gedurende vier uur

Januari: een keer per week gedurende twee uur,

dan wel een beslissing te nemen zoals de rechtbank in goede justitie en in het belang van de minderjarigen juist acht.

Zaaknummer C/10/540297 / JE RK 17-3940:

De moeder heeft op 30 november 2017 verzocht de schriftelijke aanwijzing van de GI van

17 november 2017 vervallen te verklaren en zelfstandig, op basis van artikel 1:265f lid 2 BW, een omgang vast te stellen tussen haar en [voornaam minderjarige 1] inhoudende een omgangsregeling van:

December: een keer per twee weken gedurende een uur

Januari: een keer per twee weken gedurende vier uur

Februari: een keer per week gedurende twee uur,

dan wel een beslissing te nemen zoals de rechtbank in goede justitie en in het belang van de minderjarige juist acht.

Zaaknummer C/10/541273 / JE RK 17-4118:

De moeder heeft op 15 december 2017 verzocht de schriftelijke aanwijzing van de GI van

4 december 2017 vervallen te verklaren en zelfstandig, op basis van artikel 1:265f lid 2 BW, een omgang vast te stellen, inhoudende een omgangregeling van:

Maand 1 na de beschikking:

Een keer in de week een omgang van een uur, in de middag gepland en bij pleegouders thuis dan wel een neutrale locatie die voor moeder dichterbij is dan Flexus Jeugdplein; waarbij pleegmoeder het laatste halfuur niet aanwezig is bij de omgang;

Maand 2 na de beschikking:

Twee keer per week een omgang van een uur, in de middag gepland en bij pleegouders thuis; dan wel een neutrale locatie die voor moeder dichterbij is dan Flexus waarbij pleegmoeder het laatste half uur niet aanwezig is bij de omgang;

Maand 3 na de beschikking:

Een evaluatie met de GI, de begeleiding van moeder en moeder over de voortgang van de omgang en dat er bij een positieve uitkomst een uitbreiding van de omgang komt,

dan wel een beslissing te nemen zoals de rechtbank in goede justitie en in het belang van de minderjarige juist acht.

Zaaknummer C/10/542425 / JE RK 18-73:

De moeder heeft op 5 januari 2018 verzocht het besluit van de GI van 27 december 2017 vervallen te verklaren en te bepalen dat moeder niet gedwongen kan worden aan de voorwaarden in de aanwijzing te voldoen, en dat de voorwaarden ook niet als eis mogen gelden voor het hebben van omgang tussen de moeder en haar kinderen, dan wel een beslissing te nemen zoals de rechtbank in goede justitie en in het belang van de minderjarigen juist acht.

De verzoeken namens de GI

De GI heeft verzocht de schriftelijke aanwijzingen van 6 en 17 november 2017 te bekrachtigen.

De standpunten

De advocaat heeft ter zitting naar voren gebracht dat de moeder wenst dat alle verzoeken ten volle worden getoetst ondanks het feit dat op 5 februari 2018 het gezag van de moeder over de kinderen is beëindigd. Uit verschillende uitspraken blijkt dat de moeder nog steeds procesbelang heeft, namelijk de uitspraak van het Hof Arnhem/Leeuwarden van

20 november 2014 ECLI:GHARL:2014:8978, de uitspraak van de Hoge Raad van

14 oktober 2011 ECLI:NL:PHR:2011:BR5151, de uitspraak van de Hoge Raad van 20 april 2012 ECLI:NL:PHR:2012:BV6484. Ook wijst de advocaat op een uitspraak van het Hof Den Haag van 5 oktober 2016 (zaaknummer 200.194.476/01). De laatstgenoemde uitspraak zal zij zo spoedig mogelijk nazenden. In voornoemde uitspraken wordt geoordeeld dat er nog immer sprake is van een procesbelang, ondanks het feit dat er inmiddels een voogdij-maatregel is uitgesproken. Het belang van het kind is daarin leidend en doorslaggevend.

De advocaat verwijst naar de inhoud van de verzoekschriften. In aanvulling daarop is zij van mening dat het e-mailbericht van de GI aan de moeder van 27 december 2017 moet worden gezien als een schriftelijke aanwijzing nu daarin een rechtsgevolg is opgenomen. Het e-mailbericht heeft een vergaand gevolg voor de moeder, namelijk dat zij haar kinderen niet mag aanraken. De moeder heeft eerdere bezoeken afgezegd of zij kwam te laat, omdat de moeder moeite heeft met opstaan. Inmiddels zijn de tijden van de bezoeken aangepast en dat heeft effect; de moeder is op de laatste twee bezoeken (op tijd) verschenen. De GI moet aangeven wat de overweging is geweest met betrekking tot het besluit dat de moeder geen lichamelijk contact met de kinderen mag hebben. Lichamelijk contact tussen een moeder en haar kinderen is namelijk erg belangrijk, vooral voor een baby. Er is niet gebleken dat het heftige gedrag van de kinderen voortkomt uit het lichamelijke contact met hun moeder.

Het niet hebben van lichamelijk contact kan zelfs averechts werken bij de kinderen. De kans bestaat tevens dat [voornaam minderjarige 1] het niet hebben van lichamelijk contact met de moeder op zichzelf zal betrekken. De moeder vindt de begeleide bezoeken erg lastig, zeker nu zij haar kinderen niet mag aanraken. Ondanks de gezagsbeëindiging is het van belang dat er frequent contact tussen de moeder en de kinderen plaatsvindt. Graag zou de moeder zien dat haar moeder (oma moederszijde) bij de bezoeken aanwezig mag zijn, zodat de oma een band kan opbouwen met haar kleinkinderen. De advocaat heeft bepleit de beslissing op de verzoeken aan te houden, zodat diagnostisch onderzoek kan plaatsvinden.

De GI heeft ter zitting pleitaantekeningen overgelegd en verwezen naar de inhoud van de verweerschriften. Nu de gezagsbeëindiging zeer recent is uitgesproken heeft de GI het besluit genomen naar een andere frequentie van de bezoeken te gaan, namelijk één keer in de drie maanden, omdat de kinderen zeer heftig gedrag laten zien. De GI is zich ervan bewust dat dit zeer ingrijpend is voor de moeder, maar het belang van de kinderen staat daarbij voorop. De bezoeken worden geregeld geëvalueerd. Indien blijkt dat de bezoeken goed verlopen kan de frequentie worden verhoogd. De jeugdzorgwerker bespreekt onderhavige zaak structureel met de gedragswetenschapper. De gedragswetenschapper heeft dan ook aangegeven dat als nieuwe voorwaarde voor de bezoeken de voorwaarde moest worden toegevoegd dat er geen sprake mag zijn van lichamelijk contact tussen de moeder en de kinderen. De GI ziet het

e-mailbericht van 27 december 2017 ook als schriftelijke aanwijzing. De vooraankondiging daarvan was in het gesprek met de moeder na de zitting van 19 december 2017.

De beoordeling

In het kader van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing kan de GI de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en een minderjarige beperken voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing. Een beperking van het contact is een inbreuk in het family life en mag niet verder gaan dan in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Hoe ver de beperking kan gaan is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Een beslissing van de GI over de omgang geldt als een schriftelijke aanwijzing.

Een schriftelijke aanwijzing moet worden beschouwd als een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In dat kader moet de kinderrechter beoordelen of het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen, of de relevante belangen kenbaar zijn afgewogen en of het besluit deugdelijk is gemotiveerd. Een aanwijzing behoort pas dan te worden gegeven als door middel van overleg en overreding de gewenste medewerking van ouder en/of minderjarige niet wordt verkregen. Bij de beoordeling worden de nieuwe ontwikkelingen en feiten betrokken.

De kinderrechter is van oordeel dat de moeder belang heeft bij de beoordeling van haar verzoeken, ook al is de periode waarop de aanwijzing van 6 november 2017 betrekking heeft verstreken en is haar gezag over de kinderen recent, uitvoerbaar bij voorraad, beëindigd. Aan de moeder mag haar procesbelang niet worden ontzegd, omdat het hier een beperking van de omgang betreft, zijnde een inbreuk op het door artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven. Van belang daarbij is dat beslissingen over de frequentie en (tijdelijke) stopzetting van de omgang mogelijk gevolgen zullen hebben voor de beslissingen over de omgang in de toekomst, ook voor de periode na de gezagsbeëindiging. De gang van zaken tijdens en de belangen-afweging bij de vaststelling van de onderhavige aanwijzingen kan daarom relevant zijn voor de handelwijze van de GI bij het vaststellen van de omgangsregeling in de toekomst. Daarbij komt nog dat de moeder heeft aangegeven dat zij in beroep zal gaan tegen de beslissing tot gezagsbeëindiging.

Op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de zittingen van 19 december 2017 en

8 februari 2018 blijkt dat de moeder zich al lange tijd niet of moeizaam aan gemaakte afspraken kan houden. Ook is het voor haar moeilijk het belang van de kinderen voorop te stellen. Zij heeft een licht verstandelijke beperking en een belast verleden. Zij lijkt onvoldoende leerbaar en lijkt onvoldoende inzicht te hebben in wat de kinderen nodig hebben. Meermalen is de moeder afwezig of (veel) te laat geweest tijdens een omgangs-afspraak. Voor de kinderen is dit zeer belastend, omdat verwachtingen die bij hen zijn gewekt niet worden vervuld. Kinderen hebben behoefte aan structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid, aan welke behoefte op deze wijze niet wordt tegemoet gekomen. Deze behoefte geldt des te meer voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] omdat zij nog heel jong zijn, veel hebben meegemaakt en beiden kampen met forse kindeigen problematiek. Ondanks overleggen hierover met de GI is het moeder niet gelukt de omgangsafspraken adequaat na te komen. Ook het betrekken van de begeleiding van de moeder heeft niet het gewenste effect gehad.

Daarbij speelt dat de keren dat de omgang wel is doorgegaan de kinderen hierop zeer heftig hebben gereageerd volgens de GI, de pleegouders en de pleegzorgbegeleiding, mogelijk ook vanwege de kindeigen problematiek. [voornaam minderjarige 2] is vanaf de geboorte een zeer kwetsbaar kind en [voornaam minderjarige 1] laat veel weerstand zien tegen de omgang. De moeder kan hier moeilijk begrip voor opbrengen en legt de oorzaken geheel buiten zichzelf.

De inhoud van de brief van Flexus Jeugdplein (afdeling pleegzorg) van 21 november 2017 en de overgelegde tijdlijnen bevestigen enerzijds de grote kwetsbaarheid van de kinderen en anderzijds de beperkingen van de moeder.

De samenwerking tussen de GI en de moeder verloopt moeizaam, wat zijn weerslag heeft op het tot stand komen van voor de kinderen acceptabele omgangsafspraken.

Uit de gesprekken die de GI met de moeder heeft gehad, uit de brieven die de GI aan haar heeft geschreven en uit de stukken die de GI aan de rechtbank heeft doen toekomen, volgt dat de GI zorgvuldig te werk is gegaan, de moeder regelmatig en tijdig heeft geïnformeerd en is blijven proberen de omgang weer op regelmatige wijze tot stand te laten komen. Daarbij heeft de GI voortdurend advies ingewonnen bij de gedragswetenschapper, Flexus Jeugdplein (afdeling pleegzorg) en het Centrum Jeugd en Gezin. Ook is getracht de beschermende factoren rond de bezoeken te vergroten en de risicofactoren te minimaliseren. Daarnaast heeft de GI de moeder regelmatig foto’s en informatie gestuurd, opdat zij betrokken blijft bij het leven van de kinderen.

Op grond van het voorgaande komt de kinderrechter tot de conclusie dat de door de GI vastgestelde omgang, zoals vastgelegd in de schriftelijke aanwijzing van 6 november 2017 zorgvuldig tot stand gekomen is. Ook heeft de GI, gezien de situatie op dat moment, kunnen komen tot de beslissingen van 17 november en 4 december 2017 om de omgang met de kinderen tijdelijk stop te zetten. De GI heeft de relevante belangen kenbaar afgewogen en de besluiten uitgebreid en deugdelijk gemotiveerd. Dat de stopzetting van de omgang tijdelijk was, blijkt ook uit het feit dat de omgang inmiddels is hervat.

Op grond van bovenstaande zal de kinderrechter de verzoeken van de moeder tot vervallen verklaring van de aanwijzingen van 6 en 17 november en 4 december 2017 afwijzen. De verzoeken tot vaststelling van een omgangsregeling op basis van artikel 1:265f lid 2 BW, gedaan bij de verzoeken van 14 en 30 november 2017 zal de kinderrechter eveneens afwijzen, omdat de situatie waarop dit wetsartikel betrekking heeft niet langer aan de orde is vanwege de gezagsbeëindiging.

De kinderrechter verklaart de schriftelijke aanwijzing van 27 december 2017 op grond van vorenstaande gedeeltelijk vervallen, te weten voor zover daarbij is bepaald dat er geen lichamelijk contact tussen de moeder en de kinderen zal zijn. De kinderrechter acht dit deel van de aanwijzing, dat diep ingrijpt in het family life van moeder en kinderen, onvoldoende onderbouwd met bijvoorbeeld een deskundigenadvies van een gedragswetenschapper. Voor het overige zal deze aanwijzing in stand worden gelaten omdat de gestelde voorwaarden slechts een herhaling betreffen van eerder opgelegde voorwaarden die gezien de situatie passend zijn.

De kinderrechter zal de verzoeken van de GI tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzingen van 6 en 17 november 2017 afwijzen, omdat de GI hierbij geen belang heeft omdat het gezag van de moeder over de kinderen, uitvoerbaar bij voorraad, inmiddels beëindigd is.

Het meest recente verzoek van de moeder tot het vaststellen van een omgangsregeling met de kinderen, gedaan bij verzoek van 15 december 2017, zal de kinderrechter aanhouden en, in het belang van de kinderen, aanmerken als een verzoek op basis van artikel 1:377a BW, passend bij de huidige gezagssituatie. De moeder is weliswaar niet meer belast met het gezag over de kinderen, doch dit brengt geen wijziging in het recht op en het belang bij omgang dat de moeder en de kinderen hebben. Dit dient echter wel plaats te vinden op een voor de kinderen verantwoorde wijze, waarbij de GI als voogdes in beginsel de zeggenschap heeft over de invulling van de omgang. Nu de gezagsbeëindiging nog zeer pril is, zal de kinderrechter de GI in de gelegenheid stellen zich te beraden op de voor de kinderen meest passende omgang, rekening houdend met het recht op family life, en hierover aan de kinderrechter te rapporteren.

De beslissing


De kinderrechter:

in zaaknummers: C/10/539152 / JE RK 17-3713 en C/10/540297 / JE RK 17-394:

wijst de verzoeken van de moeder en de GI af;

in zaaknummer: C/10/541273 / JE RK 17-4118:

wijst het verzoek tot vervallen verklaring van de aanwijzing van 4 december 2017 af en houdt het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling, thans op basis van artikel 1:377a BW, tussen de moeder en de kinderen aan;

in zaaknummer: C/10/542425 / JE RK 18-73:

verklaart de schriftelijke aanwijzing van 27 december 2017 gedeeltelijk vervallen, te weten voor zover daarbij is bepaald dat er geen lichamelijk contact tussen de moeder en de kinderen zal zijn.

Bepaalt dat het verhoor van de GI en de belanghebbenden in de zaak met nummer C/10/541273 / JE RK 17-4118 zal plaatsvinden op 20 april 2018 te 16.00 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125.

De zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter.

Bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI en de belanghebbenden.

Verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde datum de kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van M.L.G. van Mourik als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.