Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6774

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
16-08-2018
Zaaknummer
10/742177-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling artikel 6 Weg- en Verkeerswet 1994. De verdachte heeft als bestuurder van een vrachtwagen combinatie aanmerkelijk onvoorzichtig gereden door een rood licht te negeren en een van rechts komende snorfiets geen voorrang te verlenen. De snorfiets en de vrachtwagen zijn met elkaar in botsing geraakt en de bestuurder van de snorfiets is aan de door deze aanrijding ontstane verwondingen overleden.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat zijn rijgedrag onherstelbaar leed heeft toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer, maar betrekt anderzijds ook hierbij dat de verdachte duidelijk heeft gemaakt zijn verantwoordelijkheid voor het ongeval te nemen en daarvoor niet weg te lopen.

Taakstraf van 240 uren. Daarnaast ontzegt de rechtbank de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor 12 maanden, geheel voorwaardelijk gezien het tijdsverloop, de proceshouding van de verdachte en de consequenties die een onvoorwaardelijke ontzegging voor de verdachte en anderen die afhankelijk zijn van zijn onderneming zouden hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/742177-17

Datum uitspraak: 14 augustus 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw M.M.R. Slaghekke, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 31 juli 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 240 uren alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De verdachte heeft een aanmerkelijke schuld aan het ongeval gehad, omdat hij voor de situatie te snel heeft gereden, door een rood verkeerslicht is gereden en hij het slachtoffer geen voorrang heeft gegeven toen deze voor hem van rechts kwam. Van een beroepschauffeur mag meer oplettendheid worden verwacht.

4.1.2.

Standpunt verdediging

Mocht worden vastgesteld dat de verdachte door rood is gereden, dan nog kan door het enkele passeren van een rood verkeerslicht, gelet op het geheel van de gedragingen, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de verdachte geen aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid worden verweten. Hij moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde omdat sprake is geweest van een noodlottig ongeval door een enkel moment van onoplettendheid.

4.1.3.

Beoordeling

De vraag die de rechtbank ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit dient te beantwoorden, is of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (WVW) 1994. Daarvan kan pas worden gesproken als de verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Bij deze beoordeling komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van de even bedoelde bepaling. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Ook kan niet uit enkel de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag worden afgeleid dat er sprake is van aanmerkelijke schuld en is het vaststellen van een moment van onoplettendheid onvoldoende.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op het moment dat de verdachte als bestuurder van een vrachtwagencombinatie rijdend op de Petroleumweg, rechtsaf de Vondelingenweg op wilde rijden, het voor hem uitstralende verkeerslicht rood was. De rechtbank baseert deze vaststelling voornamelijk op de resultaten van de verkeersongevallenanalyse die is uitgevoerd door de Dienst Regionale Recherche, Team Forensische Opsporing. Uit die analyse blijkt dat dit verkeerslicht oranje uitstraalde toen de verdachte met zijn vrachtwagen op 50 meter voor de stopstreep een detectielus in het wegdek activeerde. Toen hij op 2 meter voor de stopstreep wederom een detectielus activeerde stond het verkeerslicht sinds 1,7 seconden op rood. Op het moment dat de verdachte de t‑splitsing op reed en naar rechts afsloeg, reed het slachtoffer [naam slachtoffer] , voor de verdachte van rechts komend, met zijn snorfiets het kruispunt op. De verdachte heeft het slachtoffer niet opgemerkt, waardoor zijn voertuig en de snorfiets met daarop het slachtoffer met elkaar in botsing zijn gekomen. Het slachtoffer is overleden aan de verwondingen die hij door dit ongeluk heeft opgelopen.

De verdachte heeft verklaard dat zijn zicht op het kruispunt van de Petroleumweg met de Vondelingenweg werd belemmerd door bebouwing. Van hem als beroepsbestuurder die vaker op het bewuste kruispunt had gereden, mag verwacht worden dat hij met deze kennis en ervaring het kruispunt extra voorzichtig benadert, temeer daar hij met een zware combinatie reed. De verdachte heeft verklaard om zich heen te hebben gekeken voor hij het kruispunt op reed, maar heeft én een verkeerslicht dat van oranje op rood ging voor hij de stopstreep bereikt had én een van rechts komende bestuurder niet gezien. De rechtbank is van oordeel dat dit meer dan een door de verdediging gesteld moment van onoplettendheid was.

Gelet op het voorgaande zijn de ernst van de gedragingen van de verdachte en de overige omstandigheden van het geval zodanig, dat op basis daarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. De verdachte kan worden verweten dat hij een kruising op is gereden terwijl hij het voor hem rood uitstralende verkeerslicht heeft genegeerd en hij daarbij een van rechts komende snorfietser geen voorrang heeft verleend, waardoor hij een dodelijk verkeersongeval heeft veroorzaakt.

4.1.4.

Conclusie

Het primair tenlastegelegde kan worden bewezen, in die zin dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag heeft vertoond

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 08 juni 2017 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk

als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen met aanhanger), zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Petroleumweg,

welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

-hij, verdachte, reed met een voertuigcombinatie van ongeveer 18 meter lengte

met een gewicht van ongeveer 20.000 kg en

-vanuit de rijrichting van verdachte het zicht naar rechts op de kruising van

die Vondelingenweg met de Petroleumweg werd belemmerd door bebouwing en

-hij, verdachte, op even genoemde kruising brom-/fietsverkeer van links en

rechts kon verwachten en

-op die kruising verkeerslichten in werking waren,

-in strijd met een voor hem bestemd verkeerslicht, dat eerst ongeveer 3

seconden oranje licht uitstraalde en daarna inmiddels 1,7 seconden rood licht

uitstraalde, die kruising is opgereden en rechtsaf is gaan slaan en

-niet heeft opgemerkt dat een bromfietser, die voor hem, verdachte, van rechts

kwam, inmiddels doende was de kruising via het aldaar gelegen brom-/fietspad

over te steken en

-die bromfietser niet heeft laten voorgaan en

-(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die bromfietser,

waardoor de bromfietser, genaamd [naam slachtoffer] , werd gedood;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft als bestuurder van een vrachtwagen combinatie aanmerkelijk onvoorzichtig gereden door een rood licht te negeren en een van rechts komende snorfiets geen voorrang te verlenen. De gevolgen van zijn rijgedrag zijn ernstig, [naam slachtoffer] is als bestuurder van deze snorfiets aan zijn verwondingen overleden.

Door het rijgedrag van de verdachte is onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van [naam slachtoffer] . De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf recht zal doen aan het gemis dat de nabestaanden van het slachtoffer hun leven lang zullen ervaren. De rechtbank rekent dit de verdachte aan. Anderzijds betrekt de rechtbank hierbij dat de verdachte duidelijk heeft gemaakt zijn verantwoordelijkheid voor het ongeval te nemen en daarvoor niet wegloopt, dat de verdachte contact met de nabestaanden heeft opgenomen en in dit contact naar eer en weten heeft gehandeld.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 juni 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

In de oriëntatiepunten voor straftoemeting geldt als uitgangspunt bij overtreding van artikel 6 van de WVW, indien sprake is van een overlijden van het slachtoffer, een taakstraf van 240 uren. Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank een taakstraf van deze duur opleggen.

Aan de verdachte wordt tevens de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van één jaar. De rechtbank ziet aanleiding om de voorgenomen ontzegging geheel voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd van twee jaar. Daarbij betrekt de rechtbank hetgeen hierboven is overwogen, het tijdsverloop en de consequenties die een onvoorwaardelijke ontzegging voor de verdachte en anderen die afhankelijk zijn van zijn onderneming zouden hebben. Deze voorwaardelijke straf dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en hem ervan te doordringen op de weg nog meer voorzichtigheid te betrachten.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde 1] ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 468,37 aan materiële schade.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde 2] ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 925,00 aan materiële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De vorderingen van beide benadeelde partijen zijn voor toewijzing vatbaar.

8.2.

Standpunt verdediging

De vorderingen van beide benadeelde partijen zijn door de verdediging niet betwist.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding door de verdediging niet is betwist, zullen de vorderingen worden toegewezen.

De benadeelde partijen hebben gevorderd de te vergoeden bedragen te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat de te vergoeden schadebedragen vermeerderd worden met wettelijke rente vanaf 8 juni 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partijen zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt tot op heden begroot op nihil.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van

€ 468,37, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van

€ 925,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 (twee) jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 468,37 (zegge: vierhonderdachtenzestig euro en zevenendertig eurocent), bestaande uit € 468,37 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 925,00 (zegge: negenhonderdvijfentwintig euro), bestaande uit € 925,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 468,37 (hoofdsom, zegge: vierhonderdachtenzestig euro en zevenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 468,37 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 9 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 925,00 (hoofdsom, zegge: negenhonderdvijfentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 925,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 18 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

en mrs. A.A.T. Werner en D.Y.A. van Meersbergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.R. Moraal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 08 juni 2017 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk

als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen met aanhanger), zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke

verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg(en), de Vondelingenweg en/of de Petroleumweg,

welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

-hij, verdachte, reed met een voertuigcombinatie van ongeveer 18 meter lengte

met een gewicht van ongeveer 20.000 kg en/of

-vanuit de rijrichting van verdachte het zicht naar rechts op de kruising van

die Vondelingenweg met de Petroleumweg werd belemmerd door bebouwing en/of

-hij, verdachte, op evengenoemde kruising brom-/fietsverkeer van links en

rechts kon verwachten en/of

-op die kruising verkeerslichten in werking waren,

-met een gelet op bovengenoemde omstandigheden (veel) te hoge snelheid,

gelegen tussen ongeveer 40 en 50 km/uur, evengenoemde kruising is genaderd

en/of

-in strijd met een voor hem bestemd verkeerslicht, dat eerst ongeveer 3

seconden oranje licht uitstraalde en daarna inmiddels 1,7 seconden rood licht

uitstraalde, die kruising is opgereden en/of rechtsaf is gaan slaan (naar de

Petroleumweg) en/of

-(aldus rijdende) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn

voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte,

de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

-niet heeft opgemerkt dat een bromfietser, die voor hem, verdachte, van rechts

kwam, inmiddels doende was de kruising via het aldaar gelegen brom-/fietspad

over te steken en/of

-die bromfietser niet heeft laten voorgaan en/of

-(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die bromfietser,

waardoor de bromfietser, genaamd [naam slachtoffer] , werd gedood;

Subsidiair

hij op of omstreeks 08 juni 2017 te Rotterdam als bestuurder van een

motorrijtuig (vrachtwagen met aanhanger), daarmee rijdende op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg(en), de Vondelingenweg en/of de Petroleumweg,

zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg(en) werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg(en) werd

gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

-hij, verdachte, reed met een voertuigcombinatie van ongeveer 18 meter lengte

met een gewicht van ongeveer 20.000 kg en/of

-vanuit de rijrichting van verdachte het zicht naar rechts op de kruising van

die Vondelingenweg met de Petroleumweg werd belemmerd door bebouwing en/of

-hij, verdachte, op even genoemde kruising brom-/fietsverkeer van links en

rechts kon verwachten en/of

-op die kruising verkeerslichten in werking waren,

-met een gelet op bovengenoemde omstandigheden (veel) te hoge snelheid,

gelegen tussen ongeveer 40 en 50 km/uur, even genoemde kruising is genaderd

en/of -in strijd met een voor hem bestemd verkeerslicht, dat eerst ongeveer 3

seconden oranje licht uitstraalde en daarna inmiddels 1,7 seconden rood licht

uitstraalde, die kruising is opgereden en/of rechtsaf is gaan slaan (naar de

Petroleumweg) en/of

-(aldus rijdende) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn

voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte,

de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

-niet heeft opgemerkt dat een bromfietser, die voor hem, verdachte, van rechts

kwam, inmiddels doende was de kruising via het aldaar gelegen brom-/fietspad

over te steken en/of

-die bromfietser niet heeft laten voorgaan en/of

-(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die bromfietser.