Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6711

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
15-08-2018
Zaaknummer
551348 / HA RK 18-565
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. De rechter heeft, alvorens het door mr. Mensink voor de tweede maal gevraagde uitstel te verlenen, niet aan de andere partijen gevraagd wat de reden was om niet in te stemmen met het uitstel. Hoewel het wellicht in de rede had gelegen om dit wel te doen, maakt dit de beslissing niet zozeer onbegrijpelijk dat daaraan een aanwijzing voor partijdigheid kan worden ontleend. De wrakingskamer neemt daarbij in aanmerking dat de rechter in zijn schriftelijke reactie heeft gemotiveerd waarom hij het uitstelverzoek van mr. Mensink alsnog heeft gehonoreerd. Dat verzoeker het niet met die motivering eens is en dat deze achteraf door de rechter gegeven toelichting bij verzoeker ook nog vragen oproept, is vervelend voor verzoeker. Het is echter niet de taak van de wrakingskamer om de beslissing van de rechter of hij al dan niet uitstel mocht verlenen inhoudelijk te toetsen, terwijl de gegeven motivering niet zonder meer onbegrijpelijk is en zeker niet zozeer onbegrijpelijk dat deze moet zijn ingegeven door vooringenomenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 551348 / HA RK 18-565

Beslissing van 12 juli 2018

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat: mr. S. van Buuren,

strekkende tot wraking van:

mr. W.J. van den Bergh, rechter in de rechtbank Rotterdam, team handel en haven (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Bij exploot van 5 september 2016 heeft verzoeker [naam NV] N.V. (hierna: [naam NV] ) gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de Rechtbank Rotterdam van

14 september 2016. De procedure draagt het zaaknummer C/10/509997/HA ZA 16-912.

Bij vonnis van 18 januari 2017 van Rechtbank Zeeland-West-Brabant is de procedure tussen [naam BV] B.V.(hierna: [naam BV] ) en [naam NV] verwezen naar de rechtbank Rotterdam; deze zaak is gevoegd met de zaak tussen verzoeker en [naam NV] . De procedure tussen [naam BV] en [naam NV] heeft het zaaknummer C /10/519799/ HA ZA 17-120. In deze procedures heeft op 7 november 2017 ten overstaan van de rechter een comparitie van partijen plaatsgevonden. Nadat partijen in de zaak tussen [naam BV] en [naam NV] een conclusie hadden genomen, heeft de rechter partijen verzocht om verhinderdagen door te geven voor het bepalen van een voortzetting van de comparitie van partijen.

Op 5 februari 2018 heeft mr. K.C. Mensink, advocaat van [naam BV] , zijn verhinderdagen doorgegeven. De rechtbank heeft hierop 25 mei 2018 als zittingsdatum voor de voortzetting van de comparitie van partijen in beide zaken bepaald. Bij faxbericht van 20 februari 2018 heeft mr. Mensink verzocht om een nieuwe datum, omdat hij inmiddels op 25 mei 2018 verhinderd was. Bij brief van 1 maart 2018 heeft de rechtbank partijen laten weten dat de rechter heeft besloten de zitting niet te verzetten. Op 8 mei 2018 heeft mr. Mensink de rechtbank wegens klemmende redenen verzocht om de zitting van 25 mei 2018 alsnog te verplaatsen. Bij brief van 9 mei 2018 heeft de advocaat van [naam NV] , mr. S.M.J. Heeren, aan de rechter en de andere partijen bericht dat er in de procedure bij het gerechtshof Amsterdam tussen verzoeker en [naam BV] niets was gebeurd en dat deze op de parkeerrol stond of was geroyeerd. De rechter heeft het verzoek van mr. Mensink daarop gehonoreerd en partijen verzocht om opnieuw verhinderdagen door te geven.

Bij brief van 7 juni 2018 heeft de advocaat van verzoeker namens deze in diens zaak tegen [naam NV] een wrakingsverzoek tegen de rechter ingediend.

Aan de wrakingskamer is ter beschikking gesteld het dossier van de hiervoor omschreven procedures.

Verzoeker en zijn advocaat, [naam BV] , [naam NV] , alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

Op 11 juni 2018 is een schriftelijke reactie van de advocaat van [naam NV] ontvangen.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij emailbericht van 19 juni 2018.

Ter zitting van 28 juni 2018, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verzoeker en zijn advocaat verschenen. Verzoeker heeft zijn standpunt nader toegelicht. De rechter was daarbij niet aanwezig, zoals al aangekondigd in zijn schriftelijke reactie. Ook de overige opgeroepenen zijn niet verschenen.

2 Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

De rechtbank heeft een voortzetting van de comparitie bepaald op 25 mei 2018.

Mr. Mensink heeft vervolgens een faxbericht gestuurd en verzocht om een andere datum, omdat hij op 25 mei 2018 verhinderd was vanwege een bedrijfsuitje. De rechtbank heeft naar aanleiding van dit verzoek bij brief van 1 maart 2018 laten weten dat de comparitie doorgang vindt en dat er dus geen gehoor wordt gegeven aan het verzoek om een nieuwe datum. Vervolgens blijft het enkele maanden stil, totdat mr. Mensink de rechtbank bij fax van 8 mei 2018 opnieuw verzoekt om de geplande comparitie van partijen op 25 mei 2018 te verplaatsen. De rechter heeft het verzoek van mr. Mensink toen wel gehonoreerd en partijen verzocht om opnieuw verhinderdagen door te geven.

Er is sprake van subjectieve en objectieve partijdigheid van de rechter om op een eerdere beslissing terug te komen. Het had op de weg van de rechter gelegen om na te gaan wat de redenen van partijen waren om niet in te stemmen met het verzoek om uitstel van

mr. Mensink. Het stellen van deze vraag had wel in de rede gelegen. Dat geldt temeer omdat de comparitiedatum al meerdere malen was verplaatst, alsook dat het eerdere verzoek van mr. Mensink was afgewezen. Er wordt geen rekening gehouden met de belangen van verzoeker, die zo spoedig mogelijk een uitspraak in de procedure wenst. Door het handelen van de rechter zijn de waarborgen van goede rechtspleging niet in acht genomen.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Op de zitting van 25 mei 2018 was de voortzetting van de comparitie van 7 november 2017 gepland in twee gevoegde zaken. Beide zaken hebben als achtergrond een procedure tussen verzoeker als appellant en [naam BV] als geïntimeerde waarin [naam BV] door het gerechtshof Den Haag tot [het aan verzoeker betalen van] een schadevergoeding is veroordeeld. Verzoeker is in de procedure die heeft geleid tot het arrest van het gerechtshof Den Haag bijgestaan door [naam NV] op grond van een overeenkomst tot procesfinanciering. Dit arrest is vervolgens door de Hoge Raad vernietigd en de zaak is verwezen naar het gerechtshof te Amsterdam. De zaak is door het gerechtshof Amsterdam naar de parkeerrol verwezen.

De rechter heeft het eerste verzoek om uitstel van de zitting van 25 mei 2018 van

mr. Mensink, advocaat van [naam BV] , afgewezen. Het tweede verzoek is gehonoreerd.

Daaraan ligt de volgende afweging ten grondslag:

Voor de beslissing in beide zaken is van belang of en zo ja tot welk bedrag het gerechtshof in Amsterdam in de verwijzingsprocedure na cassatie verzoeker veroordeelt tot terugbetaling van enig bedrag aan [naam BV] . Deze verwijzingsprocedure is op de parkeerrol geplaatst. Op grond van het ter comparitie verhandelde ligt in de rede dat partijen de zaak bij het gerechtshof Amsterdam weer opbrengen, zodat op dit punt helderheid ontstaat.

Uit de brief van 9 mei 2018 van mr. Heeren blijkt dat verzoeker noch [naam BV] de zaak bij het gerechtshof weer hebben opgebracht. Tegen deze achtergrond bestond onvoldoende aanleiding het tweede uitstelverzoek van mr. Mensink af te wijzen.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een

rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien die beslissing op

het oog mogelijk onjuist is, en ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan

tegen die beslissing. Het is niet aan de wrakingskamer om de beslissing inhoudelijk te

toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of

onjuiste beslissingen.

3.3

Dat kan anders zijn indien een aangevochten beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat

daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door

vooringenomenheid is ingegeven.

3.4

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

De rechter heeft, alvorens het door mr. Mensink voor de tweede maal gevraagde uitstel te verlenen, niet aan de andere partijen gevraagd wat de reden was om niet in te stemmen met het uitstel. Hoewel het wellicht in de rede had gelegen om dit wel te doen, maakt dit de beslissing niet zozeer onbegrijpelijk dat daaraan een aanwijzing voor partijdigheid kan worden ontleend. De wrakingskamer neemt daarbij in aanmerking dat de rechter in zijn schriftelijke reactie heeft gemotiveerd waarom hij het uitstelverzoek van mr. Mensink alsnog heeft gehonoreerd. Dat verzoeker het niet met die motivering eens is en dat deze achteraf door de rechter gegeven toelichting bij verzoeker ook nog vragen oproept, is vervelend voor verzoeker. Het is echter niet de taak van de wrakingskamer om de beslissing van de rechter of hij al dan niet uitstel mocht verlenen inhoudelijk te toetsen, terwijl de gegeven motivering niet zonder meer onbegrijpelijk is en zeker niet zozeer onbegrijpelijk dat deze moet zijn ingegeven door vooringenomenheid. Het feit dat de rechter alsnog heeft besloten om het (tweede) uitstelverzoek van mr. Mensink te honoreren, kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat de rechter een vooringenomenheid jegens verzoeker koestert, althans dat de bij hem dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd kan zijn.

3.5

Gelet op het voorgaande kunnen de door verzoeker aangevoerde gronden niet tot gegrondverklaring van het verzoek leiden. De wrakingskamer zal het verzoek tot wraking dan ook afwijzen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. W.J. van den Bergh.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.N. van Zelm van Eldik, voorzitter, mr. W.P.M. Jurgens en mr. M.G.L. de Vette, rechters. Bij afwezigheid van de voorzitter en de oudste rechter is deze beslissing door mr. M.G.L. de Vette uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juli 2018 in tegenwoordigheid van mr. H.C.C. Kan, griffier en door hen ondertekend.

Verzonden op:

aan:

-

-

-

-