Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:669

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
01-02-2018
Zaaknummer
ROT 18/207
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Vereenvoudigde behandeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Derde verzoek. Radiofrequenties. Verzoek om handhaving. Geen spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 18/207

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 februari 2018 als bedoeld in artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting Commerciële Omroep Exploitatie Zuid-Holland, te Zevenhuizen, verzoekster,

gemachtigde: mr. A.J.H.W.M. Versteeg,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (Agentschap Telecom), verweerder,

gemachtigde: mr. E. Boxman.

Procesverloop

Bij brief van 25 oktober 2017 (de brief) heeft verweerder, naar aanleiding van een verzoek van verzoekster om handhavend op te treden tegen diverse vergunninghouders, die in totaal 23 radiofrequenties niet in gebruik zouden hebben, overwogen dat verzoekster geen rechtstreeks belang heeft bij haar verzoek, omdat zij niet langer beschikt over een FM-vergunning, dat het verzoek daarom wordt afgewezen en dat die afwijzing bij het ontbreken van een aanvraag geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij besluit van 22 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar dat verzoekster tegen de brief heeft gemaakt met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet binnen de geboden hersteltermijn een bezwaarschrift met een fysieke handtekening is overgelegd en evenmin een machtiging is overgelegd waaruit de naam blijkt van de ondertekenaar van het bezwaarschrift.

Tegen het bestreden besluit heeft verzoekster beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, omdat hij van oordeel is dat het verzoek kennelijk ongegrond is en het daarom afwijst. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster tijdens de bezwaarprocedure tweemaal een verzoek om voorlopige voorziening tegen de brief heeft gedaan. Die verzoeken zijn bij uitspraken van 30 november 2017 (ROT 17/6387) en 5 januari 2018 (ROT 17/7080) niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet (tijdig) voldoen van het verschuldigde griffierecht. Dat pas bij een derde verzoek het daarvoor verschuldigde griffierecht (tijdig) is voldaan, brengt in dit geval met zich mee dat er inmiddels een beslissing op bezwaar voorligt, zodat een eventuele schorsing van het bestreden besluit verzoekster nog niet dichter bij de inwilliging van haar oorspronkelijke verzoek tot handhaving brengt.

4. De voorzieningenrechter neemt verder in aanmerking dat, wanneer in de hoofdzaak geoordeeld zou moeten worden dat verweerder bij het bestreden besluit in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van artikel 6:6 van de Awb, verzoekster daar niet direct mee is geholpen. Er zal dan ook nog door verweerder moeten worden beoordeeld of de brief een voor bezwaar vatbaar besluit is. Dat laatste is het geval als verzoekster wel als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb moet worden aangemerkt, zodat haar verzoek om handhaving daarom als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb kan worden aangemerkt en de brief daarom een besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb is. In dat geval zal vervolgens de nodige tijd zijn gemoeid met een onderzoek door verweerder naar het niet (in)gebruik(nem)en van vergunde frequenties en het in dat verband eventueel nemen van een handhavingsbeslissing.

5. Verzoekster heeft gesteld dat haar spoedeisend belang erin is gelegen dat zij nu geen gebruik kan maken van FM-frequenties. Een eventueel handhavingsbesluit zal echter niet rechtstreeks tot gevolg hebben dat verzoekster (weer) over een of meer door haar gewenste FM-vergunningen zal komen te beschikken.

6. Gelet op deze hobbels, waaronder het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen wat verzoekster uiteindelijk beoogt en het verzoek om handhaving, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een spoedeisend belang ontbreekt.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.