Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6688

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
14-08-2018
Zaaknummer
10/691050-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het schieten op de knie van het slachtoffer door de verdachte levert een poging tot zware mishandeling op. Tevens heeft hij het slachtoffer bedreigd met het vuurwapen. Aan de verdachte wordt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd waarbij het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan het voorarrest. Het restant, 8 maanden, wordt voorwaardelijk opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/691050-16

Datum uitspraak: 1 augustus 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 juli 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

De verdachte heeft verklaard dat iemand anders een pistool trok terwijl hij de aangever sloeg. Hij, de verdachte, is daarop in een worsteling geraakt met de persoon die het pistool trok om te voorkomen dat hij zou worden geraakt. Tijdens die worsteling is er een kogel afgevuurd die het slachtoffer heeft geraakt. Als de rechtbank dat scenario volgt, ontbrak bij de verdachte het opzet om [naam slachtoffer] in zijn been te schieten. Evenmin heeft hij het pistool gehanteerd om daarmee te dreigen.

Aangevoerd is dat de lezing van de verdachte weliswaar niet wordt onderschreven door een getuigenverklaring, maar de lezing kan ook niet op voorhand worden uitgesloten. Uit de getuigenverklaringen is geen eenduidig beeld van de gebeurtenissen af te leiden; de getuigen verklaren verschillend over het aantal personen dat zich in de nabijheid van de vechtpartij bevond en over het signalement van de schutter. Daarom valt niet uit te sluiten dat iemand anders dan de verdachte de schutter is geweest, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

4.2.2.

Beoordeling

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat hij de confrontatie is aangegaan met de aangever. Uit het dossier blijkt dat die confrontatie plaatsvond in [adres delict] in Rotterdam. Bewoners van de omringende woningen hebben de confrontatie vanuit hun woning gehoord en gezien. Uit hun getuigenverklaringen blijkt dat de aangever door meerdere mannen is geslagen. Er is gezien dat één van die mannen vervolgens een pistool heeft getrokken en dat die man daarmee op de aangever heeft geschoten.

Geen van de getuigen maakt melding van een worsteling om een pistool, zoals door de verdachte is verklaard. Daarnaast komt het signalement dat de getuigen hebben gegeven van de schutter overeen met dat van de verdachte. Volgens de getuigen was de schutter een getinte man met baard en droeg hij (achterstevoren) een zwarte pet en een korte zwarte leren jas. Weliswaar verklaren de getuigen op enkele punten enigszins verschillend, maar in de kern komen de verklaringen op hetzelfde neer. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om aan de getuigenverklaringen te twijfelen.

De rechtbank stelt vast dat het door de verdachte geschetste scenario geen steun vindt in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting en ook anderszins niet aannemelijk is geworden. Dat brengt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte de schutter is geweest en met het wapen heeft gedreigd.

De aangever heeft verklaard dat de verdachte heeft gezegd dat hij van de aangever een voorbeeld zou maken. Daarbij hield de verdachte het vuurwapen gericht op het voorhoofd van aangever. Vervolgens heeft de verdachte gericht op de knie van de aangever geschoten. Naar algemene ervaringsregels is de kans dat de verdachte zwaar lichamelijk letsel zou veroorzaken door een kogel in de richting van de knie te schieten, aanmerkelijk te noemen. De gedragingen van de verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij [naam slachtoffer] , dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

4.2.3.

Conclusie

De onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 19 april 2016 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [naam slachtoffer] met een vuurwapen in zijn rechterknie heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 19 april 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen

- getoond aan genoemde [naam slachtoffer] en

- gericht (gehouden) op (het hoofd van) genoemde [naam slachtoffer] en

- doorgeladen op korte afstand van genoemde [naam slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. subsidiair

poging tot zware mishandeling

2.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft het slachtoffer bedreigd met een vuurwapen en hij heeft hem in zijn knie geschoten. Het is aan geluk te danken dat de kogel in dit geval geen zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt. Uit de verklaring van het slachtoffer blijkt dat hij bang was dat de verdachte hem zou doden. Buiten de angst die de verdachte bij het slachtoffer heeft veroorzaakt, heeft hij ook zijn lichamelijke integriteit geschonden. Dergelijk gewelddadig optreden in het openbaar is zeer bedreigend en versterkt de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 juni 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Omdat het veroordelingen betreft van bijna tien jaar of ouder, zal de rechtbank dat niet in negatieve zin meewegen.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een voortgangsverslag over de verdachte opgemaakt, gedateerd 12 juli 2018. Dit verslag houdt – onder meer en voor zover van belang – het volgende in.

De verdachte heeft bijna twee jaar onder toezicht gestaan van de reclassering. Hij heeft gedurende de gehele toezichtperiode een dagbesteding gehad; hij is werkzaam als ondernemer in de muziekindustrie. De verdachte heeft meegewerkt aan een intakegesprek bij forensische polikliniek De Waag. Besloten is om geen agressieregulatie training in te zetten omdat de verdachte geen hulpvragen heeft en De Waag ook geen andere reden zag om toch een training of behandeling in te zetten. De reclassering heeft de verdachte eens in de twee weken gesproken. In de afgelopen twee jaar hebben zich geen overtredingen voorgedaan en heeft de verdachte zich gehouden aan het contactverbod met het slachtoffer.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit verslag.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 20 april 2016 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn dus aangevangen. Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met een periode van ruim drie maanden is overschreden, terwijl de overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte.

De voorlopige hechtenis van de verdachte is eind augustus 2016 onder oplegging van bijzondere voorwaarden geschorst. Uit het voortgangsverslag van de reclassering blijkt dat de verdachte zich gedurende de periode tot aan de zitting van zijn beste kant heeft laten zien. Hij heeft het contactverbod met de aangever niet geschonden, hij is zijn afspraken bij de reclassering nagekomen en hij is niet opnieuw in aanraking gekomen met politie of justitie.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. In soortgelijke zaken waarbij sprake is van vuurwapengebruik onder bedenkelijke omstandigheden plegen gevangenisstraffen van enkele jaren te worden opgelegd. De rechtbank zal echter, conform de eis van de officier van justitie en het verzoek van de verdediging, afzien van het opleggen van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan het reeds ondergane voorarrest. In de beschreven overschrijding van de redelijke termijn en de positieve ontwikkeling van de verdachte ziet de rechtbank aanleiding om in plaats daarvan een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

beveelt dat de borgsom van € 12.500,- (twaalfduizend vijfhonderd euro), die door of namens de verdachte als zekerheid voor de nakoming van de aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden is gestort, wordt teruggegeven aan degene die deze zekerheid heeft gesteld.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

en mrs. J. Bergen en D.Y.A. van Meersbergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Primair

hij op of omstreeks 19 april 2016 te Rotterdam aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door die [naam slachtoffer] met een vuurwapen in zijn rechterknie te schieten;

Subsidiair

hij op of omstreeks 19 april 2016 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [naam slachtoffer] met een vuurwapen in zijn rechterknie heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 19 april 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer] met een vuurwapen in zijn rechterknie te schieten;

2.

hij op of omstreeks 19 april 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen

- getoond aan genoemde [naam slachtoffer] en/of

- gericht (gehouden) op (het hoofd van) genoemde [naam slachtoffer] en/of

- doorgeladen op korte afstand van genoemde [naam slachtoffer] .