Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:657

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-01-2018
Datum publicatie
01-02-2018
Zaaknummer
5655025 CV EXPL 17-2161
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Telefoonabonnement met toestel. In de overeenkomst is de prijs van het mobiele toestel opgenomen. Overeenkomst rechtsgeldig geacht. Uitfacturering slechts voor de helft toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/606

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5655025 CV EXPL 17-2161

uitspraak: 26 januari 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Direct Pay Services B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

eiseres,

gemachtigde: WebCasso B.V. te Barendrecht,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaatsnaam],

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “Direct Pay” en “[gedaagde]”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 5 januari 2017, met producties;

  • -

    de aantekeningen van het mondelinge antwoord van [gedaagde];

  • -

    de (aanvullende) schriftelijke reactie van [gedaagde], met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, met een productie;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2 De vordering

2.1

Direct Pay heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan Direct Pay te betalen een bedrag van € 1.793,50 aan hoofdsom, € 25,83 aan verschenen rente en € 134,51 aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.2

Aan haar vordering heeft Direct Pay naast de vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

2.2.1

[gedaagde] heeft op 24 november 2015 met T-Mobile een tweetal overeenkomsten gesloten voor de duur van 24 maanden. Op grond daarvan kon [gedaagde] tegen betaling van maandelijkse abonnements- en gebruikskosten gebruik maken van het mobiele telecommunicatienetwerk van T-Mobile en ontving [gedaagde] bij het aangaan van die overeenkomsten een tweetal mobiele telefoontoestellen, die hij door middel van maandelijkse termijnen diende af te betalen (hierna: de overeenkomsten). Op de overeenkomsten zijn de algemene voorwaarden van T-Mobile van toepassing.

2.2.2

T-Mobile heeft op 30 november 2015, 28 december 2015, 27 januari 2016, 29 februari 2016 en 28 maart 2016 telkens een tweetal facturen van elk respectievelijk € 81,93, € 51,98,
€ 51,98, € 66,98 en € 55,02 aan [gedaagde] gestuurd ten aanzien van abonnements- en gebruikskosten en de afbetalingstermijnen van de telefoontoestellen en op 14 april 2016 een tweetal facturen van elk € 717,80 ten aanzien van de uitfacturering van de overeenkomsten en de resterende termijnen met betrekking tot de telefoontoestellen, nadat T-Mobile de overeenkomsten op 12 april 2016 had ontbonden wegens wanbetaling.

2.2.3

T-Mobile heeft de onderhavige vordering gecedeerd aan Direct Pay. [gedaagde] is hiervan in kennis gesteld.

2.2.4

[gedaagde] is, ondanks sommaties, in gebreke gebleven met betaling van de op grond van de tussen T-Mobile en [gedaagde] gesloten overeenkomsten door hem verschuldigde facturen, zoals hiervoor vermeld. Wegens wanbetaling van [gedaagde] heeft T-Mobile de overeenkomsten per 12 april 2016 ontbonden. Door het voortijdig beëindigen van de overeenkomsten heeft T-Mobile echter schade geleden, die zij op grond van de op de overeenkomsten toepasselijke algemene voorwaarden dan wel op grond van artikel 6:277
lid 1 BW wenst te verhalen op [gedaagde]. Deze schade van twee maal € 194,19 bestaat uit het bedrag aan resterende abonnementstermijnen, te weten de termijnen vanaf de datum van beëindiging van de overeenkomsten tot de oorspronkelijke expiratiedatum en is in rekening gebracht bij de factuur van 14 april 2016. Direct Pay heeft het gevorderde schadebedrag bij dagvaarding reeds gematigd tot 50% van de resterende abonnementstermijnen. Daarnaast is [gedaagde] de na de beëindiging van de overeenkomsten onbetaald gelaten termijn-betalingen met betrekking tot de (waarde van de) telefoontoestellen ad € 543,12 per toestel verschuldigd, die eveneens bij de factuur van 14 april 2016 in rekening zijn gebracht.

Direct Pay maakt voorts aanspraak op een bedrag van € 134,51 aan buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. Berekend tot, naar de kantonrechter begrijpt, de dag der dagvaarding bedraagt deze rente € 25,83.

3 Het verweer

[gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de vordering betwist en daartoe aangevoerd dat hij de overeenkomsten niet in privé heeft afgesloten, maar in zijn hoedanigheid van directeur/eigenaar van [de B.V.]. [gedaagde] zelf is dan ook niet aansprakelijk voor de vordering. [de B.V.]. is de overeenkomsten onder druk aangegaan en [gedaagde] is vervolgens ook nog beroofd van de aan hem verstrekte mobiele telefoons.

4 De beoordeling van de vordering

4.1

De kantonrechter verwerpt het verweer dat de overeenkomsten niet door
[gedaagde] in privé zijn afgesloten, maar in zijn hoedanigheid van directeur/eigenaar van [de B.V.]. In de overeenkomsten is uitdrukkelijk vermeld dat [gedaagde] zelf de contractant is, waarbij zelfs nog expliciet is opgenomen dat ook het gebruik van de abonnementen voornamelijk privé is. Dat [gedaagde] bij het afsluiten van de overeenkomsten kennelijk zijn zakelijke (e-mail)adres en bankrekeningnummer heeft opgegeven doet hieraan niet af, nu daar allerlei redenen voor kunnen zijn. [gedaagde] heeft in zijn conclusie van dupliek bovendien zelf aangevoerd dat het ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten voor T-Mobile niet duidelijk was dat het om zakelijke abonnementen ging. Het voorgaande betekent dat Direct Pay op goede gronden
in privé, en dus ook als consument, heeft gedagvaard.

4.2

Vervolgens komt de vraag aan de orde of een wilsgebrek aan het tot stand komen van de overeenkomsten tussen T-Mobile en [gedaagde] in de weg heeft gestaan. [gedaagde] heeft gesteld dat hij onder druk van zijn opdrachtgever, ten behoeve waarvan hij de beide overeenkomsten zou hebben afgesloten, de abonnementen met T-Mobile is aangegaan.

De kantonrechter overweegt als volgt.

[gedaagde] heeft zelf gesteld dat op het moment van sluiten van de overeenkomsten de opdrachtgever die [gedaagde] volgens hem onder druk heeft gezet niet aanwezig was in de telefoonwinkel. Voorts is niet gesteld of gebleken dat er sprake was van andere omstandigheden waardoor voor T-Mobile viel af te leiden dat er sprake was van enigerlei druk. Uit het overgelegde proces-verbaal van aangifte bij de politie en de schriftelijke verklaring van [gedaagde] blijkt dat evenmin. Ook de gestelde beroving van (onder meer) de bij het aangaan van de overeenkomsten door [gedaagde] ontvangen telefoons, heeft buiten het zicht van het winkelpersoneel plaatsgevonden. Het voorgaande leidt ertoe dat niet vaststaat dat de door [gedaagde] gestelde druk T-Mobile bekend was, dan wel bekend had moeten zijn, waardoor enig wilsgebrek aan de zijde van [gedaagde] niet aan de rechtsgeldigheid van de overeenkomsten in de weg staat en deze niet vernietigbaar zijn in de zin van artikel 3:44 lid 1 BW, voor zover [gedaagde] daar een beroep op heeft gedaan.

4.3

De tussen T-Mobile en [gedaagde] gesloten overeenkomsten worden voor wat betreft de toestelcomponenten conform het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1385) ter zake van de verkrijging van de mobiele telefoons aangemerkt als koop op afbetaling als bedoeld in artikel 7A:1576 lid 1 (oud) BW, nu uit de overeenkomsten blijkt dat de door [gedaagde] verschuldigde maandbedragen met betrekking tot de telefoontoestellen strekken tot afbetaling van die door [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomsten ontvangen toestellen.

4.4

Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter de onderhavige telefoonabonnementen met toestellen toetsen aan de wettelijke vereisten voor koop op afbetaling, zoals die golden tot 1 januari 2017. Met ingang van genoemde datum is bedoeld artikel 7A:1576 lid 1 (oud) BW vervallen, doch blijkens artikel 200 Overgangswet NBW blijft die bepaling van toepassing op overeenkomsten die zijn afgesloten vóór 1 januari 2017. Nu in dit geval vaststaat dat de overeenkomsten op 24 november 2015 door partijen zijn gesloten, is genoemd artikel 7A:1576 lid 1 (oud) BW onverkort van toepassing. Volgens die bepaling is koop en verkoop op afbetaling de koop en verkoop waarbij partijen overeenkomen dat de koopprijs wordt betaald in termijnen, waarvan twee of meer verschijnen nadat de verkochte zaak aan de koper is afgeleverd. Artikel 7A:1576 lid 2 (oud) BW bepaalt dat de overeenkomst niet van kracht is, voordat partijen de door de koper te betalen prijs hebben bepaald.

4.5

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:236) beslist dat, ter bescherming van het belang van de koper, duidelijk moet zijn wat de koopprijs van de door hem gekochte zaak is, en daarmee wat de omvang is van de door hem verschuldigde termijnen, voor zover die daarop betrekking hebben. Die prijs moet in de overeenkomst afzonderlijk zijn bepaald. Direct Pay heeft gesteld dat de prijs van de toestellen € 672,00 per stuk bedraagt en dat die prijs ook is vermeld in de beide overeenkomsten. Vastgesteld wordt dat die prijs inderdaad expliciet in die overeenkomsten is vermeld en ook dat daarin is opgenomen dat de maandelijkse termijnbetalingen voor de toestellen € 28,00 (€ 672,00/24 maanden) per toestel bedragen. Naar het oordeel van de kantonrechter is hiermee ruimschoots voldaan aan het vereiste dat de koopprijs in de overeenkomst afzonderlijk is bepaald. Dit leidt ertoe dat de overeenkomsten, ook voor wat betreft de toestelgedeeltes, van kracht zijn geworden.

4.6

[gedaagde] heeft niet betwist de facturen tot aan de datum van beëindiging van de overeenkomsten onbetaald te hebben gelaten. Nu ook de hoogte daarvan niet in debat is, wordt uitgegaan van de juistheid daarvan. De gevorderde betaling van de facturen van
30 november 2015 van (telkens twee keer) € 81,93, 28 december 2015 ad € 51,98,
27 januari 2016 ad € 51,98, 29 februari 2016 ad € 66,98 en 28 maart 2016 ad € 55,02 is dan ook toewijsbaar, met dien verstande dat de in de beide facturen van 29 februari 2016 begrepen administratiekosten van elk € 15,00 inclusief btw als buitengerechtelijke kosten aangemerkt dienen te worden. Dit betekent dat deze facturen toewijsbaar zijn tot een bedrag van elk € 51,98. Uit de in de dagvaarding opgenomen specificatie van de gevorderde hoofdsom kan overigens worden afgeleid dat die kosten reeds op deze facturen in mindering zijn gebracht. Aldus is toewijsbaar de som van voormelde bedragen, zijnde € 585,78.

4.7

Ten aanzien van het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de verplichtingen van [gedaagde] na het beëindigen van de overeenkomsten, in rekening gebracht bij de facturen van 14 april 2016, wordt als volgt overwogen.

Gelet op hetgeen hiervoor onder de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.5 is overwogen, is
[gedaagde] de waarde van de telefoontoestellen (volledig) verschuldigd. Het verweer van [gedaagde] dat hij is beroofd van die toestellen, is een omstandigheid die, hoe vervelend ook voor hem, niet aan T-Mobile kan worden toegerekend of kan tegengeworpen. [gedaagde] diende per telefoontoestel een bedrag van € 28,00 inclusief btw per maand te betalen. Nu de overeenkomsten zonder de beëindiging daarvan nog ruim 19 maanden zouden hebben voortgeduurd, leidt het voorgaande ertoe dat voor wat betreft de toestelcomponenten de in de facturen van 14 april 2016 berekende bedragen van € 543,12 per toestel toewijsbaar zijn.

4.7.1

Voor wat betreft de gevorderde, van de facturen van 14 april 2016 onderdeel uitmakende, schadevergoeding en/of abonnementsgeld over de nog niet verstreken abonnementstermijnen, welke (primair) in rekening gebracht is overeenkomstig de op de overeenkomsten toepasselijke algemene voorwaarden, oordeelt de kantonrechter als volgt.

Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EG dient de kantonrechter ook, zoals hier het geval, zonder een daartoe strekkend verweer te beoordelen of een beding uit de algemene voorwaarden van T-Mobile onredelijk bezwarend is indien (een deel van) de vordering hierop gebaseerd is. Een beding dat ten doel of tot gevolg heeft de consument die zijn verbintenis niet nakomt een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen, kan worden aangemerkt als een onredelijk bezwarend beding.

Mede gezien hetgeen de landelijke werkgroep ingesteld door de voorzitters van de civiele en kantonsectoren (het LOVCK) heeft overwogen in het herzien rapport van november 2014 “Ambtshalve toetsing II” ten aanzien van de sim only abonnementen (hoofdstuk 3.4.10) acht de kantonrechter de uitfacturering voor de helft ook in onderhavige situatie toewijsbaar. Nu Direct Pay de uitfacturering reeds heeft gematigd met 50% van de resterende maand-termijnen exclusief btw, moet vastgesteld worden dat de facturen van 14 april 2016 tot het gevorderde bedrag van elk € 603,86 toewijsbaar zijn.

4.8

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in totaal aan hoofdsom toewijsbaar is een bedrag van (€ 585,78 + € 603,86 + € 603,86, derhalve) € 1.793,50, gelijk aan de gevorderde hoofdsom.

4.9

De gevorderde wettelijke rente van € 25,83 zal als onbetwist eveneens worden toegewezen. Voor zover Direct Pay overigens nog rente heeft gevorderd, heeft zij dat op onvoldoende eenduidige wijze gedaan, zodat die rente niet toewijsbaar is.

4.10

Direct Pay maakt voorts aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Nu voldoende is gesteld en gebleken dat voldaan is aan de vereisten van dat Besluit, is de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar.

4.11

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing
De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Direct Pay tegen kwijting te betalen het bedrag van € 1.953,84 aan hoofdsom, buitengerechtelijke incassokosten en aan verschenen rente;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van
Direct Pay vastgesteld op € 553,44 aan verschotten en € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

764