Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:656

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
6159204 CV EXPL 17-24754
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Doorbetaling loon gedurende 2e en 3e ziektejaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1051
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6159204 \ CV EXPL 17-24754

uitspraak: 2 februari 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Ropana B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Barendrecht,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 29 juni 2017,

gemachtigde: mr. P. Stibbe te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaatsnaam],

gedaagde bij gemeld exploot van dagvaarding,

gemachtigde: mr. F.C. Verploegen (Achmea Rechtsbijstand).

Partijen worden hierna aangeduid als “Ropana” en “[gedaagde]”.
1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 29 juni 2017, met de daarbij overgelegde producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met de daarbij overgelegde producties;

  • -

    het tussenvonnis van 14 september 2017, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de op 18 oktober 2017 gehouden comparitie van partijen;

  • -

    de aktewijziging van eis, tevens houdende aanvullende producties zijdens Ropana;

  • -

    de akte indiening producties aan de zijde van [gedaagde];

  • -

    de akte uitlating producties zijdens Ropana;

  • -

    de akte houdende uitlating aan de zijde van [gedaagde], waarbij een laatste productie in het geding is gebracht.

De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[gedaagde], geboren op [geboortedatum] 1976, is met ingang van 1 juni 2011 bij Ropana in dienst getreden als veiligheidsdeskundige. In die hoedanigheid was het de taak van [gedaagde] om ervoor te zorgen dat de medewerkers van de RET veilig aan het metrospoor konden werken. De arbeidsovereenkomst is voor bepaalde tijd aangegaan, doch na de expiratiedatum is de arbeidsovereenkomst verlengd c.q. stilzwijgend voortgezet. Het laatstelijk geldende salaris bedraagt € 2.815,67 bruto per maand.

2.2.

Op 12 maart 2014 heeft [gedaagde] zich bij Ropana ziekgemeld. Ropana heeft geweigerd het loon tijdens ziekte aan [gedaagde] te betalen, waarbij zij zich op het standpunt heeft gesteld dat de arbeidsovereenkomst inmiddels is geëindigd. [gedaagde] heeft Ropana in kort geding gedagvaard en bij vonnis van 5 december 2014 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen na maart 2014 voortduurt.

Tevens is Ropana bij dat vonnis veroordeeld tot betaling van “het loon ad € 2.815,67 bruto per maand vanaf de maand maart 2014 tot de aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW en de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW van 10% over het achterstallige salaris van de maanden maart tot en met november 2014 vanaf de data van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening”.

2.3.

Op 16 november 2015 heeft [gedaagde] bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd over de re-integratie-inspanningen van Ropana. Het UWV heeft op
18 december 2015 geoordeeld dat Ropana onvoldoende meewerkt aan de re-integratie van [gedaagde].

2.4.

Bij brief van 8 december 2015 heeft Ropana - voor zover thans van belang - het volgende aan [gedaagde] medegedeeld:

“(…)
Er is door Ropana bv 30% onverschuldigd aan salaris uitbetaald aan u over de periode dat u arbeidsongeschikt was. Dit betreft de gehele periode vanaf 14 maart 2014 tot heden. Vanaf nu zullen wij dan ook overgaan tot de volgende maatregelen: Uw maandbetaling bedraagt 70% van uw salaris, gedurende de tijd dat u niet arbeidsgeschikt bent.
Voor het inmiddels tot nu toe teveel betaalde zouden wij de volgende terugbetalingsregeling willen voorstellen:
Onverschuldigd betaald: april 2014 tot en met november 2015 is 21 maanden vermenigvuldigd met (30% van € 2.815,67 = € 844,70) is een bedrag van
€ 17.738,72. Wanneer u dit te vorderen bedrag in 21 maanden zou terugbetalen houden wij € 844,70 per maand in en hebben wij het teveel betaalde binnen een redelijke termijn terug. Mocht u weer arbeidsgeschikt worden dan zullen we op dat moment deze regeling herbezien.
Wanneer u een ander voorstel wilt doen om tot een terugbetalingsregeling te komen staan wij daarvoor open. Mocht er om welke reden dan ook, een einde komen aan de maandelijkse betalingen van Ropana bv aan u, dan blijft het op dat moment nog openstaande bedrag verschuldigd en zullen wij dit ineens opeisen.

(...)”.

2.5.

Ook na bedoelde brief heeft Ropana de loonbetaling tijdens ziekte aan [gedaagde] gecontinueerd op basis van 100% van het laatstgenoten salaris.

2.6.

Bij beslissing van 11 februari 2016 heeft het UWV aan Ropana een loonsanctie opgelegd op grond waarvan de loondoorbetalingsverplichting van Ropana tijdens de ziekte van [gedaagde] is verlengd tot 8 maart 2017.

2.7.

Ropana heeft [gedaagde] opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden met ingang van 7 maart 2016. [gedaagde] heeft Ropana bij monde van zijn gemachtigde laten weten niet in staat te zijn om een aanvang te maken met re-integratie en dat hij bij het UWV een deskundigenoordeel heeft aangevraagd. Ropana heeft daarop [gedaagde] bij brief van 9 maart 2016 het volgende medegedeeld:
“(…)

U heeft er voor gekozen het door ons aangeboden aangepaste werk per vandaag niet te hervatten. Zoals aangekondigd is uw loon vanaf heden stopgezet. De brief van uw adviseur verandert daar helaas niets aan.
Informatie waaruit zou blijken dat het door ons aangeboden werk niet-passend zou zijn, zien wij met belangstelling tegemoet.
(…)”.

2.8.

Het UWV heeft in eerste instantie op 20 april 2016 geoordeeld dat het door Ropana aangeboden werk passend is. In de rapportage die hiervan is opgesteld is opgenomen dat [gedaagde] in de periode van 7 september 2015 tot 1 januari 2016 gemiddeld 20 uur per week werkzaamheden heeft verricht bij Roba Rent B.V. [gedaagde] heeft naar aanleiding van de wijze van totstandkoming van dat deskundigenoordeel een klacht ingediend bij het UWV en tevens op 16 juni 2016 een nieuw deskundigenoordeel gevraagd. Op 20 september 2016 heeft het UWV geoordeeld dat het aangeboden werk niet passend is.

2.9.

Gezien dat deskundigenoordeel heeft de gemachtigde van [gedaagde] Ropana bij brief van 6 oktober 2016 gesommeerd om met terugwerkende kracht vanaf 9 maart 2016 het salaris van [gedaagde] te betalen. Tevens is Ropana in die brief verzocht om te bewerkstelligen dat [gedaagde] opgeroepen wordt voor een gesprek met de bedrijfsarts alsmede dat in het kader van de re-integratie eerste spoor een mediationtraject wordt opgestart.

2.10.

De (nieuwe) gemachtigde van Ropana heeft gereageerd bij brief van 10 november 2016, waarbij gesteld is dat Ropana onverschuldigd over het tweede ziektejaar van 12 maart 2015 tot 12 maart 2016 100% loon tijdens ziekte heeft betaald, dat daardoor € 10.947,32 bruto teveel is betaald en dat [gedaagde] over de periode van 9 maart 2016 tot 9 november 2016 na verrekening van genoemd bedrag van € 10.947,32 nog recht heeft op een bedrag van € 4.820,44 bruto. Tevens is in die brief gesteld dat uit de rapportage van de arbeidsdeskundige blijkt dat [gedaagde] inmiddels elders werkzaam is en dat de verdiensten daaruit volgens artikel 7:629 lid 5 BW in mindering strekken op het door Ropana verschuldigde salaris, zodat [gedaagde] wordt verzocht om loonstroken van de nieuwe werkgever over te leggen, opdat alsnog een berekening gemaakt kan worden.

2.11.

Bij brief van 27 november 2016 heeft [gedaagde] bij monde van zijn gemachtigde op die brief gereageerd en onder verwijzing naar het vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 5 december 2014 opnieuw betaling gevorderd van het achterstallige loon van € 2.815,67 bruto per maand.

2.12.

Uiteindelijk heeft [gedaagde] de gerechtsdeurwaarder opdracht gegeven om het vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 5 december 2014 ten uitvoer te leggen, waarna op 13 januari 2017 de grosse van genoemd vonnis aan Ropana is betekend met bevel tot betaling van een bedrag van in totaal € 30.492,02 aan achterstallig loon en kosten. Vervolgens heeft de gerechtsdeurwaarder in opdracht van [gedaagde] executoriaal derdenbeslag gelegd onder ING Bank en ABN AMRO voor genoemd bedrag van € 30.492,02.

2.13.

Ropana heeft vervolgens in kort geding bij de rechtbank Amsterdam de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 5 december 2014 gevorderd. Die vordering is door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 9 maart 2017 afgewezen, met de veroordeling van Ropana in de kosten van het geding. Daarbij is door de rechtbank Amsterdam samenvattend het volgende beslist:

“(…)

Gelet op het vorenstaande is niet aannemelijk dat Ropana bij vonnis van
5 december 2014 is veroordeeld tot doorbetaling van 70% van het loon voor het tweede en daaropvolgende ziektejaren, zodat voorshands bij [gedaagde] een in redelijkheid te respecteren belang aanwezig wordt geacht bij executie van voornoemd vonnis en hij geen misbruik van recht maakt. De gevraagde voorzieningen worden dan ook geweigerd.
(…)”

2.14.

De gerechtsdeurwaarder heeft op 11 augustus 2017 een specificatie verstrekt, waaraan de volgende gegevens ontleend worden:

- hoofdsom t/m 31 december 2016 € 30.409,24

- executiekosten - 1.874,70

- verdere termijnen t/m 28 februari 2017 - 5.631,34

---------------

verschuldigd € 37.915,28

betaald € 37.900.93 ---------------

saldo nog verschuldigd € 14,35.

3 Het geschil en de standpunten van partijen

3.1.

Ropana heeft na wijziging van eis bij de akte van 9 november 2017 gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat Ropana over het tweede ziektejaar, te weten 8 maart 2015 tot en met 7 maart 2016 gehouden is aan [gedaagde] 70% van het laatstverdiende salaris uit te betalen, zijnde het netto equivalent van € 1.970,97 bruto per maand, hetgeen neerkomt op een totaal bedrag voor het tweede ziektejaar van € 19.403,91 netto;

II. [gedaagde] te veroordelen een bedrag van € 5.662,15 over het tweede ziektejaar terug te betalen aan Ropana;

III. te verklaren voor recht dat Ropana over het derde ziektejaar, te weten 8 maart 2016 tot en met 7 maart 2017 gehouden is [gedaagde] 70% van het laatstverdiende salaris uit te betalen, zijnde het netto equivalent van € 1.970,87 bruto per maand, hetgeen neerkomt op een totaal bedrag voor het derde ziektejaar van € 21.324,05 netto;

IV. [gedaagde] te veroordelen een bedrag van € 16.591,23 over het derde ziektejaar terug te betalen aan Ropana;

V. te verklaren voor recht dat Ropana vanaf 8 maart 2017 geen loondoorbetalingsverplichting meer heeft;

VI. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.

3.1.1.

Aan haar vorderingen heeft Ropana - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

Over het tweede en derde ziektejaar bestaat voor haar slechts de verplichting om 70% van het laatstverdiende salaris te betalen. Het vonnis van de rechtbank Rotterdam van

5 december 2014 heeft niet de bedoeling gehad Ropana te verplichten tot meer dan waartoe zij op grond van de wet verplicht is. Dat vonnis geeft [gedaagde] dan ook niet een ongelimiteerd recht op 100% salaris tijdens ziekte zolang de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd. Partijen zijn geen 100% loondoorbetaling overeengekomen over het tweede ziektejaar. Ropana heeft de eerste 52 weken 100% van het laatstverdiende salaris betaald en daarna is haar verplichting op grond van artikel 7:629 BW beperkt tot 52 weken 70% van het naar tijdruimte vastgestelde salaris. [gedaagde] had er bedacht op moeten zijn dat hij over het tweede en derde ziekte jaar slechts recht had op 70% loondoorbetaling, zeker na de brief van 8 december 2015. Dat zij nadien toch nog is doorgegaan met betaling van 100% salaris moet gezien worden als een gebaar van goede wil; zij wilde geen verstoring van de arbeidsverhouding omdat juist in die periode gesprekken werden gevoerd onder leiding van een verzuimbegeleider.

3.1.2.

Ropana heeft er tevens op gewezen dat de gerechtsdeurwaarder in opdracht van [gedaagde] beslag heeft gelegd op basis van bruto bedragen en dat thans onduidelijk is wie verantwoordelijk is voor de afdrachten: [gedaagde] of Ropana als werkgever.

3.2.

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

Uit het vonnis van 5 december 2014 van de rechtbank Rotterdam kan op geen enkele wijze worden afgeleid dat bedoeld is [gedaagde] slechts aanspraak te geven op 70% van het loon over het tweede ziektejaar en de daarop volgende ziektejaren. Ropana heeft in die uitspraak berust en heeft daartegen geen appel ingesteld. Bovendien heeft Ropana iedere maand 100% salaris doorbetaald en daarmee is zij zelfs nog doorgegaan, nadat zij in de brief van 8 december 2015 te kennen had gegeven nog maar 70% uit te betalen.

3.3.

De verdere stellingen van partijen zullen - voor zover nodig - worden besproken in het kader van de beoordeling van het geschil.

4 De beoordeling

4.1.

Het tussen partijen gerezen geschil spitst zich toe op de vraag of [gedaagde] tijdens het tweede en derde ziektejaar recht heeft op 100% doorbetaling van het laatstgenoten salaris dan wel 70%.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat partijen het erover eens zijn dat de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst niet beheerst wordt door een cao. In de arbeidsovereenkomst van
2 januari 2013 is in artikel 22 met zoveel woorden opgenomen dat op de arbeidsovereen-komst geen cao van toepassing is. Tevens staat vast dat partijen in de arbeidsovereenkomst geen bijzondere regeling hebben getroffen ten aanzien van de loondoorbetaling tijdens ziekte. Derhalve dient het tussen partijen gerezen geschil beoordeeld te worden aan de hand van de wettelijke regeling in artikel 7:629 BW. Anders dan Ropana lijkt te suggereren maakt die bepaling ten aanzien van de 100% en 70% loondoorbetaling tijdens ziekte geen onderscheid tussen het eerste en tweede jaar van de ziekte. Krachtens bedoeld artikel heeft de werknemer - behoudens het maximum dagloon ex art. 17 lid 1 Wfsv hetgeen in casu niet aan de orde is - tijdens ziekte gedurende 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, met dien verstande dat de werknemer tijdens de eerste 52 weken van de ziekte ten minste recht heeft op het voor hem geldende minimumloon. Tevens dient bedacht te worden dat het de werkgever vrij staat om van de regeling van artikel 7:629 BW af te wijken in een voor de werknemer gunstige zin.

4.3.

In dit geval staat vast dat Ropana gedurende de periode van 13 maart 2014 tot 9 maart 2016 100% salaris heeft doorbetaald tijdens de ziekte van [gedaagde]. Door op die wijze te acteren gedurende een periode van twee jaar heeft Ropana bij [gedaagde] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hij aanspraak kon maken op volledige doorbetaling van het salaris tijdens ziekte. Weliswaar heeft Ropana bij brief van 8 december 2015 te kennen gegeven zich niet langer verplicht te voelen om meer dan 70% salaris tijdens ziekte door te betalen, doch nu Ropana ook na die brief gewoon is doorgegaan met de volledige betaling van het salaris tijdens ziekte, zonder op dat punt enig voorbehoud te maken, hoefde [gedaagde] in redelijkheid geen rekening te houden met een terugvordering en mocht hij erop vertrouwen dat Ropana in voor hem gunstige zin was afgeweken van de wettelijke regeling in artikel 7:629 BW. Aannemelijk is dat bedoeld vertrouwen nog versterkt is door de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2014, waarin Ropana nu juist veroordeeld is tot doorbetaling van het volledige salaris tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.

4.4.

Op grond van vorenstaande overwegingen concludeert de kantonrechter dan ook dat voor toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht dat Ropana over het tweede ziektejaar slechts 70% van het laatstgenoten salaris verschuldigd is, geen aanleiding bestaat. De daartoe strekkende vordering wordt dan ook afgewezen evenals de vordering tot terugbetaling van het bedrag van € 5.662,15.

4.5.

Anders ligt het echter met de vordering ten aanzien van de loondoorbetaling tijdens het derde jaar van ziekte. In dat verband overweegt de kantonrechter het volgende.

De verplichting van de werkgever om na ommekomst van de eerste twee ziektejaren het loon van de werknemer tijdens ziekte door te betalen, vloeit voort uit art. 25 lid 9 WIA jo. art. 7:629 lid 11 BW. In art. 25 lid 9 WIA is in dit verband bepaald dat indien de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, het UWV het tijdvak verlengt gedurende welke de werknemer recht heeft op loon op grond van art. 7:629 BW, terwijl in art. 7:629 lid 11 BW is bepaald dat het loontijdvak van art. 7:629 lid 1 BW van 104 weken wordt verlengd met de duur van het tijdvak bedoeld in art. 25 lid 9 WIA.

In de rechtspraak is algemeen aanvaard dat in de gevallen dat de werkgever op basis van een individuele regeling in de arbeidsovereenkomst dan wel een collectieve regeling in de cao gehouden is om gedurende de eerste twee jaar van de ziekte meer dan 70% salaris tijdens ziekte door te betalen, dat niet onmiddellijk betekent dat de werkgever dan ook tijdens het derde jaar van de ziekte meer dan 70% zou moeten betalen. In dat verband is in de uitspraak van de kantonrechter Rotterdam van 16 juni 2010 (JAR 2010, 261) onder meer overwogen dat niet valt in te zien dat art. 7:629 BW in combinatie met art. 25 lid 9 van de WIA de werkgever tot meer verplicht dan doorbetaling van 70% van het loon, hetgeen ook blijkt uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 augustus 2008 (LJN BE 9378).

In dit geval is er des te minder aanleiding om aan te nemen dat Ropana ook gedurende het derde jaar van de ziekte gehouden zou zijn om meer dan 70% loon door te betalen, nu ook voor de eerste twee jaar een dergelijke verplichting niet bestond en zij vrijwillig 100% heeft doorbetaald. Zeker nu Ropana vrijwillig 100% heeft doorbetaald tijdens de eerste twee jaar van de ziekte is er geen redelijke grond om [gedaagde] gedurende de sanctieperiode in een voordeliger situatie te plaatsen dan wanneer hij na ommekomst van de eerste twee ziektejaren een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering zou hebben genoten. Die uitkering bedraagt immers ook niet meer dan 70% van het laatstgenoten loon. Onder omstandigheden kan het wel in strijd met goed werkgeverschap zijn om tijdens de sanctieperiode slechts 70% van het loon door te betalen, bijvoorbeeld indien de werknemer als gevolg van de loonsanctie financieel nadeel ondervindt. Dat daarvan aan de zijde van [gedaagde] sprake is, is echter gesteld noch gebleken.

Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, kan meergenoemde kort geding uitspraak van de kantonrechter Rotterdam van 5 december 2014 in dit verband niet tot een andere conclusie leiden. Immers niet gebleken is dat tijdens die procedure tussen partijen een debat is gevoerd over de vraag of de werkgever gehouden is om tijdens ziekte 70% of 100% salaris door te betalen. Dat tijdens die procedure gedebatteerd is over de vraag welke consequenties een eventuele loonsanctie heeft voor de hoogte van de loondoorbetalingsverplichting van Ropana is al helemaal niet gesteld of gebleken en is bovendien weinig aannemelijk. In zoverre komt derhalve aan bedoeld kort geding vonnis een veel beperktere werking toe dan [gedaagde] heeft willen doen geloven.

4.6.

Het bovenstaande leidt de kantonrechter tot het oordeel dat Ropana gedurende het derde ziektejaar slechts 70% van het loon aan [gedaagde] verschuldigd is. Een en ander betekent dat de door Ropana gevorderde verklaring voor recht dat zij in het derde ziektejaar slechts 70% van het laatstgenoten salaris verschuldigd is, in de hierna te noemen zin toewijsbaar is.

4.7.

Ropana heeft tevens de veroordeling van [gedaagde] gevorderd tot betaling van het bedrag van € 16.591,23 betrekking hebbend op het teveel betaalde bedrag aan salaris tijdens ziekte over het derde ziektejaar.

Bij de berekening van dat bedrag is Ropana ervan uitgegaan dat de deurwaarder middels beslaglegging een bedrag aan hoofdsom geïncasseerd heeft van € 37.915,28. Uit de specificatie van de deurwaarder die [gedaagde] in het geding heeft gebracht en die Ropana onweersproken heeft gelaten blijkt dat in genoemd bedrag een bedrag van € 1.874,70 aan executiekosten begrepen is. Die kosten komen voor rekening van Ropana en die kunnen uiteraard niet verrekend worden met het teveel betaalde loon tijdens het derde ziektejaar. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat Ropana betaald heeft een totaal bedrag van
€ 36.040.58, zijnde het verschil tussen € 37.915,28 en € 1.874,70.

Ropana heeft berekend dat zij aan [gedaagde] over het derde ziektejaar aan netto salaris verschuldigd is een totaal bedrag van € 21.324,05. Die berekening heeft [gedaagde] volledig onweersproken gelaten, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan.

Aldus is [gedaagde] gehouden om het verschil tussen € 36.040,58 en € 21.324,05, zijnde
€ 14.716,53 aan Ropana terug te betalen. Een en ander betekent dat Ropana van haar kant gehouden is de afdrachten over het bruto equivalent van € 21.324,05 netto voor haar rekening te nemen.

4.8.

Ten slotte heeft Ropana nog een verklaring voor recht gevorderd dat zij vanaf 8 maart 2017 geen loondoorbetalingsverplichting meer heeft tegenover [gedaagde].

Terecht heeft [gedaagde] gesteld dat die algemeen geformuleerde verklaring voor recht in die vorm niet toewijsbaar is. Immers, nu vaststaat dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog steeds voortduurt herleeft de loondoorbetalingsverplichting van Ropana weer - geheel of gedeeltelijk - op het moment dat [gedaagde] - geheel of gedeeltelijk - kan re-integreren. De kantonrechter deelt overigens niet het standpunt van [gedaagde] dat uit meergenoemd vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 5 december 2014 blijkt dat Ropana ook na
8 maart 2017 gehouden is tot loondoorbetaling. Immers na de loonsanctie is in ieder geval de loondoorbetalingsverplichting van Ropana per 7 maart 2014 geëindigd, zolang [gedaagde] niet tot re-integratie in staat is. In zoverre is de verklaring voor recht in ieder geval toewijsbaar. Ook [gedaagde] heeft belang bij die verklaring voor recht. Het UWV heeft immers in de beslissing van 24 november 2017 te kennen gegeven dat zij de WIA-uitkering van [gedaagde] verrekent met het loon dat hij ontvangt van Ropana. Voor die verrekening bestaat echter geen enkele grond, nu vaststaat dat de loonbetalingsverplichting van Ropana in elk geval geëindigd is per 8 maart 2017.

4.9.

Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld bestaat er aanleiding de kosten van het geding te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat Ropana over het derde ziektejaar, te weten van 8 maart 2016 tot en met 7 maart 2017, gehouden is 70% van het laatstgenoten salaris aan [gedaagde] te betalen, zijnde een totaal bedrag van € 21.324,05 netto;

veroordeelt [gedaagde] om aan Ropana tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van € 14.716,53;

verklaart voor recht dat Ropana vanaf 8 maart 2017 geen loonbetalingsverplichting meer heeft tegenover [gedaagde], zolang hij niet tot re-integratie in staat is;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

710