Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:646

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
ROT 16/8088
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdwet; weigering toekenning pgb voor zorg verleend door zijn moeder gedurende vier uur per week. beroep gegrond met instandhouding rechtsgevolgen.

De stelling dat eisers moeder wordt gedwongen mantelzorg te verlenen kan niet slagen.

De onderzoeksplicht welke jeugdhulp nodig is ligt primair bij verweerder. Om te kunnen onderzoeken of de weigering van een pgb ertoe zal leiden dat eiser minder noodzakelijke zorg van zijn moeder zal ontvangen, zal verweerder inzicht moeten verkrijgen in de financiële situatie van het gezin. Weliswaar is gesteld noch gebleken dat verweerder daarover vragen heeft gesteld, maar ter zitting heeft eisers moeder desgevraagd niet kunnen onderbouwen welke financiële problemen het gezin ervaart sinds het wegvallen van het pgb voor de zorgverlening door de moeder. Gelet op het tijdsverloop tussen de laatste betaling van het pgb voor de zorg verleend door de moeder en de zitting, had mogen worden verwacht dat meer concreet zou kunnen worden aangegeven wat de (financiële) consequenties voor het gezin zijn geweest sinds het wegvallen van dat pgb.

Wetsverwijzingen
Jeugdwet 2.3
Jeugdwet 8.1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 16/8088

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te Sliedrecht, eiser,

wettelijk vertegenwoordiger: [moeder] , moeder van eiser,

gemachtigde: mr. R. Imkamp,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sliedrecht, verweerder,

gemachtigde: mr.drs. J.E. Ossewaarde.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Jeugdwet toegekend voor begeleiding vanuit het sociale netwerk en gespecialiseerde begeleiding.

Bij besluit van 7 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn wettelijk vertegenwoordiger en door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, A. de Ruijter en J. Stuifzand.

Overwegingen

1.1.

Eiser, geboren op [geboortedatum] , heeft een Autisme Spectrum Stoornis (ASS) en ADHD. Eiser heeft drie broers en één zus. Eisers vader en twee van zijn drie broers zijn eveneens gediagnosticeerd met een ASS, terwijl zijn derde broer bekend is met ADHD en autistische kenmerken heeft. Eiser ontving op grond van de toenmalige Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) een pgb voor begeleiding groep, klasse 2 (2 dagdelen), en begeleiding individueel, klasse 4 (7 - 9,9 uur). Vanwege de einddatum van de AWBZ-indicatie in samenhang met problemen die eiser ondervindt heeft verweerder deze indicatie voor een half jaar overgenomen en daarbij de begeleiding groep verhoogd naar klasse 4 (4 dagdelen).

1.2.

Op 5 april 2016 is een aanvraag gedaan voor jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor acht uur per week en acht uur per maand begeleiding vanuit het sociale netwerk, zes uur per week gespecialiseerde ambulante begeleiding en vier uur per week begeleiding voor bovengebruikelijke zorg op niet planbare momenten, te leveren door eisers moeder.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser een pgb toegekend voor 660 minuten per week begeleiding individueel vanuit het sociale netwerk en 360 minuten per week voor specialistische begeleiding. De toekenning heeft betrekking op de periode van 21 april 2016 tot en met 20 april 2017.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn impliciete weigering om voor de begeleiding door eisers moeder voor vier uur per week een pgb te verstrekken alsnog expliciet geweigerd. Verweerder stelt dat tijdens het gesprek aan de ouders van eiser is meegedeeld dat geen pgb wordt verstrekt voor de vier uur door de moeder verleende zorg, omdat deze zorg behoort tot de gebruikelijke zorgtaken van de ouders. Verweerder verwijst hiervoor naar de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen, dan kan er een vorm van jeugdhulp worden ingezet. Jeugdhulp is aanvullend en een pgb op grond van de Jeugdwet is niet bedoeld om het inkomen aan te vullen of inkomensderving op te vangen. In het gezin van eiser is onderzocht wat het gezin op eigen kracht kan doen en waarbij hulp en ondersteuning nodig is. Er wordt via begeleiding vanuit het netwerk en gespecialiseerde begeleiding de nodige ondersteuning en begeleiding aan eiser geboden en eisers ouders worden in staat geacht met deze ondersteuning eiser de benodigde zorg, begeleiding en toezicht te geven. In het geval van (dreigende) overbelasting van de ouders wordt de gebruikelijke zorg geleverd door een jeugdhulpverlener. Daarin is in het geval van eiser voorzien, aldus verweerder.

4. Artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet bepaalt dat indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen treft op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

a. gezond en veilig op te groeien;

b. te groeien naar zelfstandigheid, en

c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,

rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

Op grond van het vierde lid houdt het college bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening met:

a. behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en

b. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.

Artikel 8.1.1, eerste lid, van de Jeugdwet bepaalt dat indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen, het college hun een persoonsgebonden budget verstrekt dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken.

Op grond van het derde lid kan bij verordening worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

5. Uit het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat verweerder zich op het standpunt stelt dat de besluitvorming wel tot stand is gekomen overeenkomstig de door de Centrale Raad van Beroep (de Raad) in de uitspraak van 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477, geformuleerde vier stappen, maar dat die stappen onvoldoende zichtbaar zijn in het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken. Aan eiser zijn de voor hem noodzakelijke individuele voorzieningen toegekend en daarmee wordt hij voldoende ondersteund. Dit standpunt is door eiser bestreden en daarbij is gewezen op het ontbreken van onderzoek naar de financiële situatie van het gezin. Zonder pgb voor de door de moeder verleende zorg, is eisers moeder genoodzaakt om te gaan werken en krijgen eiser en zijn broers niet meer de zorg die zij nodig hebben.

6.1.

De overige op grond van de Jeugdwet aan eiser toegekende individuele voorzieningen zijn niet in geschil, zodat uitsluitend de rechtsvraag voorligt of verweerder terecht en op goede gronden geweigerd heeft om aan eiser een pgb toe te kennen voor zorg verleend door zijn moeder gedurende vier uur per week.

6.2.

Met eiser (en verweerder) is de rechtbank van oordeel dat eerst met het verweerschrift gelezen in samenhang met de toelichting van verweerder ter zitting, kenbaar is geworden op welke wijze het onderzoek is uitgevoerd, wat de resultaten waren van dat onderzoek en hoe die resultaten hebben geleid tot de toegekende voorzieningen en de weigering om voor de door de moeder te verlenen zorg een pgb te verstrekken.

Daarbij overweegt de rechtbank dat uit een telefoonnotitie blijkt dat door een medewerker van het jeugdteam overleg is geweest met de psycholoog waar eiser onder behandeling is. Verweerders handelwijze met betrekking tot deze medische informatie is onzorgvuldig. Daargelaten of toestemming is verleend voor het inwinnen van medische informatie, betreft het hier de medewerkers interpretatie van telefonisch verkregen medische informatie. De juistheid van die interpretatie is niet te controleren, terwijl de gevolgtrekkingen door verweerder verstrekkend (kunnen) zijn.

Daarnaast is niet gebleken dat door verweerder onderzoek is gedaan naar de vraag welke (financiële) consequenties de weigering van een pgb voor de door de moeder verleende zorg zal hebben voor eiser. Verweerders stelling dat een pgb niet is bedoeld om het gezinsinkomen te verbeteren of het verlies van inkomsten te compenseren, acht de rechtbank in beginsel juist. Dat laat echter onverlet dat er omstandigheden kunnen zijn dat het verstrekken van een pgb voor zorg verleend door een ouder, in het belang is van de jeugdige. In dit geval gaat het om een moeder van een gezin waarvan meerdere kinderen meer dan gemiddeld zorg nodig hebben en de vader mogelijk onvoldoende bij machte is evenredig bij te dragen aan het verlenen van die zorg.

6.3.

Gelet hierop is het beroep van eiser gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

7.1.

De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

7.2.

De rechtbank wijst er allereerst op dat mantelzorg aanvullende, niet-beroepsmatige hulpverlening aan ouderen, zieken en andere hulpbehoevenden betreft. De zorg die een ouder aan zijn kind verleent valt onder het recht en de plicht van de ouder, als bedoeld in artikel 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Dergelijke zorg omvat de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De stelling van eiser dat zijn moeder wordt gedwongen mantelzorg te verlenen kan dus niet slagen.

7.3.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat er voor eiser (en zijn broers) nieuwe indicaties op grond van de Jeugdwet zijn afgegeven voor de periode aansluitend aan de periode van de hier aan de orde zijnde indicatie. Uit de rapportages die ten grondslag liggen aan de (vervolg)indicatiebesluiten blijkt dat sprake is van een complexe gezinssituatie en dat in verband hiermee de moeder moet worden ontlast. Onder meer rekening houdend met het ontlasten van de moeder zijn aan eiser individuele voorzieningen toegekend. Verweerder heeft wederom geen aanleiding gezien om voor de door de moeder te verlenen zorg een pgb te verstrekken, omdat zij door de toegekende individuele voorzieningen voldoende ontlast wordt en zij daarmee in staat wordt geacht de resterende zorg aan eiser te verlenen.

7.4.

De onderzoeksplicht welke jeugdhulp nodig is ligt primair bij verweerder. Om te kunnen onderzoeken of de weigering van een pgb ertoe zal leiden dat eiser minder noodzakelijke zorg van zijn moeder zal ontvangen, zal verweerder inzicht moeten verkrijgen in de financiële situatie van het gezin. Weliswaar is gesteld noch gebleken dat verweerder daarover vragen heeft gesteld, maar ter zitting heeft eisers moeder desgevraagd niet kunnen onderbouwen welke financiële problemen het gezin ervaart sinds het wegvallen van het pgb voor de zorgverlening door de moeder. De enkele stelling dat zij zal moeten gaan werken indien er geen pgb beschikbaar wordt gesteld, acht de rechtbank onvoldoende. Gelet op het tijdsverloop tussen de laatste betaling van het pgb voor de zorg verleend door de moeder en de zitting, had mogen worden verwacht dat meer concreet zou kunnen worden aangegeven wat de (financiële) consequenties voor het gezin zijn geweest sinds het wegvallen van dat pgb. Gelet hierop ziet de rechtbank in het door eiser gestelde geen grond voor het oordeel dat verweerder voor de zorg verleend door de moeder een pgb had moeten toekennen.

7.5.

In het feit dat eiser in bezwaar niet is gehoord door verweerder ziet de rechtbank geen grond om anders te oordelen. Alhoewel expliciet aan de wettelijk vertegenwoordiger is gevraagd of zij wenst te worden gehoord, heeft zij wel gereageerd op de brief van verweerder maar daarbij niet aangegeven dat zij gehoord wil worden. Verweerder heeft er dan ook vanuit mogen gaan dat zij wilde volstaan met de schriftelijke reactie.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en mr. J. de Gans en prof.mr. A.C. Hendriks, leden, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.