Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6439

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
C/10/551895 / FT EA 18/908 en C/10/551896 / FT EA 18/909
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwangakkoord, artikel 48 Wck, minnelijk traject.

Wetsverwijzingen
Wet op het consumentenkrediet 48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 26 juli 2018

in de zaak van:

[naam 1] ,

[adres]

[woonplaats] ,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 4 juni 2018, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet (hierna: Fw) ingediend om een drietal schuldeisers, te weten:

  • -

    Woonpartners Midden-Holland, vertegenwoordigd door Flanderijn van der Heide (hierna: Woonpartners);

  • -

    Bol.com, vertegenwoordigd door Accountor (hierna: Bol);

  • -

    De heer [naam 2] (hierna: [naam 2] );

die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Ter zitting van 18 juli 2018 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoeker;

  • -

    de heer [naam 3] , werkzaam bij Rapport Gouda (hierna: beschermingsbewind);

  • -

    mevrouw [naam 4] , namens de Gemeente Gouda (hierna: schuldhulpverlener);

  • -

    mevrouw [naam 5] , begeleidster.

Schuldhulpverlener heeft ter terechtzitting aan de rechtbank te kennen gegeven dat Bol alsnog heeft ingestemd met de aangeboden schuldregeling.

De weigerende schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen middels een oproepbrief per gewone en aangetekende post, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift elf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 44.396,63 van verzoeker te vorderen.

Verzoeker heeft bij brief van 12 september 2017 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 3,97 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Schuldhulpverlener heeft ter terechtzitting verklaard in dienst te zijn bij Westerbeek. Zij is door Westerbeek voor een deel gedetacheerd bij de Gemeente Gouda. Schuldhulpverlener heeft verklaard dat zij geen ambtenaar is. Westerbeek heeft namens verzoeker het buitengerechtelijk schuldregelingstraject uitgevoerd. Namens de Gemeente Gouda controleert schuldhulpverlener de backoffice van Westerbeek. Schuldhulpverlener werkt zelf op de frontoffice van Westerbeek .

Tevens heeft schuldhulpverlener verklaard dat verzoeker door de Gemeente Gouda wegens lichamelijke problemen tot 30 augustus 2019 is ontheven van de arbeidsverplichting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn Participatiewet-uitkering. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlener geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door beschermingsbewind voldaan.

Negen schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Woonpartners en [naam 2] stemmen hier niet mee in. Zij hebben vorderingen van in totaal € 18.124,40 op verzoeker, welke 40,82 % van de totale schuldenlast beloopt.

3 Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben Woonpartners en [naam 2] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Woonpartners en [naam 2] bij hun weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Woonpartners en [naam 2] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

Bij de belangenafweging als bedoeld in artikel 287a Fw zullen – onder meer – de volgende omstandigheden een rol spelen:

- is het schikkingsvoorstel door een onafhankelijke en deskundige partij getoetst;

- is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd.

Ter beantwoording van de vraag of het akkoord dat verzoeker in het buitengerechtelijke schuldregelingstraject aan zijn schuldeisers heeft aangeboden door een onafhankelijke en deskundige partij is getoetst overweegt de rechtbank als volgt.

Het 287a verzoek vormt een onderdeel van een WSNP-verzoek. Het WSNP-verzoek moet volledig zijn. Dit brengt met zich mee dat bij het WSNP-verzoek een verklaring moet zijn gevoegd inhoudende dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijk schuldregeling te komen (285 lid 1, aanhef en sub f Fw). Die verklaring moet zijn afgegeven door een in artikel 48 lid 1 van de Wet op het consumentenkrediet (hierna: Wck) aangewezen persoon of instantie. In het voorliggende geval is de verklaring afgegeven door (het Afdelingshoofd Inkomen van) de Gemeente Gouda. De 285-verklaring is dus afgegeven door een bevoegd persoon als bedoeld in artikel 48 lid 1, onder b Wck. Aan een dergelijke verklaring dient een buitengerechtelijk schuldregelingstraject vooraf te gaan, dat is uitgevoerd door een in artikel 48 lid 1, aanhef en onder b, c of d Wck bedoelde persoon of instelling. Vast staat dat het minnelijk traject is uitgevoerd door Westerbeek. Westerbeek is geen gemeentelijke instelling noch is zij bij AMvB aangewezen in de zin van artikel

48 lid 1, onder d Wck. Dat de controle op de werkzaamheden van Westerbeek namens de gemeente door een bij de gemeente gedetacheerde werknemer van Westerbeek , weliswaar van een andere afdeling, heeft plaatsgevonden ,maakt dat niet anders. De rechtbank is van oordeel dat de schuldbemiddeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling zoals bedoeld in artikel 48 lid 1, aanhef en onder b, c of d Wck. Dit zou in beginsel moeten leiden tot afwijzing van het verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Fw.

De rechtbank is van oordeel dat afwijzing van het verzoek op grond van het hierboven genoemde zal meebrengen dat verzoeker om (alsnog) in aanmerking te komen voor toewijzing van het verzoek, opnieuw het minnelijk traject zal moeten doorlopen. Uit de overgelegde stukken alsmede de toelichting ter terechtzitting is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de door Westerbeek uitgevoerde schuldbemiddeling deugdelijk is uitgevoerd. Het inzetten van een nieuw bemiddelingstraject dient dus niet een materieel doel maar is louter nodig om formeel te voldoen aan de wettelijke vereisten. Daar staat tegenover dat als de hernieuwde schuldbemiddeling met spoed zal worden opgestart, het traject zeker enige maanden in beslag zal nemen. Verzoeker heeft bij de gemeente een traject gevolgd met als doel een geslaagde minnelijke regeling en hoefde er geen rekening mee te houden dat als gevolg van de wijze waarop de gemeente de schuldbemiddeling heeft vormgegeven, zijn verzoek op deze formele grond zal worden afgewezen.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat de vorderingen van Woonpartners en [naam 2] een aandeel vormen in de totale schuldenlast van 40,82 %. Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk negen van de elf schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker niet beschikt over betaald werk. Verzoeker is door de Gemeente Gouda tot
30 augustus 2019 vrijgesteld van zijn arbeidsverplichting. Voldoende aannemelijk is geworden dat hij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen. Door de Gemeente is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoeker heeft sinds augustus 2013 beschermingsbewind. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Woonpartners en [naam 2] , die geweigerd hebben in te stemmen.

Het verzoek om Woonpartners en [naam 2] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

Woonpartners en [naam 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- Beveelt Woonpartners en [naam 2] om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;

- Veroordeelt Woonpartners en [naam 2] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
B.G. van der Vlies, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2018. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.