Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6412

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-08-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
ROT 17/7272
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om proceskosten is afgewezen. Gemachtigde van verzoekster werkt als juridisch medewerkster in een advocatenkantoor, maar gelet op het feit dat zij op persoonlijke titel als gemachtigde in deze zaak heeft opgetreden, moet worden bezien of zij als een op zichzelf staande beroepsmatig rechtsbijstandverlener kan worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat verzoeksters gemachtigde geen beroepsmatig rechtsbijstandverlener is. De door de gemachtigde gegeven informatie is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte taakuitoefening. Evenmin heeft de gemachtigde een factuur overgelegd waaruit blijkt dat zij voor werkzaamheden in deze zaak kosten in rekening heeft gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 17/7272

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2018 als bedoeld in artikel 8:75a in verbinding met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster,

gemachtigde: [naam gemachtigde],

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak op bezwaar van 28 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen de aanslag bedrijfsreinigingsrecht 2017, vorderingsnummer [vorderingsnummer], gedeeltelijk gegrond verklaard en de aanslag verminderd.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij kennisgeving van ontheffing gemeentelijke heffingen van 8 februari 2018 heeft verweerder de aanslag bedrijfsreinigingsrecht 2017 nogmaals verminderd.

Bij brief van 2 maart 2018 heeft verzoekster het beroep ingetrokken en de rechtbank op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de proceskosten.

In reactie op de brief van verweerder van 5 januari 2018 heeft de gemachtigde van verzoekster per e-mail van 15 januari 2018 vermeld dat het recht op vergoeding van de kosten in bezwaar komen te vervallen, omdat het niet tijdig is aangevraagd. Voor wat betreft de kosten in beroep is zij van mening dat een proceskostenvergoeding dient plaats te vinden. Zij heeft een arbeidsovereenkomst met Advocatenkantoor [advocatenkantoor] meegestuurd, waaruit volgens de gemachtigde blijkt dat zij juridische werkzaamheden uitoefent die een vast onderdeel vormen van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte taakuitoefening. Voorts heeft de gemachtigde aangegeven dat zij in het verleden vaker de belangen van cliënten heeft behartigd tegen een vergoeding, onder meer in andere zaken jegens de Gemeente [X] (kenmerk: [kenmerk]), maar ook jegens [Y] en andere partijen. De vraag van verweerder welke andere belanghebbenden zij als privépersoon als rechtsbijstandverlener heeft bijgestaan, kan zij niet beantwoorden omdat zij met belanghebbenden een geheimhoudingsovereenkomst heeft gesloten. Deze belanghebbenden zijn gedurende een ruimte tijd door haar vertegenwoordigd in hun juridische kwesties, er is dus geen sprake van een incidentele rechtshulp. Ten slotte heeft de gemachtigde verzocht de vergoeding van de kosten voor het verzenden van aangetekende brieven.

Verweerder is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Bij brief van 26 maart 2018 heeft verweerder van die gelegenheid gebruik gemaakt. Volgens verweerder is geen sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De omstandigheid dat de gemachtigde bij een advocatenkantoor werkt, maakt niet dat zij zelfstandig buiten haar dienstbetrekking te gelden heeft als beroepsmatige rechtsbijstandverlener. De gemachtigde heeft aangevoerd dat zij eerder voor anderen als gemachtigde heeft opgetreden, maar zij heeft geen namen van cliënten of kenmerken van zaken genoemd. Zij is niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Zij maakt derhalve niet aannemelijk dat zij buiten haar dienstbetrekking op beroepsmatige wijze rechtsbijstand verleend. Voorts heeft de gemachtigde geen factuur overgelegd voor de door haar verleende rechtsbijstand. Gelet hierop is volgens verweerder niet gebleken dat er proceskosten zijn gemaakt die drukken op belanghebbende.

Bij brieven van 14 juni en 3 juli 2018 heeft de rechtbank de gemachtigde van verzoekster in de gelengheid gesteld op het verweerschrift te reageren. De gemachtigde van verzoekster heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld.

Op grond van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

b. kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,

c. reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende,

d. verletkosten van een partij of een belanghebbende,

e. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en

f. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.

2. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan verzoekster is tegemoetgekomen en dat verzoekster om die reden het beroep heeft ingetrokken. De rechtbank zal daarom beoordelen of de door verzoekster opgegeven kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Volgens vaste jurisprudentie is voor het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand van belang dat deze werkzaamheden een vast onderdeel vormen van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte taakuitoefening. Er is sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, indien niet slechts incidenteel rechtshulp wordt verleend en voor die rechtshulp enigerlei vergoeding in rekening wordt gebracht. Op grond van de eerstgenoemde voorwaarde valt incidentele, persoonlijke juridische dienstverlening er dus buiten, bijvoorbeeld als de rechtsbijstandverlener slechts drie of vier keer per jaar een bezwaar- of beroepsprocedure voert.

De gemachtigde heeft weliswaar een arbeidscontract overgelegd, waaruit blijkt dat zij als juridisch medewerkster in een advocatenkantoor werkt, maar gelet op het feit dat zij op persoonlijke titel als gemachtigde in deze zaak heeft opgetreden, moet worden bezien of zij als een op zichzelf staande beroepsmatig rechtsbijstandverlener kan worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat verzoeksters gemachtigde geen beroepsmatig rechtsbijstandverlener is, zodat zij geen kosten heeft gemaakt die op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. De door de gemachtigde gegeven informatie is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte taakuitoefening. Dat de gemachtigde in het verleden vaker de belangen van cliënt heeft behartigd tegen een vergoeding, onder meer in andere zaken jegens de Gemeente [X], maar ook jegens [Y] en andere partijen, alsmede dat zij andere belanghebbenden gedurende een ruimte tijd heeft vertegenwoordig in hun juridische kwesties, heeft zij niet onderbouwd met stukken of nadere gegevens aan de hand waarvan deze stellingen kunnen worden geverifieerd. Evenmin heeft de gemachtigde een factuur overgelegd waaruit blijkt dat zij voor werkzaamheden in deze zaak kosten in rekening heeft gebracht.

4. De rechtbank is ook van oordeel dat de kosten voor de verzending van de aangetekende brieven niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu die niet onder de limitatieve opsomming van artikel 1 van het Bpb vallen.

5. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek om een proceskostenveroordeling, als kennelijk ongegrond, af.

6. De rechtbank wijst er ten slotte op dat verweerder, gelet op artikel 8:41, zevende lid, van de Awb, het door verzoekster betaalde griffierecht van € 46,- aan haar dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, in aanwezigheid van K.A. Dos Santos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.