Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6386

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
10/960332-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Syriëganger. Verdachte is uitgereisd naar Syrë en heeft zich aldaar gedurende ruim een jaar – als strijder – aangesloten bij de terroristische organisatie Tahrir al-Sham

(voorheen Jabhat Fateh al-Sham en/of Jabhat al-Nusra). Om uit het zicht en uit handen van politie en justitie te blijven, heeft verdachte bij zijn terugkeer naar West-Europa gebruik gemaakt van het paspoort van zijn broer. Veroordeling tot een gevangenisstraf van zeven jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960332-16

Datum uitspraak: 2 augustus 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie De Schie, Bijzondere Afdeling,

raadsman mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 juli 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.M.F. van Veghel heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest;

  • -

    teruggave aan de verdachte van de onder hem inbeslaggenomen boarding pass;

  • -

    bewaring van het onder de verdachte inbeslaggenomen paspoort, ten behoeve van de rechthebbende.

4 Waardering van het bewijs

Uit de bewijsmiddelen die aan dit vonnis zijn gehecht volgt dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met twee medeverdachten, die tegelijkertijd zijn berecht, schuldig heeft gemaakt aan het lidmaatschap van een terroristische organisatie.

Uit een der bewijsmiddelen vloeit voort dat dit de organisatie is geweest die destijds Jabhat al-Nusra (hierna: JaN) was genaamd. Deze organisatie is blijkens het rapport Jolen , dat behoort tot de processtukken, geplaatst op de VN-lijst van terroristische organisaties. Daarmede staat vast dat dit een terroristische organisatie is en behoeft de rechtbank geen aandacht te geven aan de vereisten van zo’n organisatie.

Door de verdediging zijn op onderscheiden punten, ook met betrekking tot de bewijsmiddelen, verweren gevoerd. Deze worden niet gehonoreerd en worden in het navolgende afzonderlijk besproken.

1. Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte tezamen met zijn medeverdachten in november 2015 is ingereisd in Turkije, vervolgens kennelijk naar de grens met Syrië is gegaan, waar hij tezamen met een van zijn medeverdachten geld heeft gepind en kennelijk naar Syrië is getogen. Zijn medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] hebben, blijkens bewijsmiddelen in hun dossier die de rechtbank ook in dit dossier zal hanteren, activiteiten verricht voor JaN, in die zin dat zij daar lid van zijn geweest. Nu deze medeverdachten zich met dat doel in Syrië hebben bevonden en uit het AIVD-ambtsbericht en opgeslagen tijdsregistraties in zijn telefoon kan worden opgemaakt dat deze verdachte in diezelfde periode ook in Syrië heeft verbleven, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat ook hij, net als zijn medeverdachten, lid moet zijn geweest van JaN en wel kennelijk als gewapend strijder, nu op kleding die door hem is verzonden uit Istanbul naar uiteindelijk Nederland, kruitsporen zijn aangetroffen alsmede zijn DNA-sporen. De verdachte heeft daarvoor geen afdoende verklaring kunnen geven.

2. Dat geldt ook voor de identificatie van hem op de luchthaven in Barcelona. De verdediging heeft aangevoerd dat die niet deugt, maar de rechtbank moet, nu er sprake is van twee EU-lidstaten wier rechtshulpverhouding verdragsrechtelijk is geregeld, op basis van het ook voor Nederland geldende vertrouwensbeginsel in internationale rechtshulp ervan uitgaan dat het onderzoek daar op juiste en rechtmatige wijze is uitgevoerd, tenzij dit alles in flagrante strijd is met fundamentele rechtsbeginselen, en met name het recht op een eerlijk proces. Dat is echter niet gesteld noch is dat gebleken (vgl. bijv. NJ 2002,1021 en

NJ 1990,1582).

3. Eenzelfde verweer is door de verdediging gevoerd met betrekking tot gegevens afkomstig van het LIRC. Ook daar is het uitgangpunt dat voornoemd vertrouwensbeginsel geldt en ook op dit punt is niet gesteld noch gebleken dat de gegevens zouden zijn gekregen in flagrante strijd met fundamentele rechtsbeginselen. Onder dit vertrouwensbeginsel vallen naar het oordeel van de rechtbank eveneens gegevens die door het LIRC van ter plaatse functionerende opsporingsambtenaren zijn verkregen. Dat de betreffende LIRC-medewerker, welke die informatie ontvangt en verwerkt, van Nederlandse nationaliteit is, doet naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake.3

De jurisprudentie en de opvattingen van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad, die door de verdediging zijn genoemd, hebben alleen betrekking op de Nederlandse situatie waarbij TCI-informatie wordt verkregen en zijn dus niet zonder meer van toepassing op gegevens die in internationaal verband tot Nederland zijn gekomen.

De verdediging heeft meer dan eens aangevoerd dat de mededeling ‘for police use only’ zou verhinderen dat dit als (steun)bewijs zou kunnen worden gebruikt, maar naar het oordeel van de rechtbank staat geen rechtsregel eraan in de weg dit als (steun)bewijs te gebruiken.

4. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat gegevens van de AIVD die zich in het dossier bevinden niet kunnen worden gebruikt nu zij daaromtrent bij de AIVD werkzame personen had willen horen en zij geen ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de rechter-commissaris de verdediging heeft verzocht vragen te formuleren ten behoeve van de te horen AIVD-functionaris. Met het oog op de inhoud van de in het Wetboek van Strafvordering opgenomen regeling voor het horen van een dergelijke getuige (artikel 226m van het Wetboek van Strafvordering) is deze werkwijze alleszins acceptabel. Niet uit het oog mag immers worden verloren dat deze regeling voor de verdediging niet veel houvast biedt gelet op de alom aanwezige mogelijkheid om te verhinderen dat processen-verbaal met verklaringen in het dossier worden opgenomen en zelfs kunnen worden vernietigd, zulks op enkele aanwijzing van de (AIVD-)getuige. Dat de rechter-commissaris ook in zo’n geval verzoekt vragen op te geven, gelijk dat in vele andere gevallen van getuigenverhoren eveneens wordt gedaan, brengt niet mee dat in dit specifieke geval aan het ondervragingsrecht tekort zou worden gedaan door aan het ondervragingsrecht op deze wijze vorm te geven.

5. Vervolgens is verweer gevoerd op het gebruik van pinpasgegevens in Gaziantep (Turkije).

Het bankpasje van verdachte is blijkens die gegevens daar gebruikt in januari 2016. De verdachte heeft gesuggereerd dat dit pasje door een ander zou zijn gebruikt en dat hij het pasje zou hebben geblokkeerd. Dat het pasje op enig moment is geblokkeerd, is op zichzelf wel juist, maar dit is pas op 31 maart 2016 gebeurd. Het zou volgens de verdachte maanden hebben geduurd voordat het pasje zou zijn geblokkeerd, maar hij heeft niet aannemelijk kunnen maken dat dat de gebruikelijke gang van zaken is bij een grote Nederlandse bank als de ABN AMRO Bank. Veeleer lijkt de opvatting van de officier van justitie aannemelijk, namelijk dat terstond na (telefonische) melding een pinpas wordt geblokkeerd en dat dit pas in maart moet hebben plaatsgevonden. Dit blijkt ook uit het aanvullende ‘proces-verbaal bevindingen blokkeren betaalpas 111 (…) t.n.v. [naam verdachte] ’ dat hier specifiek op ziet. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de verdachte in januari geld heeft gepind in Gaziantep aan de Turks-Syrische grens.

6. Omtrent de omstandigheid dat de verdachte in het bezit was van het paspoort van zijn broer [naam broer verdachte] en de gegevens van de vlucht van Turkije naar Barcelona is eveneens verweer, in de zin van een alternatief scenario, gevoerd. De verdachte zou, blijkens zijn verhoor bij de politie van 14 juni 2017, op verzoek van zijn broer [naam broer verdachte] een koffertje dat deze was kwijtgeraakt moeten gaan ophalen. [naam broer verdachte] verstrekte aan de verdachte daartoe diens paspoort en een vliegticket.

Echter, de gegrondheid van deze gebeurtenissen is, gelet op de onderliggende dossierstukken en ook het overigens verhandelde ter terechtzitting, door de verdediging op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, zodat het verweer reeds daarom wordt verworpen.

7. Ook het verhaal van de verdachte omtrent zijn vermeende aanwezigheid in Nederland in 2016, blijkend uit het contact bij de gemeente Rotterdam treft geen doel, nu slechts sprake is geweest van schriftelijk contact en de gemeente de handtekening van de verdachte in twijfel trekt.

Kortom niet aannemelijk gemaakt is dat de verdachte in de door hem aangeven periode in Nederland heeft verbleven.

8. Tenslotte kan de rechtbank het betoog over de schotresten niet volgen, zodat het gevolg daarvan is dat het buiten beschouwing wordt gelaten.

9. Verder worden door de verdediging vrijwel overal vraagtekens bij gezet, zonder dat dit leidt tot de vaststelling hoe zaken/onderzoeken wel zouden moeten zijn verlopen/opgezet en tot welke conclusies dit zou moeten leiden.

Voor zover wordt gedoeld op uitsluiting van het bewijs, voldoen de stellingen van de verdediging niet aan de eisen die de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 2013 (NJ 2013/3084) daaraan stelt, te weten dat er sprake moet zijn van – ofwel schending van een belangrijk strafvorderlijk voorschrift dan wel rechtsbeginsel, dat bovendien in aanzienlijke mate moet zijn geschonden – ofwel schending van strafvorderlijke voorschriften in die mate dat het systeemfouten betreft – dan wel zodanige schending van artikel 6 EVRM dat het recht op een eerlijk proces wordt geschonden. Van niets van dit al is sprake van enige stellingname laat staan aannemelijkheid van de kant van de verdediging, zodat reeds hierom alle vragen die omtrent bewijsmiddelen worden opgeworpen buiten beschouwing zullen blijven.

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij

in de periode van 29 november 2015 tot en met 13 januari 2017 te Syrië ,

tezamen en in vereniging met anderen,

heeft deelgenomen aan een organisatie, namelijk Tahrir al-Sham

(voorheen Jabhat Fateh al-Sham en/of Jabhat al-Nusra) , welke organisatie tot oogmerk

had het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood

ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te)

begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het

Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of

96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens

en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie);

2.

hij

in de periode van 05 januari 2017 tot en met 13 januari 2017 te Hatay en Istanbul en Barcelona, opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de

identificatieplicht, te weten een paspoort op naam gesteld van [naam broer verdachte] ,

geboren op 30 mei 1987, door zich meermalen te legitimeren met voornoemd paspoort bij de aanschaf van vliegtickets en/of bij de (paspoort)controles op het vliegveld van Hatay

en Istanbul en Barcelona, terwijl hij, verdachte, dit feit heeft gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf gemakkelijk te maken.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het tweede feit als volgt. Het gebruik van het paspoort na zijn verblijf in Syrië bestaat concreet uit het gebruik daarvan bij de binnenlandse reis in Turkije, bij de reis vanuit Turkije naar Spanje, bij het boeken van een vlucht en het inchecken van zijn koffer naar Düsseldorf en bij het als vermist opgeven van voornoemde koffer in Barcelona. Nu verdachte deel uitmaakte van een terroristische organisatie als hierboven omschreven, moet de rechtbank het er voor houden dat verdachte het paspoort op voornoemde wijze heeft gebruikt met het oogmerk zijn deelname aan deze organisatie te verhullen en dus gemakkelijk te maken.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

2.

opzettelijk gebruikmaken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is samen medeverdachten uitgereisd naar Syrië om zich aldaar vervolgens aan te sluiten bij de terroristische organisatie (voorheen geheten) Jabhat al-Nusra, een aan Al-Qaida gelieerde organisatie. Binnen deze organisatie is de verdachte als strijder actief geweest.

Daarnaast heeft de verdachte, teneinde vanuit het strijdgebied terug te keren naar (in ieder geval) West-Europa, gebruik gemaakt van het paspoort van zijn broer bij de aanschaf van vliegtickets, paspoortcontroles en het inchecken bij vluchten naar Istanbul en Barcelona, om aldus uit het zicht en uit handen van politie en justitie te blijven.

Jihadistische strijdgroepen in Syrië, zoals Jabhat al-Nusra, maken zich op grootschalige en systematische wijze schuldig aan terroristische misdrijven. Op Nederland rust de internationale verplichting om terrorisme te bestrijden, ook als dat in een ander land plaatsvindt. Deelnemen aan de gewapende strijd in Syrië, in welke vorm dan ook, is een terroristisch misdrijf. Terroristische misdrijven worden – ook internationaal – gezien als behorende tot de ernstigste misdrijven. Het oorlogsgeweld in het desbetreffende gebied, waaraan de verdachte heeft deelgenomen, heeft velen op de vlucht gejaagd en stelt Nederland en andere landen in Europa en uit die regio voor een uitdaging, waarvan de maatschappelijke impact niet kan worden onderschat. Het deelnemen aan een terroristische organisatie moet daarom streng worden bestraft.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 mei 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Reclassering Nederland heeft een beknopt reclasseringsadvies over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 april 2017. Daarnaast bevat het dossier, aangezien de verdachte geen medewerking wenste te verlenen aan de totstandkoming van een reclasseringsadvies ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van zijn zaak, een ‘retourzending opdracht reclasseringsadvies’ van 8 februari 2018.

Voorts is op 1 februari 2018 een rapportage over de verdachte opgemaakt door het NIFP, bevattende een psychologisch, psychiatrisch en milieuonderzoek. Uit de rapportage komt naar voren dat de verdachte gedurende zes weken opgenomen is geweest in het Pieter Baan Centrum en hij zijn medewerking aan het onderzoek vrijwel geheel heeft geweigerd.

Door de weigerende houding die de verdachte heeft aangenomen is feitelijk dan ook geen zicht verkregen op zijn interne gedachte- en belevingswereld. Er kan dan ook worden gesteld dat het niet mogelijk is een conclusief beeld te vormen van zijn persoonlijkheid, evenals van eventuele kwetsbaarheden en/of eventuele beschermende factoren.

Concluderend kunnen - door de beschreven beperkingen van het onderzoek - een ziekelijke

stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens niet worden aangetoond.

Er kan geen onderbouwde uitspraak worden gedaan over een mogelijke doorwerking, een op de persoon van betrokkene toegespitste risicoanalyse en eventuele interventies ten aanzien van behandeling en juridische kader(s).

De rechtbank heeft acht geslagen op deze stukken.

De ernst van de feiten maken dat aan de verdachte een substantiële vrijheidsstraf dient te worden opgelegd. Immers, de verdachte is als strijder actief geweest in het strijdgebied van Syrië aan de zijde van eerder genoemde terroristische organisatie en is vervolgens op verontrustende wijze naar West-Europa teruggekeerd. Daarnaast wordt het de verdachte aangerekend dat hij bij de politie noch op de terechtzitting inzicht in zijn persoonlijk handelen heeft gegeven.

Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Hierin wordt aanleiding gezien om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van kortere duur dan door de officier van justitie geëist.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Inbeslaggenomen voorwerpen

Ten aanzien van het inbeslaggenomen paspoort zal de bewaring worden gelast ten behoeve van de rechthebbende.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen boarding pass zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 57, 140a en 231 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

  • -

    gelast de teruggave aan verdachte van de onder 2 genoemde boarding pass:

  • -

    gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het onder 1 genoemde paspoort.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. M.M. Koevoets en D.L. Spierings, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Meulendijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 augustus 2018.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 november

2015 tot en met 13 januari 2017 te Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

heeft deelgenomen aan een of meer organisatie(s), namelijk Tahrir al-Sham

(voorheen Jabhat Fateh al-Sham en/of Jabhat al-Nusra) en/of Islamitische Staat

(IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of

Iraq and Levant (ISIL), althans (telkens) een aan Al Qaida en/of aan IS

gelieerde organisatie(s), althans (telkens) (een) organisatie(s) die de

gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan, welke organisatie(s) tot oogmerk

had(den) het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood

ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te)

begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het

Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of

96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens

en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie);

art 140a lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 05 januari

2017 tot en met 13 januari 2017 te Hatay en/of Istanbul, althans (elders) in

Turkije en/of Barcelona, althans (elders) in Spanje,

opzettelijk en wederrechtelijk

gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument en/of

identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de

identificatieplicht, te weten een paspoort op naam gesteld van [naam broer verdachte] ,

geboren op 30 mei 1987,

door zich (meermalen) te legitimeren met voornoemd paspoort bij de aanschaf

van vliegticket(s) en/of bij de (paspoort)controles op het vliegveld van Hatay

en/of Istanbul en/of Barcelona, terwijl hij, verdachte, dit feit (al dan niet)

heeft gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden

en/of gemakkelijk te maken;

art 231 lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 3 Wetboek van Strafrecht

1 EHRM 27-06-2000, ECLI:NL:XX:2001:AE0193

2 EHRM 07-07-1989, ECLI:NL:XX:1989:AB9902

3 De uit het buitenland verkregen informatie kan bij een situatie als de onderhavige, waarbij er sprake is van een door verdrag beheerste relatie (en dat geldt voor zowel Spanje als Turkije), slechts intern worden getoetst door de verzoekende staat door de vraag te stellen of die informatie rechtmatig is verkregen. De verdediging heeft dit aspect, voor zover rechtens relevant in dit verband echter bij het verzoek op pagina 10 van de pleitnota niet aan de orde gesteld. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de gegevens van het LIRC steun vinden in andere bewijsmiddelen, met name ‘stille getuigen’ als boarding passes en gegevens uit de luchtvaartadministratie (vgl. voor dit alles bijv. mr. dr. S. Brinkhoff in Startinformatie in het strafproces 2014/11.1 voor wat betreft de invloed van het vertrouwensbeginsel).

4 ECLI:NL:HR:2013:BY5322