Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6229

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
ROT 18/3903
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De burgemeester kan de bevoegdheid om de woning te sluiten en verzoeker een gebiedsontzegging te geven, waardoor verzoeker zijn woning niet meer kan bereiken, niet ontlenen aan artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. Artikel 10 van de Grondwet vereist een voldoende specifieke (formeel-)wettelijke grondslag voor een beperking daarvan. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 4

zaaknummer: ROT 18/3903

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 juli 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. S.J. van der Woude,

en

de burgemeester van de gemeente Schiedam, verweerder,

gemachtigden: mr. E. de Neef en mr. P. Bijleveld.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet de algehele sluiting bevolen van het pand aan de

[adres] en aan verzoeker een gebiedsontzegging opgelegd voor [locatie] , beiden ingaand op 20 juli 2018 om 12.00 uur voor de duur van vier weken.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2018.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Verzoeker is huurder van de woning aan de [adres] . Hij woont op dit adres samen met zijn vriendin en met een zoon.

1.2.

Op 5 januari 2018 is via Meld Misdaad Anoniem (MMA) een verstrekking gedaan waarin werd aangegeven dat [....] . Verzoeker is van deze dreiging in kennis gesteld.

1.3.

Op 30 mei 2018 is verzoeker door de politie op de openbare weg in Schiedam aangetroffen. Verzoekers handen waren vastgebonden met duct tape en zijn gezicht en kleding zaten onder het bloed. De politieambtenaren roken een sterke ammonialucht. Verzoeker verklaarde dat hij onder bedreiging van vuurwapens naar een voertuig was gesleept. Vervolgens is hij mishandeld en met een vloeistof (ammonia) overgoten. Uiteindelijk is gepoogd verzoeker in brand te steken hetgeen niet gelukt is. Er werd tegen verzoeker gezegd dat hij geld moest regelen. Dit incident wordt onderzocht door een Team Grootschalige Opsporing van de politie. Het team Bewaken en Beveiligen van de politie heeft een dreigings- en risicoanalyse gemaakt. Uit deze analyse blijkt [....] .

1.4.

Op 15 juni 2018 omstreeks 01.30 uur is van buitenaf de woning aan de [adres] beschoten. Hierbij zijn er twee projectielen door de ramen gegaan. Daarnaast is op het balkon van die woning een handgranaat aangetroffen. Uit onderzoek van de politie is volgens verweerder gebleken dat de projectielen en handgranaat niet bedoeld waren voor de bewoners van dit pand. Uit een op 16 juni 2018 via MMA ontvangen melding zou blijken dat de handgranaat en de beschieting van de woning voor verzoeker zouden zijn bedoeld [....] .

1.5.

Op 21 juni 2018 heeft verweerder besloten om een bestuurlijke maatregel te treffen, inhoudende sluiting van de woning aan de [adres] voor een periode van vier weken en het opleggen van een gebiedsontzegging aan verzoeker voor [locatie] , eveneens voor de duur van vier weken.

Beide bevelen zijn gegeven op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet.

1.6.

Verzoeker verblijft sinds 21 juni 2018 [....] .

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bestuurlijke maatregelen verlengd met vier weken. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat in de aanvullende bestuurlijke rapportage wordt aangegeven dat het dreigingsniveau ten aanzien van verzoeker op dit moment ongewijzigd is gebleven. De politie stelt dat verzoekers aanwezigheid in de woning en directe leefomgeving derhalve nog altijd een dreiging oplevert voor de openbare orde en veiligheid ter plaatse.

3. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit totdat op het bezwaar is beslist.

4. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.

5. Verzoeker heeft primair betwist dat verweerder bevoegd is om op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet over te gaan tot sluiting van de woning en het opleggen aan verzoeker van een gebiedsontzegging, waardoor verzoeker zijn woning niet meer kan bereiken. Met dit besluit wordt inbreuk gemaakt op het in artikel 10 van de Grondwet beschermde huisrecht en daartoe is artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet volgens verzoeker niet in het leven geroepen. Dergelijke ingrijpende maatregelen zijn op grond van dit artikel dan ook niet mogelijk.

6. Ingevolge artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde.

Artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester bevoegd is bij de verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

In artikel 10, eerste lid, van de Grondwet is bepaald dat ieder, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

7.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat met de beschieting van de woning aan de [adres] op 15 juni 2018 zonder meer sprake was van een verstoring van de openbare orde. De voorzieningenrechter begrijpt dat de burgemeester zich genoodzaakt zag om op te treden en begrijpt ook dat hij voor rust en veiligheid in de straat heeft willen zorgen door het treffen van deze maatregel, ook in het belang van verzoeker. Dat verzoeker zich op het standpunt blijft stellen dat hij geen doelwit was van de beschieting, kan de voorzieningenrechter, gelet op de zich in het dossier bevindende informatie van de politie, niet volgen. Het lijkt de voorzieningenrechter aangewezen dat verzoeker, met het oog op zijn eigen veiligheid en die van zijn omgeving, zo goed mogelijk samenwerkt met het team dat onderzoek doet naar de verschillende geweldsincidenten rond zijn persoon en dat hij door de politie in het kader van die veiligheid gegeven aanwijzingen opvolgt.

7.2.

Dit alles laat echter onverlet dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter verweerder de bevoegdheid om de woning te sluiten en verzoeker een gebiedsontzegging te geven niet kan ontlenen aan artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet.

Het betreffen voor verzoeker zeer verstrekkende maatregelen met ingrijpende gevolgen.

Met de sluiting van de woning wordt door verweerder inbreuk gemaakt op een grondwettelijk beschermd recht. De wettekst maakt dat niet expliciet mogelijk.

In de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling staat te lezen dat de bevoegdheid van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet is bedoeld als een ‘lichte’ bevelsbevoegdheid. Bij de toepassing van deze bevoegdheid moet de burgemeester binnen het kader van de overige geldende wetgeving blijven en mag hij niet afwijken van de Grondwet

(Kamerstukken I 1990/91, 19403, 64b, p. 16-17). Daar komt bij dat artikel 10 van de Grondwet een voldoende specifieke (formeel-)wettelijke grondslag voor een beperking daarvan vereist, dat wil zeggen specifiek bedoeld om de burgemeester de bevoegdheid te verlenen om het grondrecht te beperken, zoals artikel 174a van de Gemeentewet die bevoegdheid specifiek schept als ook artikel 13b van de Opiumwet.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet niet als grondslag gebruikt kan worden in het geval dat toepassing daarvan tot een inbreuk op een grondwettelijk beschermd recht leidt.

7.3.

De voorzieningenrechter kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet toekomen aan een afweging van belangen.

8. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting niet in stand kan blijven, zodat er aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende schorsing van het bestreden besluit tot zes weken na de te nemen beslissing op bezwaar. Gelet op het feit dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter verweerder niet bevoegd was om het bestreden besluit te nemen, is er aanleiding om dit besluit met onmiddellijke ingang te schorsen. De voorzieningenrechter raadt verzoeker evenwel ten zeerste aan om zijn medewerking te verlenen aan het verdere strafrechtelijk onderzoek, dit niet alleen met het oog op zijn eigen veiligheid die kennelijk reëel in gevaar is, maar ook met het oog op de veiligheid van zijn leefomgeving.

9. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

10. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit met onmiddellijke ingang tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van

€ 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. van der Hoek, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 31 juli 2018.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.