Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6177

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-07-2018
Datum publicatie
28-07-2018
Zaaknummer
6234556 \ CV EXPL 17-28623
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft op de gevel van zijn pand posters gehangen waarop de president van Turkije en de President van Rusland te zien zijn. Op last van de burgemeester zijn deze posters weggehaald. Is dit een onrechtmatige daad?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/469
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6234556 \ CV EXPL 17-28623

uitspraak: 27 juli 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

eiser,

gemachtigde: mr. G. Bloem,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Rotterdam,

zetelend te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.W. Veldhuis.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” en “de Gemeente”.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 7 augustus 2017, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Pazula B.V. (hierna: Pazula) huurt het pand aan de Beijerlandselaan 167 A te Rotterdam (hierna: het pand). [eiser] is eigenaar van de onderneming Pazula. [eiser] runde in het pand een wedwinkel; ten tijde van belang was het pand gesloten in verband met illegale gokactiviteiten.

2.2.

[eiser] heeft op 19 maart 2017 aan de buitenkant van het pand posters opgehangen waarop de Turkse president Erdogan en de Russische president Poetin te zien zijn. De posters hadden een afmeting van ruim twee bij twee meter. Op dezelfde dag zijn deze posters verwijderd door de politie op last van de burgemeester van Rotterdam.

2.3.

In de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente (hierna: APV) is in artikel 2.42 het volgende opgenomen:

Artikel 2:42 Plakken en kladden

1. Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak

dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de

rechthebbende op de weg, op dat gedeelte van een onroerende

zaak dat vanaf de weg zichtbaar is of op een op de weg staande

roerende zaak:

a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of

aanduiding, aan te plakken of aan te doen plakken of op

andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

b. op een andere wijze enige afbeelding, letter, cijfer of teken

aan te brengen of te doen aanbrengen.

( )

7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke

toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op

diens eerste vordering onverwijld ter inzage af te geven.

2.4.

In artikel 6:1 van de APV is opgenomen dat het overtreden van artikel 2:42 van de APV wordt bestraft met hechtenis van ten hoogte drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden bestraft met openbaarmaking van de rechtelijke uitspraak.

2.5.

In artikel 172 van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde. In lid 2 van dit artikel is bepaald dat de burgemeester bevoegd is overtredingen van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde, te beletten of te beëindigen. Hij bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie. In lid 3 van dit artikel is bepaald dat de burgemeester bevoegd is bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

2.6.

In artikel 5:23 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat deze afdeling niet van toepassing is op optreden ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde. De desbetreffende afdeling is Afdeling 5.3.1, Last onder bestuursdwang.

3 De vordering

[eiser] heeft, na wijziging van eis, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser] door het verwijderen van de posters aan het pand aan de Beijerlandselaan 167 A (3074 EH) te Rotterdam;

II. de Gemeente te veroordelen tot betaling aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting van de door [eiser] geleden immateriële schade ad € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

III. primair: de Gemeente te veroordelen tot betaling aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting van het bedrag ad € 2.000,00 exclusief btw aan buitengerechtelijke kosten ex artikel 6:96 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

IV. subsidiair: de Gemeente te veroordelen tot betaling aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting van het bedrag ad € 475,00 aan buitengerechtelijke incassokosten op grond van BIK, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

V. de Gemeente te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

Aan zijn vordering heeft [eiser] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De Gemeente heeft onrechtmatig gehandeld door de posters te verwijderen, omdat daardoor zijn vrijheid van meningsuiting is aangetast. Er was geen sprake van vrees voor (verdere) verstoring van de openbare orde. De onrechtmatigheden bij het Turkse consulaat in Rotterdam hadden al een week eerder plaatsgevonden en er was – tot het moment van verwijderen – geen aandacht voor de posters in de lokale en landelijke media. Omdat er geen vrees was voor verstoring van de openbare orde, was er geen juridische basis voor de Gemeente om de posters te verwijderen. Artikel 172 van de Gemeentewet is niet van toepassing, omdat er geen strijd of dreigende strijd met de openbare orde is. Daarnaast heeft de Gemeente ten onrechte geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb aan het weghalen van de posters ten grondslag gelegd.

De Gemeente heeft tevens gesteld dat er sprake zou zijn van overtreding van artikel 2:42 van de APV, wat in artikel 6:1 lid 1 van de APV strafbaar is gesteld. Indien en voor zover de eigenaar van het pand de Gemeente heeft bevestigd dat de posters zonder zijn toestemming op het pand zijn aangebracht, is deze bevestiging pas gekomen nadat de posters zijn verwijderd. Van eerder contact met de eigenaar blijkt niet. De Gemeente heeft vooraf niet onderzocht of de toestemming verleend was.

Door het onrechtmatig handelen heeft [eiser] schade gelegen bestaande uit € 1.000,- aan kosten voor de posters en € 2.5000,- aan immateriële schadevergoeding; immers [eiser] is in een kwaad daglicht gezet en in zijn eer en goede naam aangetast.

4 Het verweer

De Gemeente heeft tot afwijzing van de vordering geconcludeerd en daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd. In het weekend van 11 en 12 maart 2017 vonden in Rotterdam ernstige ongeregeldheden plaats rondom het Turkse consulaat in verband met de komst en het (uiteindelijke) vertrek van een Turkse minister uit Nederland. Door de burgemeester van Rotterdam is op 11 maart 2017 een noodbevel afgekondigd rondom het consulaat en de ambtswoning van de Turkse consul en later ook voor het gebied Centrum. Er waren veel demonstranten aanwezig rondom het consulaat en een deel daarvan keerde zich tegen de politie. Door de Mobiele Eenheid zijn uiteindelijk charges uitgevoerd om de openbare orde te herstellen. Korte tijd na het plaatsvinden van deze ongeregeldheden heeft [eiser] een vijftal grote posters op het pand gehangen waarop de Turkse president staat afgebeeld. Ook hing over de gehele breedte van het pand de tekst “Zij praten, wij doen het”, de leuze van de AK-partij. Deze posters waren vanaf de openbare weg goed zichtbaar en kregen in de media veel aandacht, ook al vóórdat zij waren weggehaald. Op sociale media leidden de posters tot heftige reactie, waarbij onder meer werd gedreigd met het in brand steken van de posters en/of het pand. Er ontstonden daarbij spanningen tussen voor- en tegenstanders van de posters. De posters op het pand vormden een bedreiging voor het pand en omwonenden en gaven aanleiding tot vrees voor (verdere) verstoring van de openbare orde. Sinds de mislukte couppoging in Turkije (in juli 2016) en in aanloop naar het Turkse referendum (op 16 april 2017) zijn de spanningen binnen Rotterdam sterk toegenomen tussen de Turkse gemeenschap en autochtonen en tussen Erdogan- en Gülen-aanhangers.

Geprobeerd is met [eiser] in overleg te treden teneinde de posters te doen verwijderen. Omdat geen (telefonisch) contact kon worden gekregen met [eiser] en om te voorkomen dat de posters de onregelmatigheden weer zouden doen oplaaiden heeft de burgemeester van Rotterdam – na overleg met de lokale ‘driehoek’ – de politie opdracht gegeven de posters en de tekst op de gevel van het pand nog dezelfde avond te verwijderen. De posters zijn opgevouwen en in bewaring genomen door de politie. [eiser] kon ze daar ophalen.

Volgens de gemeente geeft artikel 172 van de Gemeentewet de burgemeester van Rotterdam in geval als het onderhavige de bevoegdheid de posters te laten verwijderen. Op grond van het tweede lid mag de burgemeester overtredingen van de wettelijke voorschriften die betrekking hebben de openbare orde beletten of beëindigen. Het was de inschatting van de burgemeester dat de door [eiser] opgehangen posters – in samenhang bezien met de ernstige ongeregeldheden van enkele dagen eerder – een ernstig risico vormden voor (verdere) verstoringen van de openbare orde. Het weghalen van de posters was gericht op het voorkomen van nieuwe ongeregeldheden waarbij gemeen gevaar voor omwonenden en goederen te duchten is. Reeds op grond daarvan bestond voor de burgemeester van Rotterdam een toereikende grondslag om de posters te verwijderen.

Daarnaast heeft [eiser] met zijn handelen ook zelf een (of meer) voorschrift(en) overtreden die betrekking hebben op de openbare orde, zoals artikel 2:42 van de APV. Ook vanwege deze overtreding was de burgemeester van Rotterdam bevoegd op grond van artikel 172 tweede lid van de Gemeentewet de posters te doen verwijderen. De Gemeente heeft van tevoren gevraagd of de eigenaar toestemming had gegeven voor het plaatsen van de posters, wat niet het geval was.

Omdat sprake is van feitelijk handelen is geen besluit genomen waar bezwaar en beroep tegen openstaat.

De posters zijn niet verwijderd vanwege de inhoud of afbeeldingen, maar om te voorkomen dat zij zouden resulteren in nieuwe ongeregeldheden en daarmee opnieuw tot verstoring van de openbare orde zou leiden. Van een schending van artikel 10 EVRM is geen sprake. Als al sprake is van een inbreuk, dan is deze inbreuk gelet op het tweede lid van artikel 10 EVRM gerechtvaardigd. De beperking was voorzien bij wet, namelijk artikel 172, tweede lid, van de Gemeentewet. Ook strekt de maatregel die de burgemeester van Rotterdam heeft genomen (het verwijderen van de posters) tot bescherming van de verschillende in artikel 10, tweede lid, EVRM genoemde belangen. Ook aan de derde eis van dit artikel is voldaan, want de beperking is noodzakelijk in een democratische samenleving, namelijk ter handhaving van de openbare orde.

Er is derhalve geen sprake van onrechtmatig handelen jegens [eiser] door de burgemeester.

Voorts heeft de Gemeente zich op het standpunt gesteld dat de schade niet aannemelijk is gemaakt door [eiser] . Ook bestaat geen oorzakelijk verband tussen het handelen van de burgemeester en de gestelde immateriële schade. De buitengerechtelijke incassokosten zijn niet onderbouwd door [eiser] , zodat de vordering ter zake daarvan volgens de Gemeente moeten worden afgewezen.

5 De beoordeling

5.1.

[eiser] heeft allereerst gevorderd voor recht te verklaren dat de Gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. De onrechtmatigheid bestaat eruit dat de burgemeester de posters door de politie heeft laten verwijderen. Dit is volgens [eiser] in strijd met zijn vrijheid van meningsuiting, artikel 10 van het EVRM, zodat sprake is van een inbreuk op een subjectief recht.

5.2.

Namens de Gemeente is aangevoerd dat [eiser] geen belang heeft bij deze vordering. Uit artikel 3:302 BW volgt dat een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon een vordering tot verklaring van recht kan instellen. Nu het hier betreft het weghalen van posters van [eiser] die hij aan zijn gevel heeft opgehangen, is duidelijk dat [eiser] onmiddellijk betrokken is bij het uitvoeren van de desbetreffende opdracht van de burgemeester, zodat hij in zijn vordering moet worden ontvangen.

5.3.

Op de posters die [eiser] had opgehangen waren de president van Turkije en de president van Rusland te zien. Ook stond op de gevel van het pand de tekst “Zij praten, wij doen het”, de leuze van de AK-partij. Ondanks dat het volgens de Gemeente niet ging om wat er op de posters te zien was, heeft de gemeente het recht van vrijheid van meningsuiting de facto wel beperkt door de posters en de tekst te verwijderen. Daaraan doet niet af dat aan het verwijderen redenen ten grondslag zouden hebben gelegen die niets met het beperken van de vrijheid van meningsuiting van doen hebben.

5.4.

Op grond van het tweede lid van artikel 10 EVRM kan het recht op vrijheid van meningsuiting worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

5.5.

Eerst moet derhalve beoordeeld worden of de beperking bij de wet is voorzien.

De Gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat de burgemeester op grond van artikel 172 lid 2 van de Gemeentewet bevoegd was om de posters te laten verwijderen door de politie. Het wettelijke voorschrift dat [eiser] zou hebben overtreden is artikel 2:42 APV. De Gemeente stelt dat [eiser] geen schriftelijke toestemming had van de eigenaar van het pand. [eiser] heeft dit niet betwist, zodat vast staat dat hij artikel 2:42 van de APV heeft overtreden. Artikel 2:42 van de APV met als titel: ‘Plakken en bekladden’ en de afdeling van de APV waarin dit artikel geplaatst is (Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid’) wijzen erop dat het verbod erop gericht is de openbare orde te reguleren. De beperking is derhalve bij wet voorzien. Overigens volgt uit het bepaalde in artikel 5:23 Awb dat de Gemeente of de burgemeester als een van haar organen, niet eerst ter zake een bestuursrechtelijk besluit had moeten nemen.

5.6.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of de beperking in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

5.7.

De Gemeente heeft dit onderbouwd door te verwijzen naar de gebeurtenissen op 11 en 12 maart 2017 en naar de krantenberichten van 19 maart 2017 en de twitterberichten van die dag. Uit de door de Gemeente overgelegde stukken blijkt dat op 19 maart 2017, dezelfde dag dus als waarop [eiser] de posters heeft opgehangen, in de media gewag wordt gemaakt van verontwaardiging over de posters. Op twitter verschijnen dan berichten als ‘Irritatie om #Erdogan-posters in Rotterdam-Zuid.’ en ‘Hup, de fik erin!!! En opzouten naar #Turkije met je postertjes’ en ‘#Turkijerel’ en ‘Ongelooflijk. Sinds wanneer is dat daar te zien? Sinds de rellen of al eerder?’. De Gemeente heeft aangevoerd dat de burgemeester vreesde voor onregelmatigheden als rellen of vechtpartijen, en schade aan het pand of buurpanden en overlast voor buurtbewoners. Gelet op hetgeen eerder in Rotterdam op 11 en 12 maart 2017 is voorgevallen is de kantonrechter van oordeel dat deze vrees gegrond was. Daarmee is gegeven dat de opdracht tot het verwijderen van de posters noodzakelijk was in het belang van de openbare veiligheid en ter voorkoming van wanordelijkheden en strafbare feiten. Dit leidt ertoe dat de burgemeester een voldoende rechtvaardigingsgrond had voor zijn handelen, zodat niet gezegd kan worden dat zijn handelen onrechtmatig was. Om die reden moet de vordering tot verklaren voor recht dat de Gemeente jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, worden afgewezen.

5.8.

Nu niet sprake is van onrechtmatigheid, is er tevens geen basis om de Gemeente te veroordelen tot het vergoeden van de door [eiser] gestelde immateriële schade, zodat ook die vordering moet worden afgewezen. Voor het toekennen van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten bestaat gelet op het voorgaande evenmin aanleiding, zodat deze vordering eveneens wordt afgewezen.

5.9.

Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog het volgende. De Gemeente heeft zowel in haar conclusie van antwoord als bij dupliek gesteld dat [eiser] de immateriële schade die erin bestaat dat hij is aangetast in eer en goede naam, niet heeft onderbouwd. Daarnaast heeft de Gemeente tot twee keer toe gesteld dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de schade die [eiser] stelt geleden te hebben en het weghalen van de posters en de gevel-tekst. Dat oorzakelijk verband is door [eiser] niet onderbouwd. Gelet op de inhoud en toonzetting van de twitterberichten die vele malen ‘geretweet’ zijn en de tientallen emailberichtjes die [eiser] gesteld heeft te hebben ontvangen, ligt het veeleer voor de hand dat het handelen van [eiser] zelf aanleiding was voor de agressieve reacties die over hem werden uitgestort en de aantasting van zijn eer en goede naam, dan dat het weghalen van de posters en de gevel-tekst daartoe hebben geleid. Dus ook in het geval het weghalen van de posters wel als onrechtmatig zou moeten worden geoordeeld, bestaat er geen aanspraak op vergoeding van de gestelde immateriële schade.

5.10.

Nu [eiser] in het ongelijk wordt gesteld, is er aanleiding hem te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de Gemeente.

6 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente vastgesteld op € 500,00 (2 punten à € 250,00) aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

31688/17646